Edese sportpioniers

De sportbeoefening in onze gemeente is maar moeizaam op gang gekomen.
Toen in het begin van deze eeuw het inzicht van een goede lichamelijke ontwikkeling ook in ons land meer en meer veld won, was daarvan in Ede nog weinig te bemerken. De bevolking, evenals trouwens die van de gehele Veluwe, kon er niet warm voor lopen. Niet alleen door haar godsdienstige instelling, maar men vond het bovendien onzin aan zulke moderne fratsen tijd te besteden die zoveel beter gebruikt kon worden.

Het begrip vrijetijdsbesteding was niet alleen nog onbekend, maar tevens overbodig. De werkdagen waren lang, terwijl vrijwel iedereen thuis en op het land nog het nodige had te doen. Voor ontspanning bleef alleen de zondag over maar deze dag kwam, voor het merendeel van de inwoners, daar niet voor in
aanmerking. Hooguit maakte men bij mooi weer een wandeling in de uitgestrekte bossen. Geen wonder dat jongelui, zo zij al sportieve aspiraties koesterden, heel wat weerstand moesten overwinnen.
Maar zij waren er, de voortrekkers van Ede.

Reeds in 1896 werd de gymnastiekvereniging "Sparta", opgericht, eigenlijk door een samenloop van omstandigheden. In het pand Bergstraat 1, later het huis van dokter Weyer, nu al lang gesloopt, was een kostschool gevestigd onder leiding van de heer Frowein. Heel vooruitstrevend stond daar ook al gymnastiek op het lesrooster en het mooie was dat ook Edenaren van deze lessen gebruik mochten maken, al was de deelname niet overweldigend.

   
In 1896 evenwel werd de school opgeheven waardoor het afgelopen was met de lichamelijke opvoeding van het handjevol plaatselijke sportliefhebbers. Twee van hen, de heren A.J. Torkow en A.J.C. van Es, beiden onderwijzer, vonden dat zo'n gemis dat zij plannen maakten om tot de oprichting van een gymnastiekvereniging te komen. Dat lukte nog hetzelfde jaar. Met een twaalftalleden werd onder de naam "Sparta", gestart, waarbij de heer Van Es optrad als directeur. Bij de oprichters behoorden onder anderen P. Blokker, H.J. Nestelrooy, P . Sibles en A.J. Roelofsen, later allen bekende zakenmensen in Ede.

De beginjaren bleken moeilijk. Er waren weinig leden, waardoor het financieel niet gemakkelijk was de eindjes aan elkaar te knopen. Het aanschaffen van turntoestellen was een kostbare zaak terwijl het vinden van een geschikte oefenruimte ook niet eenvoudig bleek. Een tijdlang heeft men geturnd in een schuur van de dames Hartsing aan de Bergstraat. Helaas was deze ruimte verhuurd aan de kolenhandelaar Gijs Jansen en het opstuivende kolengruis was allerminst bevorderlijk voor longen en kleding. Maar men
zette door en wist al gauw bij de bevolking, die aanvankelijk maar matig belangstelling toonde, een goede naam te veroveren, zij het niet direct door sportieve prestaties. Men liep warm voor de uitvoeringen die altijd werden besloten met een toneelstukje en een gezellig samenzijn. Dat sloeg in. De uitgaansmogelijkheden waren toen beperkt. Zo'n avond in het koetshuis van "De Posthoorn" was steevast uitverkocht.

   
Het eerste gedeelte, het optreden van de gymnasten, nam men op de koop toe, daarna begon het pas echt.
Geen wonder dat het bestuur in de wintermaanden drie, soms wel vier, uitvoeringen organiseerde. Succes verzekerd en die uitvoeringen brachten geld in het laatje. In de loop der jaren is "Sparta" uitgegroeid tot een grote vereniging, die nog altijd een vooraanstaande plaats in de Edese sportgemeenschap inneemt.
Het zou voorlopig in Ede de enige organisatie op dit gebied blijven, afgezien dan van de schietvereniging "Piet Joubert". Gezien de gemiddelde leeftijd
van haar leden kon men hier echter moeilijk van een specifieke sportvereniging spreken. Wel waren hier zeer bekende Edenaren lid van, zoals L. v.
Zoelen, Van Hunnik, de gebroeders Tulp, H. Staf en P. de Nooy, om het daar maar bij te laten.

