Weinig mensen zullen er nog weet van hebben
dat een halve eeuw geleden onze gemeente op
zondag zo goed als was drooggelegd.
Tijdens de raadsvergadering van 11 januari 1929 werd
een adres behandeld van
de Nederl. Bond tot Drankbestrijding, waarin werd aangedrongen op
algehele
sluiting van vergunning en verloflokalen op zondag.
De Raad voelde er veel
voor, maar de minder conservatieve burgemeester Creutz meende een dergelijk verzoek
niet in een vloek en een zucht te kunnen afdoen en wilde eerst onderzoeken hoe
een dergelijke bepaling elders werkte. Hij nam er de tijd voor, in de hoop dat
het adres in vergeetboek of prullenmand zou belanden.
De beide wethouders,
samen de meerderheid in het College, namen tenslotte zelf het initiatief. Zij
stelden een wijziging van de Politieverordening voor, waarin werd bepaald dat
voortaan alle cafés en hotels in de gemeente Ede op zondag gesloten
moesten blijven. Die dag mochten alleen de houder van de lokaliteit, diens gezin
en logeergasten, mits als zodanig ingeschreven, in het bewuste pand aanwezig zijn.
Raadsvergadering
Als punt vijf van de agenda werd deze verordening
in de vergadering van 20 juli 1932 behandeld. De publieke tribune was overvol.
De kwestie had de gemoederen danig in beweging gebracht, getuige ook de vele adressen,
ingediend zowel door voor en tegenstanders. Onder de eerste groep die van verschillende
kerkenraden en "Patrimonium". Uit het andere kamp bezwaren o.a. van
particu1ieren Horeca en Edese besturenbond.
De A.R. kiesvereniging wijdde
er op 11 juli 1932 een speciale vergadering aan die naar
straks blijkt de
doorslag zou geven. Als eerste spreker kwam de heer Oostwaard, een felle tegenstander,
aan het woord. Hij dacht meteen een goede slag te slaan door er op te wijzen dat
de adressen van de kerkenraden niet gezegeld waren, dus van nul en generlei waarde.
De voorzitter moest hem teleurstellen: adviesbrieven, waarvan hier sprake was,
behoefden niet op gezegeld papier te worden. ingebracht.
De heer De Klein fulmineerde
heftig tegen het voorstel: hoopte dat de Raad voldoende ruggegraat zou tonen om
de zweepslagen van Kersten en Zandt (destijds bekende voormannen van de Staatkundig Gereformeerde
Partij) op te vangen.
Een andere kant van de zaak werd belicht door de heer
Bekaar; wees op de financiële gevolgen voor de gemeente. Indien café
en hotelhouders op zondag niets verdienden, brachten zij minstens honderd gulden minder
belasting op. Daarmee hadden de voornaamste tegenstanders hun zegje gedaan en was
de beurt aan naar men aannam de overgrote meerderheid.
Motie
Wethouder
v.d. Voort, de heren Hardeman, de Koning en anderen toonden zich warme voorstanders
van de ingediende verordening, tot. de heer Pereboom (AR) het woord kreeg. Die
zette uitvoerig het standpunt van zijn Partij uiteen. De Overheid diende weliswaar
de zondagsrust te. bevorderen, maar bezat niet het recht andersdenkenden haar
wil op te leggen, waarvan in het onderhavige geval duidelijk sprake was. Zijn fractie
zou tegen stemmen en derhalve diende een motie in waarin gevraagd werd het betreffende
voorstel in te trekken.
Alom verbijstering in het rechtse deel van de Raad:
met medewerking van de AR leden zou de
verordening er met vlag en wimpel doorgekomen
zijn. Verwarde debatten volgden, maar een opgeluchte burgemeester Creutz maakte
daar een eind aan door de motie in stemming te brengen. Deze werd met veertien
tegen negen stemmen aangenomen, zodat zowel Edenaar als toerist dank zij de heer Pereboom
in onze gemeente ook op zondag hun glaasje bier konden kopen.
H.J Nijenhuis
 
|