Zo
rond de eeuwwisseling kwam de auto in opkomst, toen nog plechtig "automobiel"
genoemd en omschreven als een voertuig op meer dan twee wielen, aangedreven
door een verbrandingsmotor. Het veroorzaakte een hele ommekeer bij het vervoerswezen.
Verschillende stalhouderijen, in Ede o.a. Van Laar, gingen met hun tijd mee en
schaften zich zo'n modern vervoermiddel aan, al waren daardoor de koetsjes
nog niet direct van de baan. Ook vestigde zich, omstreeks deze tijd een garagehouder
van buiten in Ede, de heer Kleinsma. Deze begon in het koetshuis van een villa
aan de Stationsweg, maar later verhuisde de zaak naar een pand aan de Grotestraat,
vrijwel tegenover de oude kerk onder de naam "Edese motorenhandel",
Vele Edenaren zullen zich dit bedrijf, al jaren voor de tweede wereldoorlog overgenomen
door de heer Robben nog goed herinneren.
Hier hebben heel wat Edese monteurs
hun eerste opleiding voor het autovak ontvangen. Zo ook de man waar wij ditmaal
wat over vertellen, Jan Herikhuisen, om nu eens niet al te ver in het verleden
te duiken.
Jan had zijn voorliefde om auto's om te gaan niet van een vreemde
,ook zijn vader A.Herikhuisen kon al met een dergelijk voertuig overweg,hoewel
zijn technische kennis gering was.
Hij werkte in het begin van de eeuw bij
baron Bentinck die de villa Kieck Uyt bewoonde.
Dit fraaie pand is al lang
gesloopt,nu staat er een flatgebouw.
Herikhuisen was eigenlijk tuinman van
beroep en als zodanig aangenomen. De baron schikte toen al over een auto,merk
de Dion Bouton ,maar kon er zelf slecht mee overweg .Daarentegen had Herikhuizen
er feeling voor en al gauw werd hij tot particulier chauffeur benoemd. Dat daar
een rijbewijs voor nodig was interesseerde hem niet en de baron nog minder. Als
deze laatste maar op de plaats van bestemming kwam.
Zelf maakt Herikhuisen
met de baron een vakantietocht naar de Harz: bij de snelheid van die tijd een
reis die dagen duurde. Omstreeks 1918 verhuisde de baron naar Arnhem en verzocht
zijn tuinman,chauffeur mee te gaan . Deze dacht er niet aan zijn oude trouwe omgeving,hij
woonde aan het Bettekamperpad ,precies tegenover halte Ede-gemeentehuis,te verlaten.
Hij
aanvaarde een betrekking bij de heer van Eeghen,die juist zijn nieuw gebouwde
villa ,de Hoge Paasberg had betrokken. Daar werd hij huismeester ,of zoals zijn
baas hem deftig noemde :buthler.
|
Andries
Herikhuisen achter het stuur in de auto van graaf Bentinck |
Nadat
zoon Jan Herikhuisen de ambachtschool te Arnhem had gevolgd,elke dag met het lokale
treintje dat vlak voor het huis stopte ,ging hij werken bij garage Robben.
Aanvankelijk
als hulpje voor alles,verdiende hij daar meteen goed:tien gulden per week en dat
was geen kleinigheid. Later bleek dat zijn vader elke week een tientje aan de
garagehouder terug betaalde op voorwaarde dat zoonlief ook werkelijk het vak zou
leren en niet alleen maar benzine verkopen. Robben kreeg daardoor een goedkope
knecht, maar hield zich wel degelijk aan de gemaakte afspraak na een half jaar
reeds kon Jan met ale soorten auto's omgaan als de beste en werd er vaak voor
een rit op uit gestuurd.
Zo reed hij geregeld een T-Ford ,de bekende bakker
Neuman ,tevens beschuitfabrikant ,die op bepaalde tijden zijn afnemers ging bezoeken,zij
het zonder rijbewijs. Ook met de ziekenwagen van de militaire geneeskundige dienst
,moest Jan of de andere chauffeur uit de garage vaak op pad.
