Er
zijn in onze gemeente heel wat verenigingen, op diverse terreinen, die kunnen
bogen op een meer dan vijftig Jaar bestaan. Daartoe behoort ook de padvindersgroep
"de Langeberg". Misschien niet zo tot de massa sprekend, maar een
vereniging die toch in het leven van heel wat Edese jongens een belangrijke rol
heeft gespeeld. In 1908 stichtte de Engelse generaal, sir Robert Baden Powell
de scouting beweging, in het Nederlands vertaald met "padvinderij".
In
1908 stichtte de Engelse generaal, sir Robert Baden Powel de scouting beweging,
in het Nederlands vertaald met "padvinderij". De opzet was jongens,
zo van twaalf tot zestien jaar, door sport en spel te vormen tot nuttige mensen
in de maatschappij. Het idee sloeg geweldig aan; een paar jaar later telde
de organisatie al meer dan honderd duizend leden. Een groep Engelse jongens bracht
in 1910 een propaganda bezoek aan Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Toen bleek
ook Nederland rijp voor de padvinderij: overal in het land werden groepen opgericht,
aanvankelijk, typisch Nederlands overigens, onder toezicht van twee overkoepelende
organisatie's. Later werden deze, door toedoen van Prins Hendrik samengevoegd
onder de naam NPV (Nederlandse padvindersvereniging).

In
Ede was men nog niet zover, wel bestaan er kaarten van het vluchtelingenkamp uit
de eerste wereldoorlog, op de Ginkelse heide waar reeds padvinders in actie waren,
maar vermoedelijk zijn dat Belgische jongens, ingeschakeld bij de kampbewaking.
Men zou in ons dorp tot de zomer van 1930 moeten wachten: toen kwam, ten huize
van de heer Jac. Gazenbeek (de later zo bekend geworden schrijver ) een aantal
jongens en ouderen bijeen en werd besloten tot oprichting van een padvindersgroep
in Ede.
Het eerste bestuur werd gevormd door de heren: C. A. H. Weyer, voorz:
Jac. Gazenbeek, secr: G.F.Hengeveld,penningm:C.de Vree en J.C.Klare. Voor de aardigheid
ook een paar namen van de eerste padvinders: G.Droog,G.V.Scherrenburg,H.de Vriendt,B.Hengeveld,H.Rippe
en E.Cramwinckel. Als leider werd aangesteld hopman Verstegen uit Renkum. Vijf
jaar lang heeft hij het gepresteerd om elke zondagmiddag heen en weer te fietsen.
De
heer A.W de Boer ,destijds eigenaar van restaurant de "Langenberg "
had op zijn terrein een paar barakken staan ,waar in de zomermaanden groepen schoolkinderen
hun vakantie door brachten. Hij bood de padvinders ,als voorlopig onderkomen aan
,hetgeen dankbaar werd aanvaard. Geen wonder dat mede daardoor de Edese padvinder
de naam van Langenberggroep kreeg,en die tot op de dag van vandaag heeft behouden.
Op zondagmiddag 7 september 1930 kwam de groep voor het eerst bijeen,vandaar dat
men deze dag als oprichtingsdatum heeft aangehouden. Hard werd er door de jongens
gewerkt om aan de eisen,gesteld voor verkenner derde klas te kunnen voldoen.

Op
14 december 1930 slaagden ze allemaal en mochten zij hun uniformen dragen. Alleen
met verkenners is een groep niet compleet,die dient te bestaan uit een horde welpen,
onder leiding van een akela, verkenners met hopman en vaandrig en de stam, oudere
jongens, voortrekkers genaamd, met aan het hoofd een ou-baas.
