Een gemeente op de bres voor haar voorganger

Men kent ongetwijfeld de uitdrukking: "er gaat een dominee voorbij", als, bijvoorbeeld op een
verjaardagsavond, het gesprek even stokt. Hierin ligt eigenlijk een schuchtere eerbied voor de geestelijke verzorger opgesloten. Immers, vooral vroeger, was zijn positie in kleine dorpsgemeenschappen vrijwel onaantastbaar. Niet alleen zijn uiterlijk, stemmig zwart
gekleed met hoge hoed op, droeg daar toe bij, maar vooral zijn woorden waren met gezag bekleed, zodat daar aan niet getornd werd. Zeker, binnenskamers,mocht de man nog wel eens over de tong gaan, dokter en dominee zijn nu eenmaal op een dorp de meest,besproken mensen, maar als deze laatste het hart op de juiste plaats droeg, kon hij geen kwaad doen en
weid door zijn gemeenteleden opgedragen.
   

Uit mijn jeugd herinner ik mij, waarschijnlijk met vele andere oudere Edenaren, nog een dergelijke figuur, namelijk ds. v. Boven.
Nog zie ik deze predikant, toen al op leeftijd, met zijn martiaal uiterlijk en statige pas naar zijn. nu al
lang verdwenen, pastorie aan de Grotestraat lopen. Van zijn preken is niet veel blijven hangen, ik was
er trouwens ook te jong voor, maar wel is mij altijd de tekst bijgebleven die hij behandelde de Zondag
na de stormramp van Borculo in 1925. Deze luidde: "Het mensdom heeft en staat verwonderd, als de
stem des Heren dondert."
Ds. J. A. van Boven, geboren juni 1853 en op 15 september 1879 als predikant bevestigd, heeft twee
maal in Ede gestaan, zoals een geijkte term dat uitdrukt. Hij deed hier zijn intrede voor de eerste
keer in 1891, als opvolger van ds. W. R. Kalshoven, door de mensen steevast Kalfshoven genoemd. Al
spoedig werd ds. v. Boven door zijn beminnelijk optreden zeer populair bij de gemeente. Hij had
voor een ieder, ongeacht rang of stand, een open oor, was een troost voor zieken en bejaarden, kortom een man uit het goede hout gesneden. Bijzondere aandacht kreeg de jeugd, een terrein dat destijds volkomen braak lag.

Met enkele anderen stichtte hij de Zondagsschool "het Mosterdzaadje" op in 1892 en drie jaar later een jongelingsvereniging, zoals een club voor jonge mensen toen nog plechtig werd genoemd. Hoe de mensen zijn werk waardeerden en als één man achter hun dominee stonden, blijkt uit de volgende geschiedenis die de heer L. C. Schreuders vertelt in zijn boek "Rond de grijze toren" en die wij hier met eigen woorden laten volgen.


In de eerste ambtsperiode van ds. v. Boven waren de mogelijkheden tot vermaak en ontspanning in
ons dorp uiterst beperkt. Van toneelvoorstelling of wat daarmede samenhangt, was nog geen sprake.
'Daarom waren er handige ondernemers die met tweederangs acteurs het platteland afreisden om
ook kleinere plaatsen dit kunstgenot te brengen. Naar gelang de interesse van de bevolking bleef
men één of meer dagen om daarna het tournee te vervolgen.
Op een zaterdag in het najaar van 1895 arriveerde een dergelijk gezelschap in ons dorp en sloeg zijn ,
tenten op aan de toen nog geheel onbebouwde hoek Boslaan-Kreelseweg. Het uit vijf mensen bestaande muziekkorps trok, dapper blazend, direct door de straten van het dorp om de bevolking van dit heugelijke feit op de hoogte te brengen. De eerste voorstelling zou de volgende maandagavond
plaatsvinden.
Reeds dezelfde middag kwamen heel wat Edenaren een kijkje ne men bij de opbouw van de tent,
zoiets zag je niet elke dag. De directeur, zijn pappenheimers kennende, kondigde aan geen vulgair
stuk te zullen brengen maar dat in Ede "De Kerstnacht" op het programma stond, zodat geen mens
zich gekwetst zou voelen. Ds. v. Boven, die trouw op de hoogte werd gehouden, dacht daar
echter anders over, misschien wel juist door de titel van het stuk. De volgende zondagmorgen wees hij
zijn toehoorders er op dat een bezoek aan een dergelijke wereldse instelling allerminst past te voor de
oprechte gelovige en daarom met klem moest worden ontraden. Deze uitlatingen kwamen ook het toneelgezelschap ter ore waar men zeer verontwaardigd bleek. Als tegenactie trok maandagochtend het orkest naar de pastorie, hield daar halt en speelde een uur lang populaire straat deuntjes. De passerende hoogst ongepast, in tegenstelling tot de straatjeugd die zich kostelijk amuseerde.

