|
"Halte
Ede-gemeentehuis". Wie kan zich nog herinneren, dat die woorden met een forse
stem uit de mond van de conducteur klonken als het oude lokaaltreintje Ede-Nijkerk,
"achter de Posthoorn" knarsend tot stilstand kwam. Er zijn sindsdien
de nodige jaren verstreken en daarom wel aardig wat geschiedenis op te halen over
genoemde verbinding, waarbij wij, voor een deel, putten uit de gegevens van de
heer Das, gemeentearchivaris. |
Op 4 augustus 1883 richtte mr.
baron Goldstein, uit Putten zich tot de gemeenteraad van Ede met het verzoek om
medewerking te verlenen voor de aanleg van een stoomtramverbinding tussen Ede
en Nijkerk. Deze lijn zou dan in Ede moeten aansluiten op de bestaande Rhijnspoorweg
Amsterdam-Arnhem. Zoals dat gaat benoemde raad een commissie die de zaak zou onderzoeken.
Blijkbaar waren de commissieleden geen vooruitstrevende mensen, althans zij gaven een
negatief advies, waarop in de raadsvergadering van 1 februari 1884 werd besloten,
niet op het chrijven in te gaan.
In 1888 opnieuw plannen; ene mr. A. J.
Krieger uit Amersfoort, had een concessie gekregen voor de aanleg van een spoorlijn
tussen Ede Nijkerk een particulier kon toen zoiets nog voor elkaar boksen. De
exploitatie zou in handen komen van de N.R.S. (Ned. Rhijnspoorweg nij). Deze
maatschappij werd echter in 1890 door het Rijk overgenomen waardoor ook de plannen
van de heer Krieger in rook opgingen.
In 1896 werd opgenomen de spoorwegmij
"De Veluwe", die een derde poging deed. De gemeente Ede werd, als belanghebbende,
gevraagd voor f 22.000 aan aandelen Te nemen. De vroede vaderen namen nu een
ander standpunt in; tijdens de raadsvergadering van 9oktober 1896 werd besloten
hiermede accoord te gaan. Het duurde nog even, maar toch werd in 1901 met de aanleg
begonnen en een jaar
later, om precies te zijn, 1 mei 1902, kon men het traject
Ede-Bameveld in gebruik nemen, terwijl men vanaf 1 december 1903 kon doorreizen
naar Nijkerk.
De exploitatie werd aanvankelijk verzorgd door de N.C.S.
(Ned. Centraal spoorwegmij) die evenwel in 1909 ook door de Staatsspoorwegen werd
overgenomen. In 1937 kwam het traject Voorthuizen-Nijkerk te vervallen en werd
de lijn doorgetrokken naar Amersfoort.
Oorspronkelijk lag het in de bedoeling
de lijn vanaf Ede station via de Stationsweg, door het dorp naar Lunteren te laten
lopen .De meenteraadsleden vonden dat teecht veel te gevaarlijk en besloten het
tracé meer naar westelijke richting, waar alles nog onbebouwd was, te verleggen.
Ook de plaats voor een station in het dorp gaf moeilijkheden; men had dit
gepland achter de overtuin van "Het Hofvan Gelderland", dus aan de tegenwoordige
Brouwerstraat. De eigenaar van het hotel vroeg voor de grond echter een dermate
hoge prijs, dat men dit plan liet varen. Aan het begin van de Waterloweg ging
het vlotter; daar werd voldoende grond gekocht om los en laadplaatsen aan te leggen
en een behoorlijk station te bouwen, aanvankelijk bekend als Ede-dorp, later Ede-centrum,
terwijl het gebouw nu dienst doet als museum van de ver. "Oud-Ede".
Er
verrees, hoewel niet in de plannen opgenomen een halteplaats en wel achter het
Koetshuis van "de Posthoorn". Er moesten voor aanleg van de lijn heel
wat percelen grond, van diverse eigenaars, worden aangekocht. Zo ook een gedeelte
behorende bij het bekende "Fischershuis" De eigenaar notaris Fischer,
wilde de grond alleen afstaan onder voorwaarde dat de N.C.S. hier een' miniatuurstation
liet bouwen, waarin de Mij, noodgedwongen toestemde. Notaris Fischer heeft met
zijn idee heel wat dorpelingen een dienst bewezen.