Twee jaar later
(1932) was de "Langenberggroep compleet", een aantal welpen onder akela
Stellingwerf Beintema, de verkenners met hopman Verstegen en reeds drie voortrekkers
die, na latere uitbreiding, de heer Huyzer als ou-baas kregen. Door deze drie
afdelingen deed zich wel het gebrek aan onderkomens voelen, vooral bij slecht weer
als naar buiten trekken onmogelijk bleek. Opnieuw bracht de heer De Boer uitkomst,
zijn terrein liep van de Arnhemsestraatweg tot aan de huidige Burgemeesterweg.
Daarvan kon de groep een stuk, groot genoeg om een eigen troepenhuis te bouwen,
huren voor slechts vijftien gulden per jaar. Een mooi aanbod, maar waar moest
het benodigde geld vandaan komen? Evenmin als welke vereniging dan ook uit de
jaren, kon de padvinderij op,geen enkele steun van overheidswege rekenen. In feite
betaalden de padvinders geen contributie, maar hun ouders. Uit hun midden werd
een bestuur gekozen, dat de zaken behartigde. Er werden actie's op touw gezet
om de bouw te kunnen verwezenlijken.
Dankzij een aantal giften, een verloting
en een geldlening van duizend gulden, onderverdeeld in twee honderd obligaties
a vijf gulden lukt dat.
Een groot deel van de bouw wordt door de jongens en
ouders zelf verricht maar bepaalde onderdelen moesten toch door vakmensen worden
uitgevoerd.
In 1934 kon het gloednieuwe troepenhuis plechtig aan de groep
worden overgedragen. Het bevatte twee lokalen van zeven bij zeven meter die door
een uitneembare wand in een grote ruimte veranderd kon worden.
Welpen en verkenners
waren dus onder dak,terwijl de voortrekkers ,na wat omzwervingen ,van graaf Bentinck
toestemming verkregen om in een stuk bos nabij de Tra ,een eigen blokhut te bouwen.
Dat dezen zij vol overgave:het werd een hecht gebouw,samengesteld uit zware dennenstammen,een
ware vesting. Dank zij ou-baas Huyzer,die electricien van beroep was,werd het
onderkomen middels een aggregaat zelf van electrisch licht voorzien,terwijl een
oude salamanderkachel voor warmte en nog meer rook zorgde.
Padvinder worden
hield meer in dan lid te zijn van ontspanningsvereniging. Bij zijn installatie
tot verkenner moest de jongen een belofte afleggen, die, althans in de dertiger
jaren, luidde: Op mijn eer beloof ik ernstig te zullen trachten mijn plicht te
doen tegenover God en mijn land, iedereen te helpen waar ik kan en de padvinderswet
te gehoorzamen.
Om deze doelstelling te verwezenlijken werd, naast ontspanning
ook het accent gelegd op technische vaardigheid. E.H.B.O. lessen,reddingsoefeningen,handig
met touw kunnen omgaan,seinen en improviseren om een paar onderdelen te noemen,werden
trouw beoefend. Het spelelement was voor een groot deel geïnspireerd op gegevens
van Baden Powell:scout of padvinder wilde eigenlijk zeggen,voorop gaan, de weg
aangeven. Vandaar dat verkennen,spoorzoeken of elkaar besluipen enthousiast beoefend
werden. Hoogtepunt vormde het kamperen,soms een weekend,in vakanties van langere
duur. Ook werd de jongens liefde voor de natuur bijgebracht,geen vernielingen
of vandalisme in de bossen,maar kennis van al wat leeft en groeit. Tijdens het
kamp werd eten koken altijd op een houtvuur gedaan ,primussen of andere toestellen
waren uit den boze. Een goede verkenner kon met behulp van hoogstens twee lucifers
en wat dennen of berkenprik,vuur maken en daarop de maaltijd bereiden. Een kamp
versterkte de onderlinge banden enorm: de laatste avond werd een kampvuur ontstoken
en in de vallende duisternis zat de groep rond de hoog oplaaiende vlammen. Er
werden kampliederen gezongen en de jongens luisterden naar een verhaal van hun
leider; avonden om nooit te vergeten.