De komst van het garnizoen in 1906 bracht nieuw leven in de brouwerij. De legerleiding toonde zich een warm voorstander van sportbeoefening. Speciaal voor voetballen werd veel propaganda gemaakt; het bevorderde de teamgeest, meende men, al kwamen de meeste dienstplichtigen daar niet van
onder de indruk. Bij de verplichte sporturen werden alle mogelijke listen verzonnen om daar onderuit te komen ten einde deze tijd met minder inspanning door te' brengen. Voor de infanteriekazernes was een sintelveld aangelegd dat gewoonlijk dienst deed als exercitieterrein maar waar ook doelpalen stonden om in de vrije tijd een balletje te kunnen trappen. Hier maakte de Edese jeugd voor het eerst kennis met de voetbalsport, niet zonder gevolg. Al gauw werden de eerste schuchtere pogingen gedaan om
een club van de grond te krijgen. Inderdaad kwamen er wat enthousiastelingen; waaronder Mannus van der Burg, later jarenlang consul van de KNVB in Ede, die zich verenigden onder de naam K.M.D., "Klein Maar Dapper". Zij gingen spelen op "Schraaljammer" waar later de AKU-fabrieken werden gebouwd. Dat terrein deed zijn naam eer aan; half heide, half stuifzand, dat bij een beetje wind de ogen van de spelers bijkans dichtjoeg. Alles was nog vrij primitief. Een paar slieten deden dienst als doelpalen en wat struiken
waren uitstekende kleedkamers. De spelregels werden vrij vertaald, er was heel wat geoorloofd, maar dat mocht de pret niet drukken, er werd in Ede gevoetbald. Zij zijn echter klein gebleven en blijkbaar ook niet al te dapper, want al spoedig was de club levensmoe. Toch had de jeugd de smaak te pakken.

Omstreeks 1910 komt een nieuw stel jongens op de proppen met O.B.I.O.D. wat wilde zeggen: "Overwinning Behalen Is Ons Doel", ontegenzeggelijk een loffelijk streven. Ook hier weer bekende namen, onder anderen G. Boeree, N. Blokker, B. Wagensveld en Jac. Glazenbeek. Zij kwamen al een stapje verder en kregen de beschikking over een braak liggend stuk grond aan de tegenwoordige Sportlaan. Evenwel, na een paar jaar verdween ook O.B.I.O.D. geruisloos van het toneel om te worden opgevolgd door de
voetbalvereniging "Juliana". Dit bleek de eerste voetbalclub waar een goede organisatie achter zat en ook wat spel betrof konden zij voor de dag komen.
De leden kwamen voor een groot deel uit de middenstand waar men, voor een deel althans, niet afwijzend tegenover sport stond. Jongens van bekende Edese families maakten er deel van uit: de gebroeders Heynen, W. van Otterlo, Van Veen, Eylander, Mens en ook weer Jac. Gazenbeek, de later zo
bekende schrijver van de Veluwe. "Juliana", dat nu op het terrein aan de Sportlaan speelde, nam deel aan de competities van de GVB, was een graag geziene tegenstander van de Belgen in het vluchtelingenkamp op de heide en organiseerde veel seriewedstrijden die toen erg in trek waren.
Het garnizoen bleef de sport in Ede stimuleren. Op 8 juli 1914 organiseerde een comité van militairen grote sportwedstrijden op het grasveld achter de buitenplaats "De Reehorst". Het programma vermeldde voetbalwedstrijden en een aantal atletieknummers. De deelnemers bestonden voor 90% uit militairen maar voor het voetbaltoernooi stond ook "Juliana" ingeschreven en bij het nummer estafettelopen in ploegen van zes man deed een team van de gymnastiekvereniging "Sparta" mee. Deze zes Spartanen waren H. Eylander, B. van Veen, F. Viets, W. van Otterlo, H. Heinen en J. v .d. Schaft.
Ongeveer in deze periode komt er nog een voetbalclub bij: E.V.V., samengesteld uit militairen. Dezen, voor het merendeel beroepsmensen, hadden door routine en ervaring stuk voor stuk meer kaas van het spel gegeten. Zij speelden op hetzelfde terrein als "Juliana", wisten geleidelijk aan de belangstelling van het Edese publiek te trekken en waren al zo verstandig een kleine entreeprijs te heffen, waardoor zij ook financieel sterker kwamen te staan. "Juliana" was tegen deze concurrentie niet opgewassen en stierf een
zachte dood. E. V. V. deed het prima, mede doordat zij over goede spelers kon beschikken, van wie wij er een paar in herinnering willen brengen. Als middenvoor speelde luitenant Van Dordt, een klein mannetje maar met een venijnig schot. Waarschijnlijk om meer kracht bij te zetten, hield hij altijd het hoofd een beetje scheef als hij schoot. Als de beste schutter werd hij ook belast met het nemen van strafschoppen, meestal met succes. Maar één keer vloog de bal er keihard naast om de man die altijd met chocolade liep te
venten, precies diens kistje uit de handen te schieten. De veldartillerie was onder meer vertegenwoordigd door de wachtmeester-hoefsmid Ekeris en wachtmeester v .d. Broek. Maar de man die op ons schooljongens de meeste indruk maakte was de doelman Toon Cantrijn, een beroepssergeant. Met
prachtige stijl verdedigde hij zijn doel, al liet hij natuurlijk ook de nodige ballen glippen. In die tijd had ik een vriendje, dat later ook graag keeper wilde worden en Cantrijn als lichtend voorbeeld stelde. Daarom, als wij
gingen kijken, wilde hij altijd achter zijn doel staan. Zo ook op een regenachtige zondagmiddag. Onverwachts kwam er een schot, precies in de hoek.
Maar geen nood, met een sierlijke zweefduik ranselde Cantrijn de bal uit het doel. Op hetzelfde moment hoor ik een doffe dreun naast mij; het bleek mijn vriendje te zijn, dat zich zo in het spel had verdiept en overtuigd was dat hij dat schot moest stoppen, dat hij eveneens een uitval deed en languit in de modder dook. Ja, die militairen maakten het voetballen populair.