Immers in die dagen klopte
hier , door de markt, gemeentehuis en "de Posthoorn", het hart van ons
dorp, vandaar ook de offiële naam: "halte Ede-gemeentehuis". Veel
Edenaren, vooral op donderdag, de marktdag in Barneveld, maakten van deze gelegenheid
gebruik. In het begin deed een machinist nog wel eens of zijn neus bloedde door
rustig verder te stomen, maar dan was notaris Fischer er als de kippen bij om
de heren op hun verplichtingen te wijzen. De maatschappij maakte van de nood
een deugd, door bij deze halte tevends de bediening van de spoorbomen te plaatsenp
Vijf overgangen moesten van hieruit verzorgd worden, niet alleen de Brouwerstraat,
Molenstraat en Amsterdamseweg, maar ook nog
twee stel spoorbomen die tot de
kortste van ons land worden gerekend. Bij de halte zelf bevond zich de smalle
doorgang naar de Bettekamp en een nog kleinere, even verder dorpwaarts, voor het
zogenaamde Molenpad dat het terrein Aan "de Posthoorn" met de Telefoonweg
verbond.
 |
De
kortste spoorbomen van Nederland bij het Molenpad |
Bij
Ede-gemeentehuis hebben jarenlang twee bekende Edenaren gewerkt, W.G.Jansen en
E. Folsche, in afwisselend morgen of middagdienst. Zij verkochten en controleerd.en
kaartjes, hielpen met bagage en waren een vraagbaak voor de reizigers. Daarbij
kwam het bedienen van de spoorbomen van genoemde overwegen, vele malen per dag
want op werkdagen stopte hier vierendertig keer een trein, dus werk genoeg. Er
is heel wat gemopperd als de bomen voor een gesloten overweg wat lang dicht bleven,
maar ga er maar aanstaan om al dit werk, met inachtneming van de nodige veiligheidsvoorschriften,
klaar te spelen.
Zaterdag 14 mei 1938 werd, mede door invoering van
dieseltreinen op het traject, na zesendertig jaar trouwe dienst, de halte Ede-gemeentehuis
opgeheven. De eerste dagen na de sluiting kwamen nog steeds reizigers aanzetten,
maar zij
werden naar Ede-dorp verwezen.
Genoemde spoorwegbeambten bleven
op hun post, maar nu uitsluitend voor de verzorging van de spoorwegbomen.
Reeds
eerder was de halte "Doesburgerbuurt" verdwenen, daar stopte de trein
op verzoek door tijdig een hand op te steken. In die tijd ging alles nog gemoedelijk;
zo kon het gebeuren dat op een juli avond in 1916, de machinist, na het vertrek
uit Lunteren naar Ede, al spoedig vaart moest minderen. Tussen de rails liep een
paard dat zich van het aanstormende monster niets aantrok. .Ondanks herhaaldelijk
gebruik van de stoomfluit, liep het dier, op een sukkeldrafje, onverstoorbaar
door. De machinist bleek genoodzaakt zich bij dit tempo aan te passen. Zo ging
het de hele Doesburgerbuurt door, tot eindelijk, ter hoogte van de boterfabriek,
de spoorwegbeambte Beekman het dier wist te grijpen en van de rails kon halen,
later bleek een officier de eigenaar te zijn, die in de omgeving van de Goorsteeg
tot zandruiter was gedegradeerd, waarna het paard op eigen houtje de kazerne opzocht.
In
1934, toen de rijksweg om Ede een feit was, kwam er voor de lijn nog een moeilijkheid
bij. Nabij Stompekamp doorkruisten de rails deze snelweg, zodat ook hier bewaking
moest komen. Daarvoor werd onder meer aangesteld de heer W.G. Jansen uit Essen
onder Barneveld; oudere Edenaren zullen hem nog wel herinneren, die zijn dienst
op 4 juli 1934 begon. Het was daar erg primitief geregeld, een heel klein wachthuisje
waar amper twee man konden zitten en van waaruit Jansen de treinen in de gaten
hield.
Vanuit de richting Ede-dorp was vrij eenvoudig; hij lette op de spoorbomen
van de Amsterdamseweg; zodra die zakten werd het zijn tijd.
