Zo
in het midden van de dertiger jaren waren we de kinderziektes een beetje te boven
en beschikten over een elftal waarvan de helft redelijke voetballers genoemd konden
worden. Wellicht dat met een goede trainer successen niet uitgebleven waren, maar
in die jaren bezaten alleen grotere verenigingen een oefenmeester. Trouwens we
hadden totaal geen behoefte aan een dergelijke man en lieten ons nog steeds niet
de wet voorschrijven, vooral niet door iemand die buiten de lijnen, gemakkelijk
praten had. Toch hadden we op dit gebied een kleine concessie gedaan door twee
oudere personen, respectievelijk als voorzitter en secretaris in het bestuur
op te nemen.
Het bleek op de duur toch niet ideaal
als tijdens een wedstrijd door een aanwezige bondsfunctionaris naar een bestuurslid
werd gevraagd en dan een speler van het veld kwam draven. Eerste voorzitter werd
de heer D. Schoonderbeek, opgevolgd door P. Moene en de derde die ik in mijn periode
heb meegemaakt was Henk de Cruiff.
Daarnaast nam Willem Jansen het secretariaat
waar, een man die zijn taak serieus opvatte, waardoor de post
"boeten",
waar we door onkunde en laksheid, nogal eens mee te maken hadden, belangrijk terugliep.
Met
een tikje weemoed bekeken we bijgaande foto uit 1935, een stel jongens die eens
gezworen kameraden waren maar waarvan er nu al zo velen zijn overleden. Een ieder
bezat zo zijn eigen kenmerkende eigenschappen:
Geurt Hey, die zo prachtig over
zijn eigen benen kon struikelen en na de bevrijding naar Australië emigreerde
Tinus
Westland. onze linksbuiten, maar doelpunten juist altijd met zijn rechtervoet
maakte,Herman Markus,een geboren dribbelaar ,maar zich gewoonlijk muurvast liep.
Henk Veenendaal ,om niet duidelijk redenen, altijd "De Pelikaan" genoemd
en Geert Schreuder, die in Lunteren woonde maar elke zondag op de fiets trouw
present was en jarenlang de linksbackplaats bezette, Zij allen deden, met meer
of minder succes, hun best de rood-zwarte kleuren hoog te houden, maar op de
drie steunpilaren van dit elftal willen we wat nader ingaan.
Rijk
Versteeg
Daar was allereerst onze doelman Rijk Versteeg, die op bepaalde
tijden echter ook wel als rechtsbuiten fungeerde. Zelden heb ik iemand meegemaakt
die zo razend enthousiast kon zijn als alles naar wens verliep en omgekeerd even
hard grondig kon kankeren indien dat niet het geval bleek. Ook op zichzelf, want
soms kon hij heel onnozel een bal tussen zijn benen door laten glippen en daardoor
de pest in kreeg en een tijdlang niet was te genieten. Soms zelfs wilde hij op
slag in de voorhoede en werd zijn plaats onder de lat ingenomen door Henk Heyink.
Maar
toch bleef Rijk de aangewezen keeper en als hij het op zijn heupen had, bijkans
onpasseerbaar. In Barneveld heeft hij eens, bij wijze van spreken, op zijn eentje
een fraaie beker voor ons gewonnen. Dat was tijdens z.g. seriewedstrijden die
destijds in de zomermaanden veelvuldig werden georganiseerd. Vier deelnemende
ploegen speelden in de morgenuren twee aan twee tegen elkaar terwijl dan later
op de dag de verliezers en winnaars tegen elkaar uitkwamen. Met kunst en vliegwerk
waren we in de finale gekomen en moesten het opnemen tegen de plaatselijke club
"De Schaffelaar". Blijkbaar hadden we al ons kruit reeds verschoten,
want we kregen geen voet aan de bal, het werd een aanhoudende stormloop op
het doel van Rijk. Maar die had juist zijn dag: alle mogelijke en onmogelijk ballen
ranselde hij eruit, ondertussen schreeuwend tegen de voorhoede spelers er ook
eens wat aan te doen. Even voor afloop kreeg Marinus v. Alfen, gebruik makend
van het alsmaar opdringen van de tegenpartij een kans en wonnen toch nog met
1-0. Triomfantelijk werd een van alle kanten glunderende Rijk op onze schouders
van het veld gedragen.
Toon Lens
De beste speler van dit elftal
was ongetwijfeld Toon Lens, die de rechtsback plaats bezette. Een jongen die gezien
zijn capaciteiten veel hoger had kunnen spelen maar toch altijd "Edese Boys"
is trouw gebleven. Toon bezat precies het tegenovergestelde karakter van Rijk.
altijd kalm en rustig, spande zich niet meer in dan nodig was en had een uitgesproken
hekel aan hard lopen; hij bracht het nooit verder dan een sukkeldrafje. Hij bezat
een enorme trapvastheid, stond stevig op zijn benen en maakte zijn gebrek aan
snelheid goed door, als hij werd gepasseerd, een handig en vrijwel onopgemerkt
gebruik van zijn achterwerk te maken waardoor zijn tegenstander uit balans raakte.
Als specialist nam hij vrijwel alle vrije trappen tot zelfs corners toe al werd
hem dat eens bijna noodlottig.