Ter meerdere propaganda werden op koninginnendag wel wedstrijden georganiseerd tussen officieren en manschappen. Een kolfje naar de hand van laatstgenoemden. Die konden nu ongestoord anderhalf uur lang hun meerderen ongestraft van de sokken lopen of een opstopper verkopen, zonder direct op het matje te worden geroepen. Zij maakten daar dan ook een gepast gebruik van; de officieren kwamen soms zo gehavend van het slagveld dat dit nummer al gauw van het programma werd geschrapt.
Al die inspanningen van het garnizoen hebben toch tot resultaat geleid.
Geleidelijkaan deed zich ook onder de burgerij het gemis van een behoorlijke voetbalclub voelen. Nog wel met een kern van militairen maar nu aangevuld met burgerjongens werd op 1 mei 1920 de "E.V.V. Ede" opgerricht. Het terrein bleef aan de Sportlaan. Onder leiding van de heer Meurs als voorzitter werd meteen deelgenomen aan de competities van de GVB; de eerste levensvatbare voetbalclub in Ede, nu nog altijd de belangrijkste, was een feit. Dit alles speelde zich af in het Park, zoals het tegenwoordige
Ede-Zuid destijds werd genoemd. De mensen waren daar wat gemakkelijker van opvattingen, waardoor de sport sneller vaste voet kreeg. Met uitzondering van "Sparta" was er in het oude dorp nog weinig te beleven.

Omstreeks 1916 evenwel gingen een stel burgerjongens onder de naam U.S.V., "Uit Sport Verenigd" op de voetbaltoer. Zij moesten er wel een eind voor lopen om de eerste beginselen van het spel machtig te worden. Bijna aan het einde van de Sysseltselaan, waar nu de Elias-Beekman-kazernes staan, lag destijds
, een soort zand- en grindveld, aangelegd ten behoeve van de militairen uit de veldkazernes. Daar trok U.S.V. heen; ook hier geen kleedkamers, terwijl de grote keien waarmede het terrein bezaaid was, ook zonder toedoen van de tegenpartij de nodige blauwe plekken opleverden. Levensgevaarlijk was het
keepersbaantje: de bovenliggers van de doelen lagen namelijk los op de staanders. Bij een behoorlijk schot tegen de lat kieperde het ding naar beneden en werd door vriend en vijand gezamenlijk weer op de juiste plaats gelegd. Geen wonder dat bij een hoge bal de doelman altijd een paar passen naar voren liep. Hij riskeerde liever een doelpunt dan een hersenschudding.
Toch had dit terrein één groot voordeel: het lag ver van de bewoonde wereld zodat de ouders onkundig bleven van hetgeen zoonlief op zondagmiddag uitspookte. Hooguit kwam er een verdwaalde wandelaar die even laatdunkend toekeek, maar verder werd hun spel op geen enkele wijze verstoord. Ondanks het feit dat de bond toen nog heel soepele eisen voor toelating stelde, was het voor U.S.V. daar op de hei, zonder enige accommodatie onmogelijk in competitieverband te spelen. Dus toog men naarstig op
zoek naar een betere speelgelegenheid en vond deze achter de Watertoren.
Dankzij de medewerking van de directeur-eigenaar van de EWM, de heer De Cruyff, mochten zij daar spelen. Nu moest nog de naam veranderd worden, daar reeds een vereniging onder U.S.V. was ingeschreven.

