Het
komend najaar hoopt de voetbalvereniging "Edesche Boys" haar zestig
jarig bestaan te herdenken. ongetwijfeld zal aan dit feit de nodige aandacht worden
geschonken maar de schrijver van deze regels die de allereerste jaren heeft meegemaakt
leek het aardig, misschien wel vanuit een beetje nostalgie over deze periode te
vertellen. Daarbij willen we het niet direct hebben over voetbalprestatie's, maar
wel hoe een aantal eenvoudige jongens, voor het merendeel net van de Paasbergschool
gekomen, gezamenlijk, zonder enigehulp, een voetbalclubje in het leven riepen
dat, hetgeen zij nooit konden vermoeden, het nu toch maar zestig jaar heeft
volgehouden.
Het gros van dit stel was afkomstig van Bunschoter en Kreelseweg
en trok op zomeravonden naar de ingang van het nabij gelegen Edese bos. Daar
tussen de machtige beukenstammen waar tegen de bal de meeste vreemde sprongen maakte,
haalden we ons hart op aan het bruine monster, zeer tot ongenoegen van de dicht
bijwonende bosbaas P. Waanders, die de rust in zijn bos, door veel geschreeuw
verstoord zag.
Na het verlaten van de school was het normaal dat je aan
het werk ging veelal had het hoofd van het gezin al een baas opgezocht waarbij
met eigen aspiraties weinig of geen rekening werd gehouden. Belangrijker was dat
er geld binnen kwam maar, wat veel verzoende, je kreeg zelf ook een paar zakcenten.
Dat opende mogelijkheden en we besloten een echte voetbalclub op te richten.
Sinds
1920 bestond de v.v. "Ede", maar die had haar terrein in "het Park"
zoals het huidige Ede-Zuid destijds werd genoemd, een voor ons onbekende omgeving
en bovendien veel te ver van huis.
Wel waren op bepaalde tijden ook in het
oude dorp enkele pogingen ondernomen om een voetbalclub van de grond te krijgen
maar die waren geen lang leven beschoren. De bekendste daarvan is de v.v. "Juliana"
geweest waarvan ook de later zo bekend geworden schrijver Jac. Gazenbeek eens
deel uitmaakte.
Spontaan
Maar om op onze club terug te komen.
twaalf jongens met een gemiddelde leeftijd van vijftien jaar werden spontaan lid
en offerde elk een gulden om allereerst een bal te kunnen kopen.
De contributie
werd, althans voor die jaren, vrij hoog vastgesteld op een kwartje per week, geld
dat beheerd werd door de oudste onder ons, Ruth van der Hoeve. Als oprichtingsdatum
werd aangenomen 1 oktober 1927 en wat maar weinigen zullen weten, we begonnen
onder de welluidende naam "Rode Duivels", zoals de Belgen betiteld werden
als zij tegen Nederland speelden.
De uitrusting, schoenen en kleding, kwam
geheel voor eigen rekening zodat onze hobby het gehele zakgeld,
gemiddeld een
gulden per week opslokte Nu we echte voetballers waren geworden konden we toch
bezwaarlijk in het Edese bos blijven rond hollen. Derhalve trekken we naar
de hei waar nabij de Sysseltselaan een zand en
grintveld lag bezaaid met grote
en kleinere stenen die voor minstens evenveel blauwe plekken zorgden als een tegenstander.
Ook de doelen waren levensgevaarlijk daar de bovenleggers los op de staanders
lagen met alle risico's van dien. Voor kleedkamers deden een paar vliegdennen
dienst, zodat bij een onverwachte plensbui het Zondagse pak enigermate droog bleef.
Dus
trokken we voortaan vrijwel elke Zondagmiddag naar de hei waar, nadat we in het
bezit waren van hel-rode shirts, een kleur die goed bij onze naam paste, door
de fotograaf Corn. Hartgers, de allereerste foto werd gemaakt.
De opstelling
daarvan was in de klassieke stijl van die tijd: staande de voorhoede, gehurkt
de middelinie en op de voorgrond de achterhoede.
Voordeel
Ondanks
alle bezwaren had dit terrein één voordeel; het lag ver van de bewoonde
wereld, zodat onze ouders onkundig bleven van wat hun spruiten uitvoerden.
Het Ede van die jaren liep allerminst warm voor sportbeoefening, deels uit
godsdienstige overtuiging, terwijl anderen het zonde vonden van de tijd die zoveel
beter besteed kon worden. Voor de eerste opvatting kwam de Zondag helemaal niet
in aanmerking en juist uit deze kringen kwamen nogal wat leden van het eerste
uur. Het betekende voor hen een speciale handicap en soms bleken slinkse manieren
al of niet gepaard gaande met huiselijke botsingen nodig, om op tijd voor een
wedstrijd present te zijn.
Weliswaar bestond toen ook reeds een vrije zaterdagmiddag
maar deze werd gevuld met allerlei karweitjes die door de week bleven liggen.
Schoenen poetsen, tuin harken, op het land werken, brandhout in het bos halen,
altijd stond er wel wat op het programma. Dus bleven we, al of niet met tegenwerking
van ouders op zondag voetballen, maar de hei begon gauw haar aantrekkingskracht
te verliezen.