Zoals
eerder gezegd, het terrein was eigendom van de EWM die voor waterwinning van tijd
tot tijd nieuwe putten
liet graven. Om ons terwille te zijn gebeurde dat wel
buiten het speelveld; zo begon men voorjaar 1935 te graven in
de rechterbenedenhoek
ongeveer vijf meter vanaf de zijlijn. Die zondagmiddag daaraan volgend kregen
we, juist in die hoek een corner te nemen en gewoontegetrouw zou Toon dat wel
even opknappen. Hij nam zijn aanloop en was plotseling van de aardbodem verdwenen.
Al achteruit lopend was hij te ver gegaan en viel ruggelings in het gat dat gelukkig
nog maar twee meter diep was. Met vereende krachten werd Toon naar boven gehaald;
hij mankeerde gelukkig niets en nam onverstoord alsnog de hoekschop. Toon bezat
een vrijwel altijd gelijkmatig humeur winnen of verliezen beurde hij ook niet
al te zwaar aan "als je maar lol hebt" was zijn stelregel.
Ook buiten
het voetbalveld zat hij vol grappen en streken waarvan ik er verschillende heb
meegemaakt en er hier
twee volgen. Een wat schuchtere jongen had hem toevertrouwd
graag eens met een meisje uit te willen. "Daar kan
ik wel voor zorgen",
meende Toon, "kon zondagavond om acht uur maar bij het Postkantoor."
Hij had ons ingelicht en verscholen in Achterdoelen zagen we hoe Toon, gehuld
in een lange jurk van zijn zuster, koket hoedje op het
hoofd, compleet met
handtasje, aan kwam dribbelen om even later, stevig gearmd met de jongen op stap
te gaan .
Ver kwamen ze niet want een daverend, niet te stuiten, gelach van
onze groep maakte een abrupt einde aan
deze verkering, waarna het hele stel
in café "De Paasberg" belandde. Ook heeft hij eens op een donkere
najaarsavond voor spook gespeeld. Gestoken in een groot wit laken, met slechts
twee kijkgaten voor de ogen, een brandende zaklamp op het hoofd gebonden en
zijn armen met twee stokken verlengd, zweefde hij een tijdlang de Arnhemse straatweg
op en neer, waarbij hij argeloze voorbijgangers de stuipen op het lijf joeg.
Aartje
Hoef
De derde die we wat uitvoeriger vermelden en ook bij de huidige generatie
nog goed in het geheugen ligt is Albert
v.d. Hoeve, beter bekend als Bartje
Hoef. Als mede-oprichter tot aan de dag van zijn plotseling overlijden, 2 maart
1984, was hij onafgebroken lid en is, in verschillende functies van onschatbare
waarde voor "Edese Boys" geweest. Wij speelden in de geijkte opstelling
van die tijd: voor de keeper twee achterspelers, die het binnentrio van de tegenpartij
in bedwang moesten houden, dan de middelinie met een links en rechtshalf waartussen
een aanvallende spil en vervolgens de vijf man sterke voorhoede. Bart bezette
steevast de linkshalf plaats en probeerde de vijandelijke rechtsbuiten uit te schakelen.
Nu was Bart, eerlijk gezegd geen topvoetballer maar bezat zo zijn eigen manier
van spelen. Onophoudelijk bleef hij zijn tegenstander voor de voeten lopen, soms
nog met succes ook. Daarbij zeer chauvinistisch, al hadden we met 6-0 verloren,
na afloop zat hij in alle ernst te beweren dat we eigenlijk verdiend hadden te
winnen.
De helft van de doelpunten van de tegenpartij was in buitenspelpositie
gemaakt, de anderen blunders van onze
doelman terwijl we zelf minstens vier
opgelegde kansen hadden laten liggen. De een na de ander van het stel
verdween,
maar Bartje Hoef bleef.
In moeilijke jaren heeft hij de club op de been gehouden;
zijn woning aan de Bergstraat was jaren lang de zoete inval voor elk Boyslid waar
zijn vrouw Henny, als een moeder van een groot gezin altijd met koffie en chocolademelk
klaar stond. Toch kreeg ook Bart lang niet altijd de haver die hem toekwam: in
de oorlogsjaren nam hij ook het onderhoud van de ballen voor zijn rekening. Een
tijdrovend werk daar aanschaf van nieuw materiaal geleidelijk onmogelijk werd
en de ballen uit de treure werden opgelapt. Eens had hij een hele zaterdagmiddag
opgeofferd om voor de volgende zondag twee bespeelbare ballen te hebben. Helaas,
de volgende ochtend lagen ze weer leeggelopen in de schuur; opnieuw aan de slag
en hij slaagde erin even voor het begin van de wedstrijd met de ballen op het
veld te komen. Als dank ontving hij een algemeen gekanker; hoe haalde hij het
in zijn hoofd om op het laatste nippertje met de onmisbare ballen te komen aanzetten,
protesten die Bart maar gelaten over zich heen liet gaan.
Zo was Bartie Hoef,
de stille werker, vaak op de achtergrond maar wiens leven verbonden was met zijn
club, en
wiens naam blijft voortleven in de eerste steen van het clubhuis.
Dit
waren zo maar een paar losse notities van een aantal iongens,vrijwel allen in
het vergeetboek geraakt, maar
die de grondslag hebben gelegd voor de thans
zestig iarige voetbalvereniging "Edese Boys". De watertoren is
verdwenen
en op de plaats van het voetbalveld staat thans het rusthuis "Bethanië".
Het zou theoretisch mogelijk zijn dat een bejaarde zijn kamer heeft precies boven
de plaats waar eens Rijk Versteeg zijn doel zo fanatiek verdedigde.
H.
J. Nijenhuis