 

   
De club werd omgedoopt in T.O.V.O.L. hetgeen betekende: "Tot Oefening Van Onze Ledematen", je moet er maar opkomen. Men speelde daar achter de watertoren een paar jaar niet onverdienstelijk, waarbij ook de publieke belang stelling groeide. Wat bekende spelers van T.O.V.O.L.: keeper Piet Kool, de forse Henk Jansen als achterspeler, Rijk de Bunt, Co Kraayenpoel, Geert Scherrenburg en Wim Teunissen, later jarenlang leider van "Sparta". De financiële moeilijkheden groeiden echter sneller dan de club

Bovendien gingen er stemmen op die beweerden dat één goede voetbalvereniging in Ede
voldoende was. In 1923 besloot men dan ook te fuseren met "E.V.V. Ede".
Het E.V.V. werd weggelaten, voortaan was het simpelweg "Ede". Het terrein aan de Sportlaan bleef speelveld, zodat opnieuw vast stond dat een voetbalclub in het dorp maar geen vaste voet kon krijgen.
Een andere tak van sport, het schaatsen, deed het in deze jaren beter.
Eigenlijk eigenaardig voor een heidedorp als Ede. Nu moeten wij er wel aan toevoegen dat deze belangstelling meer uitging van mensen die zich de laatste jaren hier hadden gevestigd, dan van de geboren Edenaar. Op 29 november 1918 werd de Edese IJsvereniging opgericht; staande de vergadering, gaven zich direct al 54 personen op als lid. Het bestuur werd gevormd door de heren Wiepking, Hossevoort, Noorman, De Boer en Kreek. Deze mensen toonden zich zeer voortvarend. Een eerste vereiste voor de jonge vereniging was vanzelfsprekend een ijsbaan, allerminst een eenvoudige zaak in Ede. De wasserij "Gelria" beschikte over een enorme lap grond tussen de Schaapsweg en de tegenwoordige Ganzenweide. Dit terrein, omgeven door een wal van een meter hoogte, werd door de wasserij gebruikt om overtollig
water te lozen. De directie van "Gelria" stelde deze enorme waterplas gedurende de wintermaanden belangeloos ter beschikking van de ijsvereniging.
In de zomer vormde het geheel een enorme stankplaats. "De zeepslote ruiken weer," zeiden de mensen uit die omgeving dan. Wat wil je, riolering evenals een milieuraad waren nog onbekend en "Gelria" moest toch op een of andere manier het afvalwater kwijt. Een nadeel bleek weldra, men was afhankelijk van strenge winters. Het moest een: paar dagen behoorlijk vriezen om dit water vol zeep- en chloorresten tot ijs om te toveren. Het risico om de baan te vroeg open te stellen was groot. Niet zo~eer door verdrinkingsgevaar, er stond nog geen halve meter water, maar vanwege de bodemgesteldheid. Zakte iemand door het ijs dan ging die meteen een eind de blubber in en kon de kledingstukken die daarmede in aanraking waren gekomen wel afdanken. Maar bij een goede winter draaide de ijsbaan, compleet met de nodige baanvegers, prima. Een blauwe vlag op de watertoren gaf te kennen: de ijsbaan is geopend. Het was er erg gezellig, vooral toen achter aan de baan een kantine werd gebouwd waar niet alleen warme, maar
ook sterke drank werd verkocht. Het voortvarende bestuur organiseerde korte en langebaanwedstrijden en wedstrijden in kunstrijden, wat in die tijd nog "schoonrijden" werd genoemd. Helaas kwamen er ook winters met minder vorst waardoor het ledental sterk terugliep. Veelleden keken de kat uit de boom; zij betaalden hun contributie pas als er werkelijk ijs kwam, zo niet dan lieten zij het afweten. Er werd dan ook herhaaldelijk met verlies gedraaid en dat was niet vol te houden.

   
Als laatste redmiddel heeft men in 1936 de gehele ijsbaan van een betonvloer voorzien met een tweeledig doel.
's Winters zou men eerder kunnen rijden en in de zomer kon de plas als kanovijver gebruikt worden. Het lukte niet, de Edese IJsvereniging was ten
dode opgeschreven. Nu lopen er straten en staan er blokken woningen op de plaats waar eens schaatsenrijders zo gezellig rondzwierden.Was schaatsen dus vrij populair in Ede, de tegenhanger in de zomertijd, het zwemmen, kreeg voorlopig weinig kans.

