Edenaren op kruistocht

Ditmaal eens een heel oude geschiedenis, zolang geleden dat er geen foto's of afbeeldingen
in omloop zijn om het verhaal te illustreren. In het Nieuws en Advertentieblad .voor Ede, werd er in
februari 1914 reeds over verteld door dr. J. S. v. Veen, terwijl ook deel I van de "Geschiedenis van
Ede" er melding van maakt.
Nu, met de kroningsplechtigheden in het vooruitzicht, is het toch wel aardig, om in eigen woorden te geven welk een vurige Oranje aanhangers de Edenaren waren.
In de tweede helft van de achttiende eeuw begon zich geleidelijk ten sterke anti Oranjegezindheid
af te tekenen. Prins Willem I, de erfstadhouder, werd verweten te veel macht te bezitten, niet voldoende de landsbelangen te behartigen en een vriend van Engeland te zijn.

De ontevredenen noemden zich "Patriotten", hetgeen wilde zeggen: "ware vaderlanders". Men zou dus al van een democratisch streven kunnen spreken, zij het dat deze Patriotten veelal uit gegoede kringen voort
kwamen. Hun tegenstanders, de Prinsgezinden evenwel, telden hun aanhangers onder de minder kapitaalkrachtige burgers.
De tegenstellingen tussen beide bevolkingsgroepen werden steeds groter en bereikte een hoogtepunt
in 1785. Nadat reeds door de Staten van Holland verschillende rechten van de Prins beknot waren, werd hem in genoemd jaar ook het bevel over het garnizoen van Den Haag ontnomen. Gegriefd en woedend verliet de Prins de stad, hetgeen de Staten aanleiding gaf een aantal bepalingen uit te vaardigen. Het " Wilhelmus" werd verboden evenals het dragen van oranje en het uiten van Oranjegezinde leuzen.


Om deze en andere maatregelen kracht bij te zetten werden door de Patriotten overal in het land vrij korpsen opgericht. De gemalin van de prins, Wilhelmina van Pruisen,veel agressiever
dan haar man ,nam dat alles niet. Zij riep de hulp in van haar broer,die met behulp van de Pruisiche troepen het gezag van zijn zwager weer enigszins herstelde. Maar tot het vertrek van Prins Willem V in 1795 naar Engeland ,bij de intocht van de Fransen ,bleef ons land in twee kampen verdeeld.
Hoewel ook in Gelderland de Patriotten bezaten,vormde Ede een uitzondering: de bevolking was overwegend prinsgezind,hetgeen in het minst te danken was aan ds.Munting. Henricus Munting werd in Ede op 13 december 1767 als voorganger bevestigd en toonde zich een man van karakter. Hij behartigde allereerst de belangen van zijn gemeente zonder op de synodale regels te letten, waardoor hij nog wel
eens in botsing kwam met de kerkelijke autoriteiten. Maar de mensen konden op hem rekenen; dat
bleek in 1783 toen in ons dorp een gevaarlijke epidemie uitbrak, die talrijke slachtoffers maakte. De
helft van de destijds ruim zeshonderd inwoners werd door deze gevreesde dysenterie aangetast en
binnen drie maanden was een derde van hen overleden. Geen gezin waar de dood aan voorbij ging; ds.
Munting was in die moeilijke dagen de enige steun en toeverlaat. Zonder enige angst voor besmetting bleef hij dag en nacht onvermoeibaar in de weer om zieken en stervenden bij te staan. De band die
reeds tussen dominee en bevolking bestond, werd er nog hechter door.


Ds. Munting had al direct na zijn komst geen twijfel laten bestaan omtrent zijn politieke richting. Hij
toonde zich een vurig Oranjeklant en liet niet na dit standpunt er bij zijn kerkgangers er stevig in te hameren. Geen enkele preek waarin niet handig de passage "Weg met de Patriotten, leve Oranje", was ingebouwd. Het liet zijn uitwerking bij zijn toehoorders niet na, waarvan het overgrote deel de mening was toegedaan dat het woord van een dominee onfeilbaar was.
Zo ontstond er in Ede een sterk Oranjefront, dat zich danig liet gelden, zo zelfs dat andersdenkenden een tijdlang hun kinderen niet naar school durfden te sturen of op straat te laten spelen, uit angst dat
zij door spruiten van anders denkenden zouden worden afgeranseld.


