In
mijn kinderjaren heb ik mij wel afgevraagd waarom het station Ede van de Staats
Spoorwegen, destijds de officiële naam, zo ver van het dorp was gelegen.
Zeker men was lopen wel gewend, maar het bleef een hele tippel. Niet dat wij die dikwijls
maakten, de omgeving van het station en aangrenzende Maanderpark was voor ons
kinderen onbekend terrein. Wel herinner ik mij nog hoe op een van die weinige
tochten daar heen, mijn vader overigens geheel onbewust, meester Stroband eens
te pakken had.
Op Hemelvaartsdag 1921 werden er, ter gelegenheid van het 25jarig
bestaan van de gymnastiekver"Sparta" sportdemonstraties gegeven op een
terrein achter villa "De Reehorst". Vader had beloofd dat mijn zusje
en ik met hem mee mochten.
Hij bezat een fiets van hetmerk Brenebor, zonder
bagagehekje maar wel met een, aan de linkerzijde van het achterwiel bevestigde
ongeveer 6 cm lange pen, benodigd voor het opstappen. Wie kan zich dat nog voorstellen,
de linkervoet werd op die step geplaatst,met de andere een keer of wat stevig
afzetten ,tot de fiets voldoende snelheid kreeg om met een vlotte sprong op
het zadel te komen. Het was hem onmogelijk ons beiden tegelijk mee te nemen, dus
als oudste eerst mijn persoontje. Dat vervoer gebeurde ook al met behulp van dit
onmisbare stepje; mijn linkervoet erop, dan de knie van het andere been op het
achterspatbord, mijn handen stevig om zijn schouders en zo reed je mee.
Halverwege
de Stationsweg zagen wij meester Stroband met zijn Vrouw en kinderen lopen. Daar
Wij hen goed kenden, ik was bij hem op school en bevriend met zijn zoontje Thijs,
zei vader zodra hij hen zag.
Die gaan er ook heen, spring er af en loop met
ze mee, dan ga ik terug je zusje halen, dat spaart tijd. Zo gedaan; terwijl hij
snel omkeerde en wegspurtte, sloot ik mij bij de familie aan. Enthousiast voorspelde
ik Thijs dat het wel een fijne dag zou worden op Reehorst. Hij keek mij wat
verwonderd aan, tot zijn vader mij uit de droom hielp. Wij gaan niet naar
de sport maar met de tram naar Wageningen om het Zendingsfeest bij te wonen.
Ja,
daar zat enig verschil in, ik keek teleurgesteld, maar bezorgd als meester Stroband
nu eenmaal was, wilde hij mij in deze vreemde omgeving niet alleen laten, maar
liep mee naar Reehorst. Het gevolg was echter dat zij de tram naar Wageningen
misten, bijkans een uur op de volgende moesten wachten en daardoor ver na de opening
op het feest aankwamen. Later heb ik er altijd met een gevoel van schaamte aan
terug gedacht. Dat juist meester Stroband, een man met een pracht karakter,
die in zijn leven zo sterk met "de zending" meeleefde, door ons toedoen
dit moest overkomen.
De Stationsweg, zij het aanmerkelijk breder en
fraaier dan de vroegere Grindweg met tol is nog precies even lang, maar thans,
met alle mogelijke vervoersmiddelen is het geen probleem meer station Ede-Wageningen
te bereiken. Maar destijds betekende het voor reizigers, vooral als zij één
of meer koffers moesten sjouwen, een hele opgaaf. Slechts een enkeling die rijtuig
met koetsier kon betalen of over eigen vervoer beschikte. Geen wonder dat men
al in het begin van deze eeuw naar een oplossing zocht die minder inspanning
vereiste. In verschillende plaatsen van ons land had men die gevonden door paardentrams
in gebruik te nemen. Het heeft maar weinig gescheeld of ook Ede had over een dergelijk
vervoermiddel kunnen beschikken.
Van 1905 tot 1908 heeft de gemeenteraad zich
herhaaldelijk met deze kwestie bezig gehouden. Niet dat de gemeente zelf het initiatief
daarvoor wilde nemen, maar er waren welondernemende mensen van buiten die in een
vervoerslijn Ede dorp station brood zagen. In de gemeenteraadsvergadering van
31 mei 1905 kwamen twee concessie aanvragen voor exploitatie van een paardentram
in behandeling. De eerste van de heer Mijnard uit Gouda, de andere van de heren
S. Winkel en J. Poel uit Rotterdam Blijkbaar had men niet veel vertrouwen in
de man uit de kaarsenstad, althans dit schrijven werd achteloos terzijde geschoven.
Wel werd besloten, op 2 juli d.a. v. een voorlopige vergunning te verlenen aan
de Rotterdammers. Er werd een commissie benoemd, die de nodige voorwaarden en
bepalingen zou vaststellen. Deze, bestaande uit de heren Dinger, Jochemsen en
ToeWater, ging vol ijver aan het werk.
Niet minder dan 17 voorschriften werden
behandeld; over zestien waarvan was men het spoedig eens.
Uitgerekend bij het
laatste punt, al of niet rijden op zondag, kwamen de moeilijkheden.
