Nu
de bedrijvigheid op de voetbalvelden tijdelijk is verdwenen is het wel aardig
wat over deze sport te vertellen, zij het meer dan een halve eeuw geleden. Niet
zo zeer over het spel als zodanig, dat mocht geen naam hebben, maar wat leuke
voorvallen ophalen die In het geheugen zijn blijven hangen en wellicht bij oudere
lezers een glimlach op de lippen kunnen brengen. Ook wij, een stel vrijgezellen
jongens hebben, lang geleden, ons hart aan het bruine monsters opgehaald. We vermelden
expres dat "vrijgezel" er bij want als in die jaren een jongen verkering
kreeg, was hij vrijwel zeker voor de club verloren.
Zoals gezegd, ons technisch
kunnen was zeer matig, trainers of verzorger nog onbekend; wij knappen alles zelf
op. Zo kreeg onze rechtshalf, ook al een term die je nu niet meer tegen komt,
Henk Veenendaal, op een gegeven moment een ttrap tegen zijn linkerknie . Hij zakte
op de grond, maar een ander liep op hem af wreef even stevig over zijn rechterknie
en meende: "nou gaat het wel weer", waarop Henk meteen weer holde.
Stond het spel niet op hoog peil, onze clubliefde was daaraan omgekeerd evenredig,
waarvan een staaltje.
Op een winterse februari zondag in 1931, moesten we
een uitwedstrijd spelen tegen Oosterbeekse Boys 11, aanvang half twaalf, dus half
elf vertrekken vanaf het Postkantoor, zoals altijd, per fiets. Het was die morgen
afschuwelijk weer; sneeuw en hagelbuien wisselden elkaar af. Geen wonder dat om
kwart voor elf nog maar vier spelers en onze secretaris, Willem Jansen, present
waren.
De rest in de begrijpelijke veronderstelling dat de zaak was afgelast,
bleef wijselijk thuis bij de warme kachel.
Willem had echter geen bericht gehad
en niet opkomen betekende twee Winstpunten in mindering en vijf gulden boete,
Die punten beurden we niet zwaar aan, maar die vijf piek betekende een aderlating
voor de bescheiden clubkas.
Dus kwam Joop v,d. Meyden die chauffeur was bij
de bodedienst Willemsen' "Ik kan wel een uurtje een wagen bij de baas krijgen,
dan gaan wij er toch even heen". Persoonlijk zag ik het nut daarvan niet
zo zitten, maar een autoritje, toen nog een belevenis, al was het in een gammele
vierkante Ford, trok me wel aan.
De fietsen werden achter het Postkantoor
gezel en even later ging het richting Oosterbeek. Onderweg werd een plan de campagne
gemaakt; op de Bilderberg waar de sportvelden lagen gekomen, zette Joop de auto
in aangrenzende bossen en liepen secretaris en ondergetekende, als aanvoerder
naar de kleedkamers.Inderdaad, zowel gastheren en scheidsrechter waren present.
Wij maakten ons bekend, waarna Willem zich tot de scheidsrechter wendde: De spelersbus
staat nog op de harde weg, maar het weer is bar en boos, als de wedstrijd onverhoopt
niet door gaat, kunnen we meteen weer terug.
De man gaf dat toe en meende
: Laten we even het terrein gaan bekijken Met de aanvoerder van Oosterbeekse Boys
stapten wij hel veld op: gelukkig het weer was nog even slecht . Terwijl de sneeuw
ons om de oren joeg, sopten wij over het drassige veld, "Het is niet te doen,
ik las de wedstrijd af" besliste de arbiter.
Weer in de kleedkamer
handelde Willem de declaratie van de man af en voegde er schijnheilig aan toe;
Jammer, zijn we voor noppes hier naar toe gekomen. Wij namen afscheid en werden
door de drie achterblijvers in de auto met gejuich ontvangen. In opgewekte stemming
reden we huiswaarts, voldaan dat er vijf gulden voor de club was gered. Maar nog
altijd vraag ik mij af hoe wij hadden moeten reageren als de man had gezegd: ..Och
laten we toch maar beginnen.
Gedreven door diezelfde clubliefde kwamen we echter
ook wel tot daden die nu niet direct in het sportieve vlak lagen.
Het volgend
seizoen, 1932-33 waren wij na vier wedstrijden nog ongeslagen, een ongekende
weelde, wij waanden ons al bijkans kampioen al was het maar van de tweede klasse
A. V .B.
Toen volgde de uitwedstrijd tegen Driel, die Beluwse klei lag ons,
jongens van de zandgrond niet zo bijster.
Het terrein was daar of hard en
ribbelig als een wasbord of een weke kleimassa. Ditmaal bleek het glijden en glibberen,
wij brachten er weinig van terecht en stonden,volkomen verdiend, bij de rust met
2-0 achter. Maar dat zou anders worden beloofden we elkaar bij de waterige beker
thee, Ondanks deze goede voornemens werd hel al gauw 3-0 en de achterstand dus
hopeloos.
Onze doelman, Rijk Versteeg, een pracht vent, altijd even enthousiast,
stond zich te verbijten, tot hij plotseling een ingeving kreeg. Hij had bemerkt
dat de gastheren, waarschijnlijk even arme club als wij, maar over één
speelbal beschikten. .Als die kapot is kunnen we niet verder redeneerde hij,
niet geheel ten onrechte. Achter zijn doel stond onze enige supporter, een
jongen die de rever van zijn jasje had versierdmet een speldvlaggetje, die zich
destijds, van alle mogelijke landen, in de doosjes Turmac cigaretten bevonden
en een geliefd verzamelobject vormden. Rijk instrueerde hem; Wij redden het niet
meer, als er direct een bal over of langs geschoten wordt haal jij die op en steek
er een paar maal onopgemerkt met je speldje in . De opdracht werd prompt uitgevoerd.
