Voor
het vervoer van alle mogelijke zaken was men in vroegejaren op paard en wagen
aangewezen. Vandaar dat men in vrijwel elke plaats mensen aantrof die het beroep
van voerman, ook wel "sleper" genaamd, uitoefenden. Ook in Ede waren
er verschillenden, die zich met een dergelijk hulpverlenend bedrijf bezig hielden.
Een heel bekende voerman uit die tijd was Sander Waayenberg, waarvan diens
kleinzoon nog altijd op dit terrein werkzaam is, zij het dan met moderne verhuiswagens.
Sander
Waayenberg werd geboren op 7 mei 1871 in de omgeving van de Pampel, dat nu deel
uitmaakt van het Natuurpark "De Hoge Veluwe" , maar destijds kadastraal
bekend stond als Otterlo
Daar bracht Sander zijn kinderjaren door, volgde
wat at onderwijs .OP de school in Otterlo, maar moest al jong zijn eigen kost
verdienen. Amper twaalf jaar oud werd hij schaapherder bij Engelhoven in Lunteren
tegen kost en inwoning met een paar zakcenten. Het beviel hem uitstekend: de hele
dag in de vrije natuur met weinig inspanning, de hond zorgde wel dat schapen bij
elkaar bleven. Omdat hij toch niet veelom handen had, gaf de vrouw des huizes
hem sokken mee om te stoppen en leerde hem 's avonds de eerste beginselen van
de breikunst. Na verloop van tijd werd hij daar heel handig in en breidde sokken
voor het hele gezin, tot groot genoegen van de boerin die hij daardoor veel werk
uit de handen nam.
Enkele jaren verliepen, Sander voelde zich helemaal
thuis in het gezin, zo zelfs dat hij vriendschappelijk betrekkingen met de dochter
van de boer aanknoopte.
Deze was daar echter allerminst op gesteld; hij bad
voor haar wat beters in gedachte dan een simpele schaapherder Het dienstverband
van Sander liep, evenals bij boerenknechts, van Mei tot Mei. dus nam de boer op
1 mei 1887 " Sander mee naar Barneveld en verhuurde hem, eveneens als schaapherder.aan
ene Van Manen. Voortaan lag zijn arbeidsterrein op de dijk van Harderwijk naar
Nijkerk, ver van de familie Engelenhoven.
Zijn nieuwe baas was al gauw met
hem ingenomen; het echtpaar had geen kinderen en beschouwde Sander als een
eigen zoon.
Van Manen maakte het zelfs zo sterk dat, als Sander beloofde bij
hem in dienst te blijven, hij later, als zij uit de tijd waren, de schaapskudde
en boerderij zou erven. Maar
Sander had in Ede Gerritje Plantagie leren kennen
en voelde zich zo tot Grietje, zoals men haar in het dorp noemde, aangetrokken,
dat hij het aanbod afwees. Hij nam ontslag, trok naar Ede, kocht van zijn spaarcenten
kar en paard en vestigde zich als Voerman.
Zij trouwden 2 mei 1886 en betrokken
het pand Veenderweg 20, waar nu garage Vonk staat.
Daar had Sander een oud
huisje gekocht dat werd gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe woning met
stallen voor paarden en wagenloods. Hier bleef jarenlang het slepersbedrijf van
Sander Waayenberg gevestigd.
In het werk zat de nodige variatie; allereerst
zand rijden voor aannemers en andere klanten. Dat gebeurde met een stortkar
die, mits goed volgeladen, juist een kubieke meter kon bevatten. De Klinkenberg
leverde volop prima zand en was niet ver van de bewoonde wereld. Aanvankelijk
haalde men het zand op de hoogte van de tegenwoordige Van Heeckerenlaan, later
iets verderop bij de Molledennen.
Maar de buurt Ede-Veldhuizen waartoe de grond
behoorde, vond al die gaten storend. Weliswaar bestond er een bepaling dat een
gat eerst dichtgegooid moest worden alvorens op een nieuwe plaats te gaan graven.
In de praktijk kwam daar weinig van terecht. Daarom wees de buurt in 1911 een
bepaald stuk aan waar zand gebaald mocht worden, al spoedig bekend als "de
zandgaten" en waar later het openluchttheater werd aangelegd.
Trouwens
daar aan het Heuvelsepad profiteerden meer mensen van het zand. In de villa "de
Klinkenberg" woonde Thijssen die daar een bescheiden kalkzandsteenfabriekje
exploiteerde. Zelfs de bekende betonfabriek "De Kroon"stamt uit deze
omgeving.
Omstreeks 1911 stond daar een eenvoudig houten gebouwtje waarin de
eerste Edese betonfabriek, eigenaars de heren Kool en Emmerik was gevestigd. In
1912 namen de heren L. Tulp en A. Kool het zaakje over en trokken onder de naam
"De Kroon" naar de Waterloweg. De aannemers hadden niet alleen zand
maar ook stenen nodig die van de steenfabrieken "de Koebongerd" uit
Wageningen of, nog verder weg, "De Blauwe Kamer", moesten komen.
Per
vracht konden duizend stenen worden geladen, althans in de zomerdag. 's Winters
als de wegen slechter waren, bleef het bij achthonderd.
Naar Ede konden per
dag twee ritten worden gemaakt, hetgeen, Iaden en lossen inbegrepen een werkdag
van meer dan twaalf uur betekende en een rijksdaalde per duizend stenen opleverde.
Gezien de voerkosten van het paard en onderhoud wagens nog lang geen netto
verdienste.