Diezelfde middag bracht ds. v. Boven een bezoek bij een ernstige zieke die aan de Boslaan woonde en passeerde dus de tent van vermaak.
Verschillende leden van het gezelschap zagen hem gaan en spuiden een regen van vloeken en
scheldwoorden, wat zich een uur later op zijn terugweg, herhaalde.
Voorbijgangers die een en ander gehoord en gezien hadden, spraken daarover hun afschuw uit. Dat
de geliefde voorgangers zo door een stel rabouwen werd beledigd nam men niet. De koppen werden
bij elkaar gestoken, een aantal opgewonde mannen, het zullen wel niet de beste gemeenteleden zijn
geweest, besloten tot radicale wraakneming. De voorstelling 's avonds zou grondig worden verstoord en de tent zodanig vernield, dat geen tweede kon volgen.
Die avond liep de tent vol ,duidelijk bleek dat niet iedereen de woorden vanaf de kansel ter harte
had genomen. Nadat de voorstelling was begonnen, hielden de raddraaiers zich onledig met het opbreken van straatstenen en deze op hopen te gooien. Al gauw was er munitie genoeg, maar het aantal deelnemers viel tegen, alleen met voldoende mensen kan men dergelijke zaken met succes ondernemen; met een paar ordeverstoorders wisten de veldwachters wel raad.


De leider van het stel kreeg een lumineus idee, de brandklok moest geluid worden, dan liep het halve
dorp uit. Een paar takkenbossen werden gehaald en in brand gestoken, waarna er een op een draf
naar de toren holde.
Even later klonken de zware sombere klanken over het dorp.
Het bleek een schot in de roos, als altijd stoven de dorpelingen naar de toren om op de kreet: "waar is
de brand" te horen "aan de Boslaan". AI spoedig was een grote menigte rond de tent verzameld en
ging men tot het bombardement over.
De stenen vlogen tegen het tentzeil, op zwakke plekken zelfs er door zodat de verschrikte bezoekers naar buiten stormden en een goed heenkomen zichten. De voorstelling werd afgebroken; de angstige acteurs met hun directeur voorop, trokken zich terug in hun woonwagen. De inmiddels gearriveerde twee veldwachters die ons dorp rijk was, konden tegen de massa weinig uitrichten. Eerst nadat de tent volkomen onbruikbaar was geworden, dropen de mensen af. Het mocht een wonder worden genoemd dat er geen slachtoffers waren gevallen.
Nog diezelfde nacht werden de restanten van tent en opstellen opgeladen en was het gezelschap voor dag en dauw vertrokken; de beledigingen aan het adres van ds. v. Boven waren gewroken. Deze,
geheel onkundig van het gebeuren, werd de volgende morgen pas van een en ander op de hoogte gebracht. Hij toonde zich zeer verbolgen, maar zijn reactie: "Gij zult geen kwaad met kwaad vergelden", kwam helaas te laat.

ds. Kalshoven ds.van Boven
ds.W.R. Kalshoven
ds.J.A.van Boven


In 1897 vertrok ds. v. Boven naar oud-Beyerland om in 1914, tot grote vreugde van hervormd
Ede weer terug te komen, naast de later, vooral door de politiek zo bekend geworden, ds. P. Zandt, die echter in 1919 naar Delft vertrok.
Tot 1923, toen ds. Japchen de gelederen kwam versterken, heeft ds. v. Boven daarna het omvangrijke
werk van de steeds groeiende gemeente alleen verricht In 1927 aanvaardde hij een beroep uit
Hoevelaken, waar hij 6 april 1933, bijna tachtig jaar oud overleed.
Emeritaat of pensioen heeft hij niet gekend, tot enkele weken voor zijn dood heeft hij zijn ambt
volledig uitgeoefend. Donderdag 20 april werd deze man, die zo'n werkzaam leven had geleid onder
grote belangstelling te Hoevelaken begraven.


Niet alle dominees mochten zich in een dergelijke trouw van hun volgelingen verheugen. Tot besluit
een aardig voorval op dit terrein dat zich afspeelde in Otterlo, een dorp dat destijds blijkbaar geen grote aantrekkingskracht uitoefende op predikanten. Althans, na het vertrek in 1881 van ds. Lint naar
Oisterwijk, zat men jarenlang zonder voorganger,men reisde stad en land af, de kerkenraad bracht beroepen uit, alles tevergeefs, tot eindelijk, dertien jaar later, ds. Jacobus, Joh. Kuyper de vacature kwam vervullen. Het werd geen succes; deze man toonde moderne opvattingen en washeel wat minder zwaar op de hand dan zijn gemeente.
Dat leidde onherroepelijk tot botsingen,dominee wilde tijdens de dienst naast psalmen ook gezangen laten zingen. De eerste maal dat hij een dergelijk lied op gaf, begon de organist weliswaar te spelen, maar de gemeente zweeg als het graf. Een volgend maal werd het nog erger, alle mannen kwamen overeind en zetten demonstratief hun pet op, daardoor te kennen gevend dat het met hun eerbied gedaan was.
D.s. Kuyper gaf de moed op, doch nam op zijn manier wraak door het volgende psalmvers te
laten zingen: " Wil toch niet stug gelijk een paard weerstreven, of als een muil, door domheid voortgedreven." ,
Nee, ds. Kuyper heeft het in Otterlo niet gemakkelijk gehad, na 5
jaar, een periode die fatsoenshalve uitgediend moest worden, vertrok hij naar elders.

H.J Nijenhuis