Rijk bracht de bal weer in het veld;,dat ging vroeger door een wippertje van een
der backs in handen van de doelman die op zijn beurt het leer zo ver mogelijk
wegtrapte. Nog
even golfde het spel op en neer, maar geleidelijk verdween de
lucht uit de bal tot verder spelen onmogelijk werd.
Er bleef de scheidsrechter
niets anders over dan de wedstrijd te staken die later wel weer opnieuw zou worden vastgesteld.
Ook wij veldspelers, waren niet van de juiste toedacht op de hoogte die Rijk wijselijk
tot op de terugweg voor zich hield. Ter geruststelling, ook dat jaar zijn we geen
kampioen geworden en zouden het eerlijk gezegd ook niet verdiend hebben.
Als
ik mij niet al te sterk vergis is in de loop der jaren een zaak vrijwel het zelfde
gebleven, kankeren op de scheidsrechter. Ook wij maakten daarop geen uitzondering;
als het veertiendaags krantje van de bond verscheen met het programma en de aangewezen
scheidsrechters, meenden wij meteen al te welen of we een goede of slechte hadden
getroffen en stond ons oordeel over de man bij voorbaat vast.
Een geliefkoosde
opmerking uit die jaren aan de man met de fluit als hij wat te veel in ons nadeel
floot: Ze hebben je zeker een kistje sigaren beloofd. De man deed meestal net
of hij niets hoorde want kon er weinig tegen doen, gele kaarten waren nog onbekend
en om uit het veld gestuurd te worden moest het wel erg bont maken.
Pas later
ga je beseffen wat deze mensen, we natuur1ijk ook fouten konden maken, maar toch
onmisbaar waren voor de sport hebben betekend.
Zondag aan zondag waren zij
in die lagere afdelingen present: je had daar of heel jonge scheidsrechters, die
het vak nog moesten leren en later hoger opkwamen of ouderen die uitsluitend
nog een paar jaar voor hun plezier meeliepen. Rijk werden zij er in die tijd ook
niet van: zij mochten alleen de werkelijk gemaakte reiskosten plus een gulden
vertering declareren.
Dat een scheidsrechter ook in zijn argeloosheid
de plank wel eens mis kon slaan blijkt uit het volgende. Wij speelden een uitwedstrijd
tegen Hate-Rijn te Renkum. een vereniging die later fuseerde met plaatsgenote
Cito waaruit het huidige C.H.R.C. is ontstaan.
Genoemde club deed haar
naam eer aan en speelde in de uierwaarden, vlak naast de Rijn. Met de rust stonden
wij met 1-0 voor: in de tweede helft kwam er geleidelijk mist opzetten,die
mede door de nabijheid van de rivier, steeds dichter werd.
In dit schimmenspel
maakte Jan Roelofsen een tweede doelpunt. Tegenwoordig wordt de schutter bejubeld
alsof hij een grote heldendaad heeft verricht. In onze tijd waren de reacties
niet zo uitbundig, a! stak de maker wel zijn arm omhoog om met een luid "hoi"
zijn vreugde te uiten, soms door enkele andere spelers overgenomen, maar daar
bleef het bij. De scheidsrechter, al niet meer van de jongsten, had vanwege de
mist weinig kunnen constateren maar wees alleen op dat gejuich naar het midden.
Dat
bracht de gebroeders Markus,altijd vrolijke klanten, beide voohoedespelers op
een idee .Als een van ons beiden schiet, aldus Gerrit tot Herman, en al treft
het schot geen doel, roepen we allebei toch heel hard "hoi", kijken wat
de man doet. Tien minuten later een schot over het doel en tegelijk klonk de vreugdekreet
van de twee grappenmakers. De scheidsrechter trapte er in en kende opnieuw een
doelpunt toe. De doelman van Harte-Rijn had inmiddels de bal opgehaald en was
terecht stomverbaasd en kwaad dat het weer naar het midden moest, dat kon onmogelijk.
Nu
waren de poppen aan het dansen onze grensrechter werd erbij gehaald, ook hij had
evenmin wat gezien, maar zoals een goed clubman betaamt, resoluut vaststelde,
"een glashelder doelpunt". Het niet al te talrijke publiek ging zich
ermee bemoeien, de scheidsrechter stond er wat hulpeloos bij, tot de broers het
welletjes vonden. Zij vertelden de scheidsrechter dat beiden van mening waren
dat het schot raak zou zijn, maar helaas wat voorbarig met hun vreugdekreten,
waarop de man zijn beslissing introk en de rust hersteld was.
Och, wat
we hier vertelden heeft allemaal weinig te maken met het serieuze voetbal van
deze tijd. maar tekent wel het plezier dat eenvoudige jongens aan hun simpele
sportbeoefening konden beleven. Wij vonden zelfs de moeite niet waard om de
naam van onze club te noemen, maar insiders zullen die ongetwijfeld kennen. Volgend
maal wat dergelijke voorvallen uit de beginperiode an de oudste voetbalclub in
onze plaats.
H.
J. Nijenhuis