De dienst beschikte
wel over een klein hospitaal en ziekenauto,maar niet over mensen die met de wagen
om konden gaan. Moest een ernstige patiënt naar een ziekenhuis in Arnhem
of Utrecht vervoerd worden ,dan werd Robben gewaarschuwd. De baas zelf wilde voor
geen met dit oude vehikel rijden ,maar gaf een van de knechts er de opdracht voor.
Die
ziekenauto was een Fiat die eerst aangeslingerd moest worden,hetgeen na korte
of langere tijd meestal wel lukte.
De versnellingshandle bevond zich buiten
de carrosserie en werd bediend door met de hand een zeiltje op te beuren dat de
opening van het portier afsloot.
Richtingaanwijzers ontbraken en als claxon
fungeerden een soort hoorn met grote zwarte rubber bal ,waar je krachtig in moest
knijpen. Voor de verlichting waren twee koperen carbidlampen aangebracht met
een rode petroleumlantaarn als achterlicht.
Die lampen gaven in de winterdag
de nodige problemen,daar het waterreservoir kon bevriezen.
Dat overkwam Jan
eens ,toen hij onder leiding van een sergeant vijf zieken,waarvan twee ernstig
,naar het hospitaal in Utrecht moet brengen.
Het was winterdag en al in
de avond toen zij vertrokken:bovendien vroor het behoorlijk terwijl sneeuwbuien
het uitzicht bijkans onmogelijk maakten. Juist boven op de berg bij de piramide
van Austerlitz .begaven de lampen het. Doorgaan in dit weer zonder licht was
,ook met de matige snelheid van die tijd ,onverantwoordelijk.
Dus zat er niets
anders op dan bij het nabij gelegen hotel een ketel warm water te vragen om de
waterreservoirs mee te ontdooien. Daar verstreek de nodige tijd mee zodat zij
in het holst van de nacht in Utrecht aankwamen.
Nadat de patiënten waren
afgeleverd besliste de sergeant dat zijn in een kazerne zouden gaan slapen:het
was geen weer om nog naar huis te rijden,zodat Jan de nacht in een krib door bracht.
Zulke
dingen konden in die tijd gebeuren ,maar men kende toen nog niet de haast van
nu.
In 1930,achttien jaar oud nam Jan ontslag met het doel een taxibedrijf
te beginnen. Nu werd het evenwel zaak over een rijbewijs te beschikken .Het
herhalen van dit document was in die dagen nog vrij simpel en kostte geen handen
vol geld. Jan verzocht op het gemeentehuis een uitreksel van het geboorteregister
,leende voor een paar uur een Chevrolet en reed naar Rhenen waar de examinator
woonde.
Deze man,een rijkgeworden steenfabrikant,deed dit baantje er meer voor
zijn genoegen bij. Nadat hij bij het statige herenhuis had aangebeld,werd geïnformeerd
waarvoor hij kwam. Ik zou graag een rijbewijs willen hebben ,aldus Jan,een beetje
timide. Nou dan loop ik even met je mee naar de weg om te zien of je rijden kunt
was het antwoord.
Daar gekomen startte Jan ,reed een paar honderd meter en
kwam achteruit rijdend weer terug . De examinator ,die rustig bij het tuinhek
was blijven staan concludeerde ,nadat Jan stilstond : het is in orde ,je krijgt
je rijbewijs.
Dat ging vlot,maar nu nog een auto. Jan had zuinig
geleefd en vierhonderd gulden gespaard. Laat nu juist voor dat bedrag een tweedehands
Chevrolet te koop staan. Op een zaterdagmorgen reed hij per stoomtrein naar de
hoofdstad:na wat keuren en onderhandelen werd de koop gesloten. Zijn laatste gulden
besteedde Jan om 20 liter benzine te kopen en reed savonds over totaal onbekende
wegen triomfantelijk met zijn eigen auto naar huis.