De geboren Edenaar was als de dood voor water, niet zo'n wonder overigens als je tussen bossen en hei bent opgegroeid. In de verre omgeving was trouwens geen water te bekennen, behalve de Kreelse-plas, maar die was door begroeiing van riet en de modderige bodem allerminst geschikt om een duik te nemen. Voor ons kinderen, was een tochtje naar de Renkumse beek in de zomervakantie al heel wat.


Later, wat ouder geworden, hadden wij een aardig plekje ontdekt achter De Klomp, aan de weg naar Veenendaal. Juist voor de spoorwegovergang, rechts, lagen wat plassen bekend als "De Batterijen", een overblijfsel van vroegere verdedigingswerken. Nu is het een campingterrein, maar destijds
met, om het water, hoog opgeworpen wallen, was het een ideaaloord voor de Veenendaalse en in mindere mate, de Edese jeugd. Daar leerden wij op eigen houtje de eerste beginselen van de zwemkunst, in totale onwetendheid van onze ouders. Zij zouden doodsangst hebben uitgestaan als zij wisten wat hun spruiten uitvoerden. Nog zie ik de moeder van een kameraad van schrik verstijven toen we op haar vraag waar wij heengingen opgewekt "zwemmen" ten antwoord gaven. Terwijl wij op de fiets sprongen kwam zij weer zover
bij haar positieven om ons, in uiterste woede, deze merkwaardige woorden na te roepen: ;,Je hebt het hart niet, dat je verzopen thuus komt." Nee, zwemmen was niets voor de gemiddelde Edenaar; het zou trouwens tot in de jaren dertig duren voor het eerste zwembad aan de Parallelweg werd geopend.


De jaren twintig brachten ook in Ede opleving. Verenigingen in verschillende takken van sport kwamen, met meer of minder succes, van de grond. Wij willen daar niet nader op ingaan. De meesten bestaan nu nog, maar over één vereniging, die het trouwens niet heeft kunnen bolwerken maar destijds erg
populair was, willen we nog wat vertellen. Wij bedoelen de ren- en toeristenclub "De Veluwe", een sport die men destijds hier niet verwacht zou hebben. Het ledental was niet zo groot, maar enthousiaste supporters waren er genoeg. Nu was dat laatste heel wat voordeliger dan werkend lid te zijn, want voor de eenvoudige Edese jongen was wielrennen een peperdure sport.
Een racefiets met bijkomend onderhoud kostte handen vol geld waar nooit iets van terugkwam. Startgelden, premies of waardebonnen waren nog onbekend. Een medaille, of bij heel belangrijke wedstrijden een beker, was alles wat een renner er aan kon overhouden.
Dat mocht echter bij de Edese wielrenners de pret niet drukken; zij hadden plezier in hun sport en vormden een leuk en kameraadschappelijk stel. Een aantal van hen zie ik nog duidelijk voor mij: C. Bremer, Geert Scherrenburg, Kees Klein, Rijk Kuit, Lambert Klok, Leen v.d. Berg, Arie Harteveld, Jan Bart, Jan Roest, de gebroeders Jansen, aangevuld met enkele anderen wier namen in het vergeetboek zijn geraakt. De vereniging was zeer actief. In de zomermaanden organiseerde men grasbaanwedstrijden achter de Reehorst waaraan renners uit de wijde omgeving deelnamen. De baan was uitgezet door middel van witte linten. Daarbinnen reden de renners op het hobbelige grasveld achter, in de bochten soms over elkaar een bepaald aantal ronden.
Deze wedstrijden trokken veel publiek, dat vooral de plaatselijke favorieten geweldig aanmoedigde. Die hadden dat ook wel nodig. Zij deden hun uiterste best maar vielen, door gebrek aan ervaring, tussen de meer geroutineerde renners maar zelden in de prijzen.
Lambert Klok wist het beter. Die had eens als amateur ingeschreven voor het kampioenschap van Nederland op de weg. Het traject, dat driemaal gereden moest worden, lag in onze omgeving: vanaf het openluchtmuseum in Arnhem via Otterlo en Ede weer naar et startpunt. Er was vee tam-tam van gemaakt; een Edenaar in de strijd om het nationale kampioenschap kwam niet elke dag voor. Op de bewuste dag stond de Bergstraat, waar de renners langs kwamen, vol supporters. En wie kwam daar, ver voor het grote
peloton als eerste aangestormd, Jawel Lambert Klok. Hij kende dit gedeelte op zijn duimpje en vloog bij wijze van spreken naar de top van de Paasberg.
Wie had dat ooit gedacht: de enige Edenaar in dit elite-gezelschap aan de leiding. Helaas, bij de tweede passage geen Lambert meer. "Zeker pech gekregen," was het algemene oordeel. Maar slechts weinigen wisten dat Lambert het na driekwart ronde welletjes vond en na zijn triomfantelijke rit
langs het Edese publiek even later achter een koel glas bier bij de Langenberg zat.