Op dinsdag 8 maart 1775, de verjaardag van de Prins, hield ds. Munting in de morgenuren een speciale herdenkingsrede. Vrijwel alle aanwezigen droegen oranje strikjes of kokarde's, zodat de enkele "ware vaderlanders" onder hen het geraden achtten stilletjes te verdwijnen bang voor ongeregeldheden als de massa soms werd opgezweept. De predikant vergeleek de Prins met koning David, hij alleen was uitverkoren om het vaderland te redden, zonder hem was de hem geen zegen te verwachten.
Ook wij mogen niet werkeloos toezien klonk het, waarop hij weerbare mannen op nam om
evenals de Patriotten deden, een burgerwacht te formeren teneinde de Prins met woord en daad bij te
staan. Dat was tegen geen dovemansoren gezegd, naarstig ging men na afloop van de dienst op
zoek naar wapens, vooral de boeren bezaten nog weloude musketten, snaphanen of ander schiettuig. Reeds dezelfde middag verzamelde zich een stoet van dertig man voorzien van de meest vreemdsoortige wapens waarvan er helaas geen enkele schietklaar bleek. Vanaf "de Postboorn" begon men, onder luide toejuichingen van de uitgelopen bevolking aan een mars door het dorp. Militair gezien was er op deze enthousiastelingen nog wel wat aan te merken, terwijl de nutteloze wapens steeds zwaarder werden en daardoor meer last dan gemak veroorzaakten, maar een kniesoor die daar op lette. De tocht eindigde bij de pastorie; dominee was zo onder de indruk van dit spontane optreden dat hij zich aan het hoofd van de stoet stelde en men op ging naar de bakker Jan Rijnlander. Deze man, door iedereen de Oranjebakker genoemd, was een verwoed vijand van de Patriotten; hij kon hun bloed wel drinken. Onder geen voorwaarde zou hij hen ook maar een half broodje verkopen, maar gelukkig waren er meer bakkers in het dorp. In de bakkerij gekomen, liet de dominee een vat bier aanrukken en geestdriftig werd het zo juist opgerichte burgerkorps ten doop gehouden. De krijgshaftige stemming van de Edenaren steeg met sprongen jammer dat aan daadwerkelijk optreden voorlopig niet te denken viel in de omliggende dorpen, Bennekom, Lunteren en Otterlo bleef het rustig, de voorgangers daar bemoeiden zich niet met politiek, al werd er op bepaalde tijden door Edenaren, zij het zonder aanwijsbaar resultaat, wel propaganda voor de goede zaak gemaakt. De zomer verliep zonder dat men tot actie's was gekomen tot het oog viel op Renswoude, een sterk anti Oranjegezind dorp. De predikant aldaar, ds. Vinman, was weliswaar geen Patriot, maar probeerde ook niet zijn aanhang in een bepaalde richting te duwen.


In Ede was men er van overtuigd dat ook in Renswoude het ware woord gehoord moest worden. Na
overleg trok ds. Vinman er een weekend tussen uit en zou zijn college uit Ede de Zondagse dienst waarnemend. Daar maakte ds. Munting een gepast gebruik van. In een gloedvolle rede op Zondag 4
augustus 1785 hield hij de inwoners van Renswoude voor op welke ernstige dwaalweg zij waren beland; alleen het vertrouwen in de Prins en voor hem pal te staan, kon hem weer op het goede spoor brengen. Zijn gehoor kwam er niet van onder de indruk; zij bleven wat zij waren, Patriot, zeer ten ongenoegen
van de Edenaren. In navolging van de vroegere ridders die van de elfde tot de dertiende eeuw troepen
verzamelden om Palestina van Mohammedaanse invloeden te bevrijden werd besloten een dergelijke kruistocht tegen Renswoude te ondernemen, dit dorp moest bekeerd worden.

De volgende zondag, 11 augustus, na eerst nog een bemoedigende preek van ds. Munting te hebben beluisterd, trok een aantal Edenaren richting Renswoude. De burgerwacht bleef thuis; voorlopig wilde men zich bepalen tot geweldloze demonstraties, al hadden vele kruisvaarders voor alle zekerheid een knipmes meegenomen. Ter versterking was reeds in de ochtend een rijtuig uit Arnhem gearriveerd met vier
bekende oproerkraaiers waaronder Alfers en Vos uit Elburg. Belust op relletjes, zij hadden lucht gekregen van de Edese planoeo, boden zij hun hulp aan. Om deze goede bedoelingen kracht bij te zetten, boden zij de Renswoudegangers eerst voor een bedrag van twaalf gulden sterke drank aan het geen dankbaar werd aanvaard en het moreel danig versterkte.


Onder leiding van de molenaarsknecht Comelisz Evertz, werd aan de ongeveer anderhalf uur durende wandeling begonnen.
Enkele dagen tevoren, 7 augustus, was het de verjaardag van Prinses Wilhelmina van Pruisen geweest
en nu zou men de inwoners van Renswoude eens laten zien hoe zo'n hoogtijdag gevierd moest
worden. In Renswoude zelf waren reeds geruchten doorgedrongen dat een Edese invasie op komst
was. De schout Houtkamp had, bijgestaan door de drossaard, zijn voorzorgsmaatregelen genomen.
Reeds om half twee werden de eerste vreemdelingen gesignaleerd, maar het bleken een paar
Lunteranen te zijn, die al of niet bij toeval naar het dorp waren gekomen. Juist tijdens de middagdienst
trokken de ongeveer honderd Edenaren Renswoude binnen.
Zij verzamelden zich rond het kerkplein waar zij uit volle borst het Wilhelmus zongen. De twee
gerechtsdienaars schrokken van dit grote aantal demonstranten, zij waarschuwden dat dragen van
oranje en zingen van het volkslied in Utrecht, waartoe Renswoude tot de slot som dat van een geslaagde dag kon worden gesproken.
Renswoude ging met in overleg met het hof van Utrecht hoe voortaan dergelijk invasie's te
voorkomen. Als ergste boosdoener werd ds. Munting aangewezen,hem werd voor altijd verboden de
kansel van de kerk in Renswoude te betreden. Maar daarmede was niet zijn mond gesnoerd, op 18
september d.a. v. verklaarde hij in zijn preek: "Ik zal niet zwijgen, al kleefde mijn tong aan het gehemelte en al kwam het water tot aan mijn lippen". Hij heeft zijn standpunt tot 1790 in Ede verdedigd, op
30 mei van dat jaar Dam hij afscheid en vertrok naar Sloten in Friesland. De strijd tussen Patriotten en Prinsgezinden bleef woeden tot de Franse bezetting. Na afloop daarvan, in 1813 waren alle tegenstellingen verdwenen en was de gehele bevolking van ons land, zoals oudere lezers in 1945 hebben meegemaakt, eensgezind verheugd verlost te zijn van de bezetters.
H. J. Nijenhuis