Het was inmiddels laat
geworden ,Amsterdam -Ede was een hele afstand ,zodat bij thuiskomst de hele familie
al op bed lag. Dus zette Jan de auto voor de ouderlijke woning en kroop onder
de wol.
De auto bracht de volgende ochtend de nodige sensatie:over
het Bettekamperpad kwamen vrij veel kerkgangers die hun mening niet onder stoelen
of banken staken. Zij vonden het maar ergerlijk op zondag zo'n uitvinding van
de duivel vlak voor het huis en liepen er met een boog omheen.
Vader Herikhuisen
zat dat ook niet lekker, Jan moest op een garage uit. Na enige omzwervingen
vond hij voor de auto onderdak in het koetshuis van hotel "Buitenzorg".
Het
eerste Edese taxibedrijf was een feit: per advertentie werd de gemeenschap er
van in kennis gesteld. Voor zes cent per kilometer konden de mensen van zijn diensten
gebruik maken. Een rit met chauffeur naar Arnhem kostte drie gulden, dito naar
Amsterdam een tientje.
Die garage bij "Buitenzorg"
was een goede vondst; mocht één der vele gasten een taxi nodig hebben,
dan was Jan via de achtertuin direkt bereikbaar. De zaak verliep naar wens, al
gauw kon de oude Chevrolet ingeruild worden voor een nieuwe Morris, hetgeen
de comfort aanmerkelijk verhoogde.
In het najaar, als verschillende jachtpartijen
werden georganiseerd, had Jan het bijzonder druk.
Vaak was hij dan hele dagen
in dienst van de jagers,in de middagpauze reed hij dan vanaf hotel "Buitenzorg"
met een grote pan erwtensoep en het nodige bestek naar de rustplaats in het bos
waar de jagers al ongeduldig op de snert zaten te wachten. 's Avonds werd er in
het hotel nog wat nagekaart, waarna verschillende mensen naar huis werden gereden
.Een van de jagers woonde in Bloemendaal en Jan moest hem altijd daar heen brengen.
Hoewel goed in de slappe was, knibbelde deze klant altijd aan de, prijs die
eigenlijk twaalf en halve gulden moest bedragen, maar hij vond elf gulden genoeg.
Nog
sterker maakte die klant het eens vlak voor Kerstmis, het was een succesvolle
jacht geweest, in de achterbak lagen tientallen hazen en konijnen. Onderweg merkte
Jan zo terloops op dat hem met de feestdagen ook wel een boutje zou smaken.
Bij
aankomst in Bloemendaal kreeg hij prompt twee konijntjes, maar wel trok de jager
daarvoor tachtig cent van de ritprijs af. Ja, een taxichauffeur treft allerlei
soort mensen aan: royale en met de knip op de portemonnee, opgewekte en sombere
klanten, Jan heeft in zijn werk heel wat mensenkennis opgedaan. In 1939 trouwde
hij en verhuisde naar de Paasbergerweg. Juist dit laatste jaar voor de wereldoorlog
kocht hij bij garage v. Laar een nieuwe Ford sedan voor f 11,00 maar zou er niet
lang mee rijden.
In 1940 moesten alle auto's worden ingeleverd, maar Jan was
wel wijzer. Hij verborg de wagen, met haar toestemming, bij mevr. v. Voorthuizen
aan de Molenstraat. Goed weggestopt onder het hooi is de auto daar in goede staat
de oorlog doorgekomen en na de bevrijding direkt startklaar. De eerste tijd
was het rijden voor de voedselvoorziening en doktoren bij verre visite's later,
toen een en ander weer in goede banen was geleid, ging het taxibedrijf op de oude
voet verder.
In 1945 verhuisde Jan Herikhuisen naar de
Klinkenbergerweg terwijl hij in 1970 om gezondheidsredenen met zijn zaak stopte,
die hoewel van bescheiden omvang gebleven, hem een goed en afwisselend bestaan
heeft gebracht
 |
| De
Edese motorenhandel: in de deuropening staat W.Prette ,aan de benzinepomp H.Schimmel,op
de motor zit G.Heij |
H.
J. Nijenhuis