Dat ook kamperen geleerd moet worden
bewijst de ervaring van de toen nog jeugdige Gerrit Kruysdijk. Het was zijn eerste
kamp, dicht bij huis, aan de Renkumse beek. Nadat de tenten waren opgezet, werden
de taken verdeeld, een paar moesten de stookplaats maken, anderen hout sprokkelen,
terwijl Gerrit opdracht kreeg een grote gietijzeren pan, waarin havermoet gekookt
zou worden, vast met groene zeep in te smeren. De jongen begreep er niet veel van,
maar daar een goed padvinder altijd gehoorzaamt, begon hij ijverig bodem en zijkanten
met het glibberige spul te bewerken. Op een gegeven moment kreeg de hopman
haast, greep,zonder op het resultaat te letten, de pan, gooide een paar pakken
havermout met de nodige melk er in en hing die boven het reeds ontstoken vuur.
Helaas toen de hongerige troep wat later met vol geschepte borden zat, bleek de
pap niet te eten, de zeepbellen kwamen van de lippen. Pas toen kwam de aap
uit de mouw om de pan gemakkelijker van roetaanslag te kunnen reinigen, had de buitenkant
met groene zeep ingesmeerd moeten worden.

Een
ander avontuur maakten de voortrekkers mee tijdens een kamp nabij de Loosdrechtse
plassen. Natuurlijk moest een viertal van hen, de zwemkunst amper machtig,
met een roeiboot het water op. Nu kan van een Edese Jongen uit die tijd, gewend
aan hei en zand geen grote prestatie's op het gebied van watersport verwachten
en prompt sloeg, na een kwartier, de boot om. Gelukkig waren een aantal zeeverkenners
uit Schiedam in de nabijheid die van wanten wisten en onmiddellijk de helpende
hand boden, zodat het voor de Edenaren bij een nat pak bleef.
De kroon op het
werk van de NPV uit de vooroorlogse jaren kwam in 1937 genoemd jaar mocht Nederland
het grote internation.verkennersfeest, bekend onder de naam "Jambaree"
organiseren. Oudere lezers zullen zich ongetwijfeld de beginregels van het
alom gezongen propaganda lied herinneren. In negentien drie zeven, dan zul
je wat beleven, dan komt de jamboree in Nederland. Het feest, gehouden van
31 juli t lm 9 augustus 1937 te Vogelenzang, werd een enorm succes; ruim 27000
padvinders uit vijfendertig verschillende landen waren hier present.
Heel Nederland
met vorstenhuis en regering voorop, leefde mee en de verschillende demonstratie's
trokken tien. duizenden toeschouwers. Ook de Langenberggroep was aanwezig en
de Edese jongens keerden opgetogen over zoveel internationaal contact weer
terug.
Helaas stond de Langenberggroep daarna voor nieuwe problemen. De grond
van de heer de Boer was in andere handen overgegaan en de huur werd per 1 september
1938 opgezegd. Het zou te ver voeren alle moeilijkheden die nu volgden te memoren;
volstaan we met te vermelden dat men er in slaagde in de naaste omgeving een stuk
grond te kopen, zodat het bestaande troepen huis alleen verplaatst behoefde te
worden. Behalve deze zorgen ontstond er gebrek aan leiding en deden de crisisjaren
op geld. Het ledental daalde sterk bij uitbreken van de oorlog, 10 mei 1940 bestond
de groep uit slechts vier welpen, dertien verkenners en negen voortrekkers. Een
klein jaar later 2 april 1941, viel, althans voor vierjaar het doek:,de bezetters
verklaarden de heleNederlandse padvinderij, zijnde van Engelse oorsprong, voor
ontbonden.
Gelukkig had men een en ander tijdig zien aankomen en konden veel
bezittingen en administratie bij de leden worden ondergebracht. Over de Langenberggroep
na de bevrijding weer op poten werd gezet, gaat de tweede aflevering.
H. J.
Nijenhuis.