   
Op zondagmorgen werden vaak onderlinge wedstrijden verreden. Start en aankomst waren steevast op de Langenberg, daar was kleedgelegenheid en na afloop wat te drinken. Dat ging er simpel aan toe. De deelnemers kregen een
routekaartje, verkeer op de weg was er op zondagmorgen vrijwel niet en verder vertrouwde men op hun sportiviteit om de juiste weg te rijden. Er waren nu eenmaal geen mensen om eventuele controleposten te bezetten.


Alleen rijwielhandelaar Bosch, die over een zware H.D.motor beschikte, reed wel eens mee om een oogje in het zeil te houden. De toonaangevende renners van de club, Lambert Klok, Rijk Kuit en Gerrit Jansen, werden veelal beurtelings winnaar, maar ook anderen sleepten wel eens een prijsje in de wacht. Alleen Jan Roest kon het nooit zover brengen hoewel hij toch een flinke, stevige vent was. Dat zat hem danig dwars. Niet zo zeer om de prijs, dat waren maar kleinigheden op gezette tijden bij winkeliers afgetroggeld,
maar om steevast bij de laatsten binnen te komen is op den duur ook niet leuk. Dus hoewel al sterk werd Jan ook nog slim. Hij zag zijn kans schoon in een rit Ede-Amersfoort en terug: eerste prijs een fles wijn. Bedoelde wedtrijd ging heen, wat zij noemden "binnendoor" over Lunteren, langs "de Batelaar" naar Oud-Leusden en terug via de grote weg Woudenberg, Scherpenzeel, Renswoude en De Klomp. In Lunteren gekomen liet Jan zich wat afzakken om, toen het stel niet meer te zienwas, linksaf te slaan. Daarna
fietste hij op zijn dooie. akkertje via de "Bruine Horst" naar De Klomp. Daar verstopte hij zijn rijwiel in een korenveld, ging er zelf op zijn gemak bij liggen, tot een paar uur later de groep, hijgend en zwetend, aan kwam zetten. Nu werd het zijn beurt. Nog even gewacht, waarna hij op de fiets , sprong om de achtervolging in te zetten. Juist bij de Paasberg kreeg hij aansluiting. Fris als hij nog was, won hij op de Langenberg met gemak de eindsprint. ledereen was perplex. Die Jan had de vorm te pakken vandaag vrijwel de hele race hadden zij hem niet gezien, ofschoon dat meer voorkwam, maar om zo terug te komen en dan ook nog te winnen dat was sterk.
Glunderend nam Jan zijn prijs in ontvangst maar wijselijk vertelde hij de juiste toedracht pas enkele jaren later. De wielrenners konden het echter niet bolwerken. De een na de ander stopte ermee terwijl geen nieuwe leden kwamen opdagen, mede doordat de crisisjaren hun intrede deden, waarin voor velen geen cent was te verdienen, Iaat staan om aan liefhebberijen uit te geven.


Nog even, in flagrante tegenstelling met al de sportparken en accommodaties die de gemeente Ede nu rijk is, een raadsbesluit van 1 februari 1933. Er werd toen aan vier sportverenigingen, te weten de gymnastiekclubs "Sparta", "D.O.K." en "E.L.S." uit Lunteren, alsmede de Edese Politiesportvereniging een subsidie af 25,- per jaar verstrekt. Op genoemde gemeenteraadsvergadering werd met vrijwel algemene stemmen besloten deze subsidies, plus die aan nog een paar andere instellingen, te laten vervallen,
waardoor een totaal bedrag van f 410,- per jaar werd bezuinigd. Het kan verkeren maar met des temeer waardering kunnen wij omzien naar hen, die zonder enige overheidssteun, veeleer met tegenwerking, de basis hebben gelegd voor de massale sportbeoefening van deze tijd.


H. J. Nijenhuis