De drie
heren namen ieder een verschillend standpunt in, waar geen hunner een duimbreed
van wilde afwijken. De één was ervoor, de ander vierkant tegen,
terwijl de derde de gulden middenweg koos door op die dag 'n beperkte dienstregeling
te rijden. Zonder eenstemmig advies ging de zaak terug naar Raad, waar op 20 december
1905 met negen tegen vijf stemmen werd besloten het rijden op zondag te verbieden.
Intussen had in oktober 1905, onder grote belangstelling de intocht plaatsgevonden
van de nieuwe burgemeester, Jhr. mr. D. J. A. A. v. Lawick v. Pabst, zodat onder
diens leiding dit besluit werd genomen.

Een
aantal inwoners, vooral zakenmensen waren het met deze beslissing niet eens; zij
zonden een protestbrief naar de Raad met het verzoek dit besluit te herroepen.
Deze
brief zou op 6 april 1906 behandeld worden, maar voor het zover was, trokken de
heren Winkel en Poel zich terug. Er was nu bijna een jaar verstreken, zonder dat
er schot in de zaak kwam, dat was niet hun manier van zaken doen, dus lieten
zij het afweten. Twee jaar later kwam evenwel een nieuwe gegadigde op de proppen:
de heer G. W. M. Jansen, een wijnhandelaar uit Arnhem: De procedure herhaalde
zich: de commissie waarin inmiddels de heer Toe Water was vervangen door baron
Bentinck van Schoonheeten, ging opnieuw aan de slag, ditmaal nog serieuzer. Bepalingen
waar men de eerste maal niet zo zwaar aan had gebeurd, werden nu van alle kanten
bekeken. Er moest een vast tracé vanaf het station tot aan de Boslaan het
eindpunt,worden uitgezet. Dat betekende een versmalling van de weg ,waardoor de
veiligheid van het overige verkeer ,voetgangers,paard en wagen alsmede de opkomende
fiets in het gedrang kwam.
Een commissie stelde voor om de trambaan midden
op de weg aan te leggen,dan kon ieder ,naar believen, deze rechts of links passeren.
Er
werd zwaar over gedebatteerd, maar men had zich al die moeite kunnen besparen
en beter met het laatste punt kunnen beginnen.
Immers ten aanzien van de zondagsrust
waren de standpunten vrijwel niet veranderd. Zelfs waren in de gemeenteraadsvergadering
waar de aanvraag van de heer Jansen werd behandeld, nu alle leden komen opdagen,
waardoor met nog groter meerderheid, twaalf tegen vijf stemmen, het rijden op
zondag niet werd toegestaan. Er kwam nog een compromis voorstel ter tafel om die
dag alleen tijdens kerkdiensten het rijden te verbieden, waarmede wel de heer
Jansen maar niet de gemeenteraad accoord ging, waarna ook de Arnhemmer van verdere
plannen afzag.
Toch,
jaren later heeft er in Ede,tijdens de tweede wereldoorlog, zij het voor korte
tijd, een soort paardentram gereden. Eind november 1940, de benzine was al schaars,
besloten de heren W. Prette, garagehouder aan de Telefoonweg en Wildeboer, die
later zo'n belangrijke rol in het Edese verzet zou spelen,een busdienst tussen
dorp en station op poten te zetten, zij het met 1 PK trekkracht. Het begin was
al niet fortuinlijk: zij kochten een paard dat, na later bleek, altijd als rijdier
was gebruikt en het vertikte om ook maar het lichtste karretje te trekken. Het
ging dus weer van de hand,
nu namen zij een bus zonder motor maar met paard,
over van een stalhouderij die al een soortgelijke verbinding onderhield tussen
Zeist en Utrecht. Dat lukte beter, er werden folders met dienstregeling huis aan
huis bezorgd, terwijl Wildeboer als
wachtmeester van de veld en dus met paarden
kon omgaan, als koetsier zou optreden. |
 |
Tegen
vergoeding van drie stuiver kon men zich voortaan naar het station laten rijden..
Het werd geen succes; het tijdstip bleek slecht gekozen; begin winter waardoor
men in de onverwarmde bus met veelal bevroren ruiten, verrekte van de kou. Alleen
mensen met veel bagage maakten er gebruik van; het merendeel ging, net als vroeger
gewoon lopen, daar bleef men warm bij.
Bovendien klopte de dienstregeling
zelden, aan het station gekomen bleef Wildeboer wachten op de aankomst van een
paar treinen teneinde ook de terugweg rendabel te maken. Maar aangezien ook die
in oorlogstijd vrij onregelmatig liepen, kwam ook het vertrekschema aan de
Bospoortstraat in de war. Er waren dagen genoeg dat het paard aan voerkosten
meer opmaakte dan er binnenkwam. Begin maart 1941 nadat al een aanzienlijk verlies
was geleden, werd de dienst dan ook opgeheven. Het paard ging in andere handen
over en voor de bus vond men een gegadigde helemaal op het eiland Texel. Zo
kwam, ondanks dat er ditmaal geen sprake was van een rijverbod op zondag, een
einde aan de enigste paardentram die Ede ooit heeft bezeten.

H.
J. Nijenhuis

