Wat brengt de toekomst
voor de voetbalsport?

In 1977 heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een rapport uitgebracht, getiteld: De komende vijfentwintig jaar. In deze toekomstverkenning voor Nederland komt ook de vrije tijd ter sprake. De verwachting is, dat besteding van de vrije tijd door sportbeoefening een belangrijke plaats zal
blijven innemen. Als er al ingrijpende veranderingen zullen intreden dan zullen die zich bij de sportbeoefening door ouderen voordoen. Men gaat langer met de sportbeoefening door.
Voor jonge mensen zal de situatie gelijk blijven. In de toekomst zo schrijven de opstellers van het rapport, zullen nauwelijksmeer jongeren gaan sporten; barrières zijn er nu al niet meer.
Op een ander punt verwacht de W.R.R. echter wel veranderingen. En die zijn, zo voeg ik er zelf aan toe, voor de zogenaamde teamsporten en speciaal de voetbalsport niet onverdeeld gunstig. Er zijn namelijk aanwijzigingen dat de traditionele verenigingen het moeilijk zullen krijgen omdat de belangstelling voor
het lidmaatschap en de actieve deelneming aan de werkzaamheden zullen afnemen. Overigens moet ik daarbij meteen de opmerking maken dat het ook anders kan gaan lopen als zou
uitkomen wat sommigen veronderstellen: een geleidelijke daling van het groeitempo van de productie tot nul tegen het einde van de eeuw. In die veronderstelling zal men noodgedwongen zich gaan organiseren omdat het in toenemende mate onmogelijk zal worden zelfstandig te sporten en tot privé aanschaf over te gaan.
Een scepticus zal zeggen dat hij aan toekomstverkenningen met een dergelijk voorbehoud de afhankelijkheid van de ontwikkeling van de economie -niet veel heeft. Misschien heeft hij wel gelijk. Maar in elk geval kunnen bestuderen van verenigingen er de les uit halen dat zij moeten zorgen dat hun organisatie sterk blijft. Een van de voorwaarden daarvoor is dat steeds gezorgd wordt dat in ruime mate personen jongeren en ouderen aanwezig zijn die zich voor de vereniging willen inzetten. Ik denk dat de jubilaris in dit opzicht niet te klagen
heeft. Dat het zo moge blijven!
J. M. Polak
Lid van de Raad van State
 
|