Schout contra dominee

Ditmaal eens een heeloude geschiedenis, uit gegevens van de heer S. B. J. Denijs, de vroegere gemeentearchivaris. Deze heeft heel wat oude verhalen uitgeplozen en schreef bovendien een interessant boekje over huize Kernheim. Zoals gezegd, het is lang geleden, maar niettemin wel aardig en dan in de taal van deze tijd, na te vertellen.


Van 1722 tot 1737 was ds. w. van Irhoven voorganger in de aloude Ned. Herv. Kerk. Deze man was een krachtige figuur en niet te beroerd om zelf ook de handen uit de mouwen te steken.
Hij bemoeide zich met het onderwijs, keerde zich fel tegen onbehoorlijke levenswandel en hield bij alle mogelijke zaken een vinger in de pap. Bovendien was ds. v. lrhoven zeer ontwikkeld; als student ging er al een roep van hem uit. Ook tijdens zijn Edese jaren bleef hij studeren, zodat hij de gemeente als hoogleraar verliet. Voor al zijn verdiensten heeft men, niet ten onrechte, in later jaren een straat naar hem genoemd, de v. Irhovenlaan

Maar wat meer voorkomt bij mensen met een dominerend karakter ook aan vijanden ontbrak het hem niet. Zijn grootste tegenstander, zeker niet de eerste de beste, was schout Henrick Ooters, die het niet bijster op de godsdienst had begrepen. In die dagen was de schout een belangrijk man; aangesteld door de Ambtsjonkers, later de repuliek, moest hij de openbare orde handhaven, trad op als ontvanger der belastingen en regelde verkopingen. Om hem bij al die werkzaamheden behulpzaam te zijn, had hij één of meer onderschouten in dienst. De neer Otters was op18oktober 1717 als zodanig benoemd, hij overleed in 1747.

Tijdens de Franse republiek werd de naam schout vervangen door maire, daarna werd het burgemeester.
De schout had, rechtens zijn functie van oudsher de beschikking over een vrije bank in de kerk.
Hoewel Otters, uit principe, daar nooit kwam, maakte zijn zuster daar wel gebruik van. In de maand februari 1734 werd een nieuwe klok gegoten door Nicolaas Muller te Amsterdam, in de toren aangebracht. Nu er toch ambachtslieden aan dit karwei te pas moesten komen, besloot men ook de kerk maar een opknapbeurt te geven. Onder leiding van ds. v. Irhoven gingen de kerkeraadsleden op stap om de kosten zoveel mogelijk op de lidmaten af te wentelen.
Zij sloegen geen lid over en kwamen zodoende ook bij de familie Jochemsen in de Maanderbuurt.
Deze hadden heus wel wat voor het goede doel over, maar beklaagden zich dat door al dat gerommel en de vele omzettingen van zitplaatsen, de vier stoelen die de familie al jaren in gebruik had, verdwenen waren. Elke zondag moesten zij naar een andere plaats omzien, soms was naast elkaar zitten niet eens mogelijk.


Inderdaad, men had een nieuwe indeling van de plaatsen gemaakt, een mens wil wel eens verandering.
Dominee beloofde een oplossing te zoeken. Na veel passen en meten zag men kans, zij het aan de andere
zijde van de kerk een plekje voor de stoelen te vinden. Wel moest daar voor de bank van juffrouw Otters wat naar achteren verplaatst worden, maar dat leek geen onoverkomelijk probleem. De familie Jochemsen tevreden; zelfs stemden zij er in toe twee stoelen af te staan aan het domineesgezin. Dit was in de loop der jaren zodanig uitgebreid dat niet voor allen plaats was in de domineesbank. Bij hen juist het omgekeerde: de ouders van het echtpaar Jochemsen werden te oud om de verre tocht naar de kerk elke zondag te maken, zodat twee stoelen ook voldoende waren.


Alles leek dus naar genoegen te zijn opgelost, maar het zou anders lopen. Nadat de zaak in kannen en
kruiken was, kreeg de oudste kerkmeester, Arend van Bemmel bezoek van de onderschout Crol boom. Deze gelastte, in opdracht van zijn baas, schout Otters, onmiddellijk de bank van diens zuster weer op de oorspronkelijke plaats te zetten. De kerkmeester zei ronduit, dat hij daar niet aan dacht: zij deelden de plaatsen in naar hun goeddunken en daarmee uit. Zaterdag 23 febr, het karwei was klaar en de kerk grondig schoongemaakt, onderwierpen dominee en v. Bern. temei de kerk aan een laatste inspectie. Tot hun grote woede zagen zij de vier stoelen verspreid door de kerk liggen en de bank van mej. Otters weet op de oude plaats staan.
Direct werd de timmerman, Rutger van Vijzelopdracht gegeven nog diezelfde dag stoelen en bank in de door hen aangegeven volgorde te zetten. De volgende dag, zondag 24 februari, stond 's morgens reeds om half negen de koster bij dominee op de stoep met de mededeling. dat hij, zij het onder dwang de sleutels van de kerk aan de onderschout had gegeven. Wat dominee al had gevreesd, werd waarheid toen hij anderhalf uur later de kansel beklom.
De stoelen waren verdwenen en Juffrouw Otters zat triomfantelijk in haar bank. Bijna ontglipte hem vanaf deze gewijde plaats een lelijk woord, maar hij beheerste zich.
Stijfkoppig als hij was, scharrelde de dominee na de dienst de vier stoelen bijeen en zette voor de derde maaleen en ander In de juiste stand. Tevens gaf hij de koster opdracht, kerkeraadsleden uitgezonderd, aan niemand de sleutels meer af te geven.
Ziezo, nu was het wel afgelopen, maar hij had buiten de waard gerekend. Nu ging schout Otters zich persoonlijk met de zaken bemoeien. In zijn kwaliteit als hoogste gezagsdrager, eiste hij de sleutels van de kerk op; nu viel aan weigeren niet te denken.