Je kon daar slechts onder elkaar spelen, een werkelijke tegenstander
was gezien het ontbreken van ook maar de hoogstnodige accommodatie, onmogelijk.
Wel trokken we al naar Lunteren, waar achter de Lunterse koepel op een heiveld,
een stel vooruitstrevende jongens zich op dezelfde manier bezig hielden en namen
zelfs eens deel aan seriewedstrijden van de v.v. "Jonge Kracht' te Wageningen,
maar we wilden meer.
Voetbalbond
Derhalve lieten we ons, begin
1928 inschrijven bij de toenmalige Arnhemsevoetbalbond, zonder te beseffen wat daar
allemaal aan vast zat, hetgeen al gauw in een uitvoerig schrijven duidelijk werd.
Allereerst moest een bestuur worden opgegeven, een noodzakelijkheid waar we nooit
bij hadden stilgestaan: Ruth beheerde de centjes en deed dat prima: de rest werd
onder elkaar geregeld. Het ging er zeer democratisch naar toe; elk lid kon zijnzegje
doen en deed dat gewoonlijk ook.
Henk ten Ham, een jongen die veel meer verstand
van muziek dan van sport bezat; hij is bijkans een halve eeuw een zeer gewaardeerd
lid van "De Harmonie" geweest, werd tot voorzitter gebombardeerd. Gert
Jan v. Holland die reeds zorgde voor contacten met andere verenigingen en bovendien
een fraai handschrift bezat, werd secretaris en Ruth v.d. Hoeve natuurlijk penningmeester.
Er werden nog twee namen aan toegevoegd, die in het vergeetboek zijn geraakt en
het allereerste bestuur was compleet.
Achteraf bekeken hadden we toen een paar
oudere mensen, die iets van organiseren afwisten, moeten polsenom een bestuur
te vormen, maar daar werd geen moment aan gedacht. We bleven onze eigen boontjes
doppen en wilden geen volwassen pottekijkers, die wel even zouden zeggen hoe het
al of niet moest. Fout natuurlijk maar wel werd hierdoor de kiem gelegd voor een
kameraadschap en saamhorigheid die altijd zo 'n belanrijke rol bij "Edesche
Boys" heeft gespeeld.
Vervolgens moest de naam worden gewijzigd wat
we jammer vonden: "Rode Duivels" klonk te stoer. Met algemene stemmen
werd het nu v.v. en a.c. "Edesche Boys'., nog met sch. Dat v.v. en a.c. was
in die jaren gebruikelijk het gaf aan dat de vereniging in de wintermaanden
de voetbalsport en in het zomerseizoen athletiek oefende.
De derde eis was
verreweg de moeilijkste we moesten over een behoorlijk speelterrein met kleedruimte
beschikken op het eerste gezicht een vrijwel onmogelijke opgave. In het dorp was
geen sportveld te bekennen en op medewerking van de overheid viel niet te rekenen
Toch kwam ook dit probleem tot een oplossing, dank zij medeoprichter Frans Schoonderbeek.
Zijn vader was bedrijfsleider bij de Edese Watermij, destijds nog een particulier
bedrijf. Achter het pompstation aan de Klinkenbergerweg lag een braak stuk grond,
eigendom van de maatschappij, bestemd voor het aanboren van nieuwe waterputten
en dank zij zijn bemiddeling mochten we daarvan gebruik maken.

De
gehele zomer van 1928 werd met man en macht gewerkt om het terrein zo goed mogelijk
te egaliseren en van struikgewas te ontdoen. Een ding was niet te verhelpen:
het veld bezat een enorm hoogte verschil: daardoor spraken we altijd van "berg
op en berg af" spelen. Uiteindelijk kon je het met een beetje goede wil een
voetbalveld noemen vooral toen de doelpalen er eenmaal stonden.
Nog altijd
staan er aan de tegenwoordige Van Heeckerenlaan, destijds een doodlopend pad,
twee woningen verbonden door een garage. Daar woonden in die tijd de families
Schoonderbeek en Van de Vlag die ons in deze beginperiode onschatbare diensten
hebben bewezen Zij stelden belangloos hun schuurtjes als kleedkamers beschikbaar
en de scheidsrechter mocht gebruik maken van een zijkamertje in de woning van
Schoonderbeek. We waren op ons eigen terrein waarvoor niet alleen hard was gewerkt
maar ook de nodige zakcenten in waren gestoken.
Helaas de terreincommissie
van de A.V.B. dacht er anders over: er mankeerde van alles aan. De maten van doel
en strafschopgebied klopte niet en stonden bovendien niet haaks op elkaar; de
doelen waren zeven centimeter te laag, er moest een afrastering rond het speelveld
komen en we bezaten geen netten.
Opnieuw werden handen uit de mouwen gestoken
en na een nieuwe keuring ruim een maand later werd het
terrein, voorlopig voor
één jaar goedgekeurd, een beslissing die zich nog ettelijke keren
zou herhalen.
Maar we hadden ons doel bereikt en konden in het seizoen 1928-29
voor het eerst aan competitievoetbal
deelnemen. Een daverend succes werd het
nu direct niet waarover in de tweede aflevering meer .
H.
J. Nijenhuis