Ook de bossen leverden het nodige werk voor Sander Waayenberg
en andere voerlieden, zoals Gijs Elbers, Brand van Raay en Kees Veldhuizen, om
er een paar te noemen.
Op gezette tijden werden stukken bos gekapt; de stammen,
die veelal na op lengte te zijn gezaagd om voor mijnhout te worden gebruikt, werden
naar een opslagplaats bij de boterfabriek vervoerd. Dagenlang waren de voerlieden
in de weer om het bos leeg te rijden, was het zover dan werd op de laatste rit
een feestje gebouwd. Zo stopten zij eens, komend uit Hoenderlo, bij de weduwe
Van Ee in "de Waldhoorn" te Otterlo. Er was al een stevig borreltje
gedronken, toen hun oog viel op een rij worsten die boven de schouw hingen. In
een ogenblik hadden de vier hun zwepen gehaald en ontstond een wedstrijd wie het
eerst met dit apparaat een worst van de zoldering kon slaan.
Het werd een geknal
met de zwepen van jewelste, de mannen raakten door het dolle heen, maar de eigenaresse
liet hen rustig begaan in de wetenschap dat straks alle afgeslagen en beschadigde
worsten heus wel betaald werden. Verder leverden de bossen ook takkenbossen die
op bepaalde tijden bij de bakkers met grote vrachten werden afgeleverd. Dan nog
heideplaggen die toen nog vrij gehaald mochten worden en dienst deden in varkenshokken.
Aan
de Boslaan woonde Bos, specialist in het steken van plaggen,heel dun, zodat de
heide spoedig weer doorgroeide en toch zo dat zij niet braken. Deze plaggen zette
hij dan op hopen en die werden later door Sander Waayenberg naar de verschillende
afnemers gereden.
In het voorjaar werd vaak de tweede Paasdag benut om mest
te rijden, zodat Sander wel eens verzuchtte: "Een mens heeft nooit geen rust".
Overigens
kon hij al dat werk lang niet meer alleen aan; het aantal paarden en wagens werd
uitgebreid en knechts aangenomen. Meestal stonden er drie tot zes paarden in de
stallen mede door dat Sander er in handelde. Hij liep alle paardenmarkten af,
tot Utrecht toe en bleek een gewiekst en deskundig kenner .Slager Piet Blokker,
die voor het wegbrengen van grote partijenmvlees, ook een wagen bezat, kocht
eens, voor een koopje, een pracht paard, later voor de kar gespannen vertikte
het dier om ook maar een stap te verzetten. Collega Van Hunnik lachte hem uit
en zei: "Laat mij het eens proberen". Met een zweep spoorde Van Hunnik
het paard aan, dat wild begon te steigeren en om zich heen sloeg met als resultaat
dat het lemoen en het voorste stuk van de kar aan diggels werd getrapt, hetgeen
Blokker op veertig gulden reparatiekosten kwam te staan. Men probeerde voor een
zacht prijsje het dier aan Sander
over te doen, maar deze trapte er niet in.
Hij zag direct dat zo'n paard gewend was bereden te worden,maar als trekkracht
geen cent waard was.
Was Sander altijd in de weer, ook moeder Grietje
had het nodige te doen; het echtpaar kreeg zes kinderen waarvan alleen de verzorging
de nodige tijd in beslag nam. Daarbij bakte zij tweemaal per week een aantal roggebroden
als krachtvoer voor de paarden want die werden niet verwaarloosd. Bovendien
de verzorging van het kleinvee waaronder het melken van twee geiten.
Gelukkig
was Grietje altijd goed gezond, maar eens, wat een ieder kan overkomen, een paar
dagen zo grieperig, dat zij in bed bleef. De oudste kinderen verzorgden zo goed
en kwaad als het ging de huishouding, voerden kippen en konijnen, maar de geiten
melken moest Sander doen.
De eerste avond echter, toen hij gewapend met een
emmer, op de dieren afging, wilden die niets van hem weten. Zij werden wild, trapten
links en rechts, zodat de oudste riep: "Vader, trek het jak van moeder aan
zet ook haar muts op".
Sander keek wat raar, volgde echter de raad op
en kwam even later, uitgedost met de kleren van zijn vrouw, op de geiten af. En
jawel, toen de dieren de vertrouwde kledingstukken zagen was het goed en lieten
zij zich rustig melken.

Sander
Waayenberg werkte van de vroege morgen tot de late avond, maar ouder geworden
wilde hij, als hij eenmaal zat, graag met rust worden gelaten. Op een najaarsavond
genoot hij van een borreltje in "de Bospoort". Er stak een storm op,
zo hevig dat een gedeelte van de voorgevel uit zijn huis viel. In allerijl werd
zijn kleinzoon, eveneens een Sander er op uitgestuurd om hem te waarschuwen. Opa
reageerde heel nuchter, eerst kreeg de jongen een standje dat hij op zo'n jeugdige
leeftijd al in een café kwam en toen deze aandrong: "Maak dat je weg
komt, in het donker kunnen wij toch niets beginnen, dat zien we morgen wel",
waarop hij rustig een nieuw borreltje bestelde.

De
komst van de vrachtauto's brachten de klad in het slepersbedrijf ook bij Waayenberg.
De oudste zoon, Hendrik had in 1923 zo'n voertuig aangeschaft waarmee hij een
bodedienst op Arnhem begon en verhuizingen deed. Sander had het niet erg op
deze nieuwigheid en is tot zijn dood paard en wagen trouw gebleven. Dit was, zij
het kort, een en ander over Sander Waayenberg, een eenvoudige voerman, maar destijds
bij alle dorpelingen bekend.
H.
J. Nijenhuis