Moeilijker was
de andere zijde dan tuurde hij de Doesburgerbuurt in, wat bij slecht weer moeilijkheden
gaf. Als een trein in aantocht bleek, schoof Jansen eerst planken door de palen
die bij de fietspaden stonden om vervolgens, gewapend met een rode vlag, een
ketting over de weg te spannen. Bij donker werd de overweg door twee man bediend;
de een zwaaide dan met een rode vlag, de ander zorgde voor de afsluiting. Zoals
gezegd, bezette Jansen deze post in 1934, maar verhuisde pas in 1940 naar Ede,
zodat hij zes jaar lang van woonplaats naar werk op en neer ging.
Aanvankelijk
per fiets, maar wat later werd hij de trotse bezitter van een B.S.A.motor. De
vroege dienst begon om zes uur; al die jaren is Jansen, weer of geen weer, helemaal
uit Essen komend, slechts twee maal te laat geweest. De eerste keer wilde zijn
motor niet starten; hij werd duivels, hoe moest het nu met de eerste trein. Ten
einde raad klopte hij de verloskundige Esveld uit zijn bed die over telefoon beschikte.
Deze belde politieagent Hoevelaken, die op Stompekamp woonde en deelde hem
mede, dat Jansen niet op tijd kon komen. "Geen nood", aldus de agent,
"dan zorg ik wel voor die eerste trein", wat hij ook prompt heeft gedaan.
De
tweede maal kreeg de machinist argwaan, hij zag al van afstand dat er geen licht
in het hokje brandde.
"Hij is er nog niet", was zijn. terechte conclusie
en toen tegen de stoker: "Ieder van ons een kant uitkijken en dan maar doorstomen.
Het
ging goed, zodat beide keren geen nadelige gevolgen voor Jansen opleverden.
Pas
in 1960 werd deze simpele bewaking van de Rijksweg toevertrouwd aan moderne spoorbomen
en verliet Jansen na zesentwintig jaar zijn houten hokje, waar hij de tijd tussen
de treinen door nuttig maakte met het repareren van talrijke klokken en horloges.
Nu is alles geautomatiseerd, de twee smalle overwegen verdwenen terwijl het wachten
bij de resterende drie tot een minimum is teruggebracht.
Daardoor behoort ook,
wat vroeger veelvuldig voorkwam, het oplichten van de spoorbomen om er vlug onder
door te gaan, tot het verleden.
In
1934, toen de rijksweg om Ede een feit was, kwam er voor de lijn nog een moeilijkheid
bij. Nabij Stompekamp doorkruisten de rails deze snelweg, zodat ook hier bewaking
moest komen. Daarvoor werd onder meer aangesteld de heer W.G. Jansen uit Essen
onder Barneveld. Oudere Edenaren zullen hem nog wel herinneren, die zijn dienst
op 4juli 1934 begon. Het was daar erg primitief geregeld; een heel klein wachthuisje
waar amper twee man konden zitten en van waaruit Jansen de treinen in de gaten
hield.
Vanuit de richting Ede-dorp was vrij eenvoudig; hij lette op de spoorbomen
van de Amsterdamseweg; zodra die zakten werd het zijn tijd.
Moeilijker was
de andere zijde dan tuurde hij de Doesburgerbuurt in, wat bij slecht weer moeilijkheden
gaf. Als een trein in aantocht bleek, schoof Jansen eerst planken door de palen
die bij de fietspaden stonden om vervolgens, gewapend
met een rode vlag, een
ketting over de weg te spannen. Bij donker werd de overweg door twee man bediend;
de een zwaaide dan met een rode vlag, de ander zorgde voor de afsluiting.
|
 |
| |
W.G.Jansen
gewapend met rode vlag bij de overgang aan de Rijksweg. |
Zoals
gezegd, bezette Jansen deze post in 1934, maar verhuisde pas in 1940 naar Ede,
zodat hij zes jaar lang van woonplaats naar werk op en neer ging.
Aanvankelijk
per fiets, maar wat later werd hij de trotse bezitter van een B.S.A.motor. De
vroege dienst begon om zes uur; al die jaren is Jansen, weer of geen weer, helemaal
uit Essen komend, slechts twee maal te laat geweest. De eerste keer wilde zijn
motor niet starten; hij werd duivels, hoe moest het nu met de eerste trein. Ten
einde raad klopte hij de verloskundige Esveld uit zijn bed die over telefoon beschikte.
Deze belde politieagent Hoevelaken, die op Stompekamp woonde en deelde hem
mede, dat Jansen niet op tijd kon komen. "Geen nood", aldus de agent,
"dan zorg ik wel voor die eerste trein", wat hij ook prompt heeft gedaan.
H.
J. Nijenhuis

