Sport in vroeger jaren

De sportbeoefening in onze gemeente is, evenals vrijwel op de gehele Veluwe, maar moeizaam op gang gekomen. Tot begin 1920 kon het dorp Ede slechts bogen op één gymnastiekvereniging "Sparta", reeds opgericht in 1896. Zeker, er waren twee kegelbanen, bij hotel " Welgelegen en "De Posthoorn", maar kegelen werd door de meeste leden, veelal middenstanders, meer beschouwd als uitgaansavondje dan serieuze sportbeoefening.
Verder bestond er een schietvereniging "Piet Joubert" waar talrijke prominente Edenaren lid van waren en de Edese ijsvereniging die alleen bij strenge winters in de belangstelling stond en dat was het zo'n beetje. De gemiddelde Edenaar liep zich niet bepaald warm voor dat, in hun ogen, moderne gedoe. Het begrip "vrijetijdsbesteding" was niet alleen onbekend, maar ook totaal overbodig. Lange werkdagen, terwijl vrijwel iedereen over een lap grond voor de verbouw van
groenten en aardappelen beschikte waar de nodige vrije tijd in ging zitten en waarbij ook de jeugd werd ingeschakeld.
Bleef over de zondag, maar deze dag kwam voor het merendeel van de Edenaren voor ontspanning niet in aanmerking ,hooguit een middagwandeling in de bossen. De komst van het garnizoen in 1906 bracht vooralsnog weinig verandering, hoewel de legerleiding zich sterk voorstander van sportbeoefening toonde. Er was een schermzaal, er werden veldlopen en atletiekwedstrijden georganiseerd die weliswaar wat toeschouwers trokken maar het gros van de bevolking onberoerd liet.


Teneinde voetballen populair te maken, vonden op Koninginnedag wel wedstrijden plaats tussen officieren en manschappen, 'n kolfje naar de hand van laatstgenoemden. Deze konden nu ongestoord hun meerderen anderhalf uur lang van de sokken lopen en opstoppers verkopen met als enig risico het fluitje van de scheidsrechter .Zij maakten daar een gepast gebruik van, zodat diverse officieren min of meer gehavend van het slagveld kwamen en dit nummer al gauw van het feestprogramma werd geschrapt. Wel had deze propaganda tot gevolg dat de eerste voetbalclubjes in Ede van de grond kwamen die echter geen levensvatbaarheid bleken te bezitten.


Het tot stand komen van de AKU, oorspronkelijk ENKA-fabrieken, is van veel meer betekenis geweest voor de plaatselijke sportontwikkeling. De eerste directeur, dr. Hartog bleek een sociaal gevoelig man die veel tot stand bracht voor ontspanning van de werknemers. De oude in Zwitserse stijl gebouwde villa "De Reehorst" werd aangekocht waar uitvoeringen en bioscoopvoorstellingen werden gegeven, terwijl de grote moestuin achter de villa, werd veranderd in een sportterrein.


In de twintiger jaren zien we het aantal sportverenigingen geleidelijk uitbreiden, zij het dat voorlopig nog gymnastiek en voetbal de boventoon voerden. Ook toen moesten nog heel wat weerstanden overwonnen worden, een deel van de jeugd zag zich gedwarsboomd door ouders of opvoeders.
Verschillende van hen zagen sportbeoefening als verspilling van tijd, die heel wat beter gebruikt kon worden. Anderen lieten voor geen geld hun spruiten op zondag naar een sportveld gaan. Ook onbegrip en angst speelden een rol, dat voetballen ging er soms zo ruw naar toe, terwijl op het gebied van zwemsport de watervrees bij elke rechtgeaarde Veluwnaar was ingeboren. In dit verband klinken mij nog de woorden in de oren die de bezorgde moeder van een kameraadje ons nariep toen we eens gingen zwemmen: "Je hebt het hart niet dat je verzopen thuis komt".
Ook van overheidswege viel, tot aan het eind van de dertiger jaren op weinig medewerking te rekenen. Men stond destijds op het standpunt: voor sport geen man en geen cent. Een vereniging die zich niet kon bedruipen, bezat geen bestaansrecht. Deze opvattingen veranderden na 1945 radicaal: als we nu de vele sportparken en hallen in onze gemeen te zien, is het duidelijk dat de sport in Ede geen stiefkind meer is.
H. J. Nijenhuis.