Het kan verkeren

De nog niet zo talrijke, sportbeoefenaar uit de vooroorlogse jaren behoefden niet te rekenen op enige steun of medewerking van de overheid. Integendeel, soms was het omgekeerde duidelijk merkbaar hetgeen de volgende ware gebeurteninis wil aantonen. In de maand juni 1934 ging burgemeester Creutz, overigens een beminnelijk man die aardig tussen de conservatieve klippen wist door te zeilen, met vakantie. De oudste wethouder, de heer V.d. Voort uit Lunteren werd gedurende deze periode loco-burgemeester. Hij liet zijn tijdelijk verworven bevoegdheden niet ongebruikt; het eerste wat de man deed .was voetballen op zondag ,verbieden. Het competitieseizoen was welliswaar afgelopen, maar de twee clubs die ons dorp toen rijk was, v. v. "Ede" en "Edese Boys" besloten de knuppel in het hoenderhok te gooien. Beide verenigingen organiseerden. op zondag 24 juni 1934 een vriendschappelijke wedstrijd en kregen prompt een bekeuring.


Aan de Sportlaan, waar "Ede" speelde,stapte even na de aanvang hoofdagent V.d.Brink het terrein op,
constateerde dat voor ongeveer tweehonderd toeschouwers a 20 ct, p.p. een voetbalwedstrijd werd gespeeld en maakte tegen het bestuurslid W. proces verbaal op. Het zal deze agent niet van harte zijn gegaan daar de man bekend stond als een rasechte "Ede" supporter. De burgemeester of in dit geval diens plaatsvervanger is echter het hoofd van de politie en diens opdrachten moeten worden uitgevoerd. Hetzelfde deed hoofdagent P. Zeven achter de Watertoren het domeinvan de Edese Boys, hier waren ongeveer honderd en vijftig kjjkers, maar geen kassahokje. Na hun plicht te hebben gedaan vertrokken de agenten en lieten de voetballers verder hun gang gaan; ook zij: vonden een en ander een lachertje.
Maar V.d. Voort met, op vrijdag 7 september, was al lang weer, loco-burgemeester af, kwam de zaak voor het kantongerecht in Wageningen. De toen nog N.V.B. had voor "een advocaat gezonden die voor beide verenigingen optrad. Verdachte W. erkende de feiten maar voelde zich allerminst schuldig. De verdediger wees erop dat de v.v. "Ede" al sinds 1920 haar wedstrijden tegen entree speelde waarvan de gemeente wel graag de vermakelijkheidsbelasting incasseerde.


Toch was, volgens het O.M. die entree heffing naar een oeroude wet uit 1815 het cardinale punt. De uitspraak van de kantonrechter luidde: schuldig verklaring zonder oplegging van straf. Nog beter kwam V .d. K. er af; deze liet middels de verdediger weten dat als hen geen, toegangskaartjes verkocht werden, al liep er tijdens een wedstrijd wel. iemand langs de toeschouwers voor een kleine bijdrage. Het terrein was van een patticulier, kon met worden afgesloten en de meeste mensen, vooral jongelui, kwamen door het omliggende struikgewas waarop algehele vrijspraak volgde. Verdere gevolgen heeft de zaak niet gehad, al zou het nog jaren duren eer er op gemeentevelden zondags gespeeld mocht worden. Als wij nu al die prachtige sportaccommodaties in onze gemeente zien kunnen we niet anders zeggen dan dat het kan verkeren.

H. J. Nijenhuis