Van spoorwegkeet naar modern station

Nu de officiële opening van het station een feit wordt, is het wel aardig, zij het in vogelvlucht, na te gaan hoe het eens is begonnen. In 1840 werd, na enige jaren voorbereiding, door de Ned, Rhijnspoorwegmij. een aanvang. gemaakt met de aanleg van een spoorlijn Amsterdam-Arnhem, gezien de gebrekkige hulpmiddelen van die tijd, een gigantisch karwei. Eind 1841 was men met het leggen van de aarde baan tot de grens van onze gemeente gevorderd.
De benodigde grond was inmiddels gekocht van de buurten Manen en Ede-Veldhuizen, die daardoor de kas aardig spekten, wat mooi meegenomen was.
Maar op de komst van een legertje grondwerkers, gemakshalve polderjongens genoemd, was men minder gesteld, Deze mannen, waarvan sommigen vrouwen kinderen op de lange arbeidstocht hadden meegenomen, werden ondergebracht in keten en schuren, die verplaatst werden naarmate het werk vorderde. De gezinnen evenwel zochten veelal een tijdelijke
verblijfplaats in aangrenzende dorpen.
Er bevonden zich ruwe klanten onder deze polderjongens, waarvan de roep reeds was voorafgegaan. Om wanordelijkheden te voorkomen zond de Gouverneur van Gelderland een détachement cavalerie naar Ede, wat burgemeester H. T. Prins aanvankelijk maar matig waardeerde. Bij gebrek aan een kazerne, had hij maar te zorgen voor voeding en onderdak van deze soldaten. Inkwartiering was de enige oplossing, waarin hij, na tal van moeilijkheden, de medewerking van de bevolking bleek ver beneden peil, tenslotte slaagde.


Toch was deze maatregel van hogerhand niet overbodig; op Nieuwjaarsdag 1842 zetten een twintig polderjongens Bennekom op stelten, al werden zij, later op de avond door een aantal potige dorpelingen op hardhandige manier verdreven.
Eind februari 1842 brak een wilde staking uit die echter, door het ingrijpen van de militairen, slechts tot twee dagen beperkt bleef. Diefstallen behoorden tot de orde van de dag, zodat burgemeester Prins opgelucht ademhaalde toen de werkzaamheden half juli 1842 tot de grens van de gemeente Renkum gevorderd waren. Hij was van een hoop verantwoording ontslagen en zag, tot zijn genoegen, ook de militairen vertrekken.
Het zou nog tot14 mei 1845 duren voor de lijn geheel gereed was. Twee dagen later begon de vastgestelde
dienstregeling met drie treinen per dag,in beide richtingen. Voor het gehele traject waren slechts drie stations gebouwd, te Amsterdam, Utrecht en Arnhem; alle verder aanliggende plaatsen, waaronder ook ons dorp, werden slechts als "haltes" beschouwd.
In Ede promoveerde de vrij gekomen aannemerswerkplaats tot station, al gauw bekend als "de Keet". Het voorste deel van het houten gebouw deed dienst a!s woongelegenheid voor de opzichter en zijn gezin, daarachter bevond zich een ruimte om kaartjes te kopen en de komst van de trein af te wachten.

Om die tijd te bekorten, waren hier alle mogelijke drankjes te koop, zodat men zich eerder in een café dan
in een wachtkamer waande. in troosteloze eenzaamheid stond daar "de Keet"; zuidwaarts keek men,
over de zandvlakte "Schraaljammer", op de Hoekelomse bossen, in tegenovergestelde richting uitgestrekte heidevelden, terwijl Westwaarts flauw de contouren van boerderijen in Manen zichtbaar waren. Een, bij zomerdag stoffige en in wintertijd modderige zandweg voerde vanaf het dorp naar de
halteplaats. Pas in 1886 werd deze "grintweg" verhard en verrezen er geleidelijk villa's, die de straat, nu omgedoopt tot Stationsweg, een bepaald allure gaven.


De naam "de Keet" heeft zich lang weten te handhaven, na 1878 evenwel ten onrechte. Genoemd jaar kreeg Ede een echt station, laagbouw met een z.g. "eilandperron" dat, zij het met verschillende restauraties, ruim honderd jaar heeft dienst gedaan. Na 1896, toen de NRS overging in handen van de Staat, bekend als station Ede s.s. Het spoorwegverkeer in Ede onderging verdere uitbreiding; 1 februari 1882 werd de stoomtramlijn Ede-Wageningen in gebruik genomen en twintig jaar later, 1 mei 1902 kwam de verbinding Ede-Nijkerk tot stand.


Mede door de komst van het garnizoen en wat later: de AKU fabrieken kwamen er in het Maanderpark, tegenwoordig Ede-Zuid, enorme uitbreidingen tot stand. Het station lag"niet langer geïsoleerd, maar het bescheiden plein afgezet met geel geschilderde hekken, samen met het nabij gelegen hotel "Welgelegen", later "de Witte Hinde'werd een begrip.
Het treinverkeer onderging in de loop Der jaren de nodige veranderingen; 14 maart 1937. werd de tramdienst Ede- Wageningen, althans voor reizigers, opgeheven en de verbinding met bussen onderhouden. Om Wageningen niet uit het spoorwegboekje te laten verdwijnen werd het station voortaan als Ede-Wageningen betiteld. In 1938 werd het baanvak Amsterdam-Arnhem geëlectriseerd en verdwenen de stoomlocomotieven.
Wat wel bleef was de spoorwegovergang, een steeds groter wordend obstakel; werknemers van de AKU, bezoekers van het zwembad, de Reehorst en de daar gelegen sportaccommodaties, zij hebben wat gemopperd als, juist voor hun neus, de spoorbomen zakten.
Deze bomen werden bediend vanuit het nu verdwenen seinhuis, waar ook een ruimte voor de PTT was ondergebracht.
Volgens veiligheidsvoorschriften gebeurde het laten zakken al vroegtijdig; wel werd de wachttijd in 1972, door hei aanbrengen van "Ahob's" aanmerkelijk verkort, maar slechts een tunnel zou voor een afdoende aflossing zorgen. Nu is deze, vroeger zo vertrouwde omgeving totaal veranderd en of men het mooi vind of niet, 'we zullen er aan moeten wennen.



H. J. Nijenhuis