Vervolgens ging de schout naar timmerman Teunis Brouwer en gaf deze opdracht voor twee zware palen, vier stevigen bouten en het nodige gereedschap te zorgen. Aldus uitgerust vertrok het tweetal nog diezelfde middagnaar de kerk: De bank werd voor de zoveelste maal weer naar voren gehaald. Teunis haalde wat estrikken uit de vloer en groef aan weerszijden van de bank een diep gat.
Daarin werden de palen gezet; gaten dichtgegooid en zorgvuldig aangestampt. Vervolgens werd door middel van de bouten, de bank onwrikbaar aan de palen verankerd. Dominee v. Irhoven had de strijd veren; tegen een dergelijk ingrijpen van hogerhand stond hij machteloos. De schout had duidelijk aangetoond wie uiteindelijk de baas was voortaan kon juffrouw Otters op haar oude vertrouwde plaats de diensten bijwonen.


De schout, wel tevreden, maar blijkbaar niet voldaan, ging door met treiteren; een paar maanden later deed hij opnieuw van zijn antikerkse gezindheid blijken. Het was eerste paasdag, de lente in aantocht, met blijde tonen riepen de klokkendie zondagmorgen de gelovigen naar het bedehuis. Het beloofde een mooie dienst te worden,naast de viering van Opstandingsfeest zou tevens het Heilig Avondmaal. bediend worden. In opgewekte voorjaarsstemming trokken de mensen op, niet alleen uit het dorp, uit de verre omgeving kwamen de boeren en boerinnen met hun knipmutsen op, in hun karretjes aanrijden.
De kerk zat dan ook propvol toen schoolmeester en voorzanger Bernhard Kerkhof. Op zijn verhoging plaats nam. Juist terwijl hij de ingangs psalm opgaf, stapte schout Crolboom de kerk binnen. Regelrecht liep hij met forse pas op Kerkhof af het orgelvoorspel brak abrupt af, terwijl de gemeente ademloos toekeek. De onderschout gelastte Kerkhor onmiddellijk mee te komen: de schout wenste dat nog vanmorgen de rekeningen van bier wijn en sigaren, die op de nodige vergaderingen van de Ambts jonkers werden geconsumeerd, gecontroleerd zouden worden.

Bij de vele Baantjes die Kerkhof, als ontwikkeld man, waren toevertrouwd behoorde ook dit werk, waarvoor hij jaarlijks een kleine vergoeding ontving.
Zachtjes, met een rood hoofd protesteerde de voorzanger die controle kon toch wel wachten tot morgen, hij mocht net nu de dienst een aanvang zou nemen, toch niet weglopen. De onderschout bleef bij deze argumenten echter onvermurwbaar, opdracht van de baas: direct meegaan, of hij verloor al zijn baantjes die de schout hem had toevertrouwd.
Nu zijn bestaan op het spel stond, zat er niets anders op; de man verliet zijn voorzangersbankje en slofte met gebogen hoofd achter Crolboom de kerk uit. De talrijke kerkgangers keken het tweetal verbijsterd na, alom gefluister werd waarneembaar: wat zou Bernhard op zijn geweten hebben. Dominee v. Irhoven, die onwetend van dit alles, nog in de consistorie verbleef, werd gewaarschuwd, het bleef onrustig in de kerk. Wel keerde even na de tussenzang Kerkhof weer terug, maar dat verhoogde slechts de nieuwsgierigheid. Door het gebeurde voelden maar weinig mensen zich geroepen aan het H.A. deel te nemen. .
Het was weer eens een pesterij van de schout geweest; nadat in "de Posthoorn" de verschillende rekeningen waren goedgekeurd en ondertekend, kon de voorzanger weer gaan. De schout bood hem heel royaal, nog een borreltje aan, maar daar wenste Kerkhof geen gebruik van te maken. Uit dit verhaal blijkt weer eens, hoe ook vroeger de mensen het elkaar in de samenleving lastig konden maken.

H. J. Nijenhuis