Tot
aan de Tweede Wereldoorlog was het paard, vooral als trekkracht, ook in onze straten
een vertrouwd
beeld. Men kende voerlieden, ook wel slepers genoemd, die voor
het zware transport zorgden en de stalhouderijen.
Deze laatsten beschikten
over paarden en rijtuigen, die men kon bestellen zoals tegenwoordig een taxi.
Een dagje uitrijden gaan met de hele familie, was toen een belevenis. De toenmalige
koetsier bezat een voordeel vergeleken bij de huidige taxichauffeur, werd er
ergens opgestoken, dan kon hij rustig een borreltje mee drinken.
Weddenschap
Bakkers en andere neringdoenden brachten hun waren in duwkarren bij hun
klanten, maar reeds in 1916 beschikte de vooruitstrevende bakker A. van Ingen
over hit en wagen. Hij was daar danig trots op en beweerde dat zijn viervoeter
sneller kon zijn dan een fitser. Om dat te bewijzen, sloot hij een weddenschap
met de stafmuzikant S. van het 1e Reg. Infanterie, die over een dienst rijwiel
beschikte.
Op een juni-avond in 1916 vond de wedstrijd plaats op de Bennekomseweg
over een afstand van één kilometer. Onder enorme toejuichingen van
het talrijke publiek, wist onze bakker in zijn wagentje lange tijd aan de leiding
te blijven, tot de wielrijder met een machtige eindspurt toch met een paar
meter voorsprong won.
Naast de vele paardenbezitters kon Ede ook bogen
op de Veld-artillerie. Het bleef altijd een imposant gezicht de stukken geschut
in volle galop over de heide te zien rijden. Heel toepasselijk was het gedichtje,
dat nu al lang in het vergeetboek is geraakt:
"Wat blinkt daar in
't verschiet, wat dondert tussen
beide dat men door het stof
niet ziet?"
"Hoe flikkeren de.
zwaarden; wat forse melodie,
hoe rennen dan de
paarden,
" 't Is de veld-artillerie.
Op hol
Ook
buiten dienstverband konden de Edenaren volop van paardensport genieten door wedstrijden
en demonstraties, gegeven door de EOOJV en opgeluisterd door de OMVA, het unieke
militaire muziekkorps te paard.
Een soms angstaanjagende sensatie ontstond
als een paard op hol sloeg en het dier door niets en niemand
te stuiten bleek.
In razende vaart, al of niet met een wagen achter zich, bolde het paard dan blindelings
voort tot een onverwacht obstakel of simpelweg vermoeidheid daar een einde aan
maakte.
De oorzaak kon verschillend zijn: soms onoplettendheid van de voerman,
paard en man dienen elkaar goed te kennen. Instinctief voelt het dier onoplettendheid
van zijn baas aan.
Ook plotseling schrik kan de dieren in beweging brengen,
zoals op woensdagmiddag 9 juni i933, toen boven op de Paasberg een militair
voertuig, bespannen met twee paarden, er van door ging. In een moordend tempo
ging het de Arnhemse Straatweg af, de zware kastanjeboom even voorbij het postkantoor
werd op een haar na gemist.
Voetgangers en fietsers zochten een veilig heenkomen
en zo ging het de Nieuwe Stationsstraat in. Het einde kwam na de spoorwegovergang:
het linkse paard wilde de Waterlooweg op, het andere zwenkte richting Telefoonweg.
Deze
besluiteloosheid gaf de twee militairen, die ondanks alles op hun post waren gebleven'
gelegenheid weer greep op het span te krijgen.
Dergelijke taferelen zullen
we in ons dorp niet meer meemaken, maar gelukkig zijn er nog tal van rijverenigingen
en particulieren, die het paard in ere houden.
H. J. Nijenhuis

