Armenzorg

In een vorig verhaal is al eens de naam van ds. Wiselius gevallen, de man die van 1663 tot 1675 predikant te Lunteren was en heel wat aantekeningen omtrent zijn arbeid heeft nagelaten. Vele daarvan zijn vermeld in het boek "Geschiedenis van Ede" waaraan wij, zij het met eigen woorden de volgende regels ontlenen.


Bij de komst van ds. Wiselius verkeerde de Lunterse Hervormde gemeente geenszins In rooskleurige omstandigheden. Het waren moeilijke jaren en de financiële toestand van de gemeente was zodanig, dat amper het traktement van de voorganger betaald kon worden. Het kerkje was niet alleen veel te klein, maar bovendien slecht onderhouden. Verschillende ruiten waren vernield, zodat de wind vrij spel had. Bovendien bleken belangrijke stukken omtrent inkomsten en uitgaven, alsmede doop, trouwen lidmatenboeken niet aanwezig. Het bijhouden van de administratie omtrent kerkelijke bescheiden en armenzorg berustte bij de predikant. Zijn voorganger ds. Liesselius, had zich daar niet druk mee gemaakt ,hetgeen hij, ter verantwoording geroepen, ruiterlijk toegaf. Ds. Wiselius begon orde op zaken te stellen, alle lidmaten moesten zich opnieuw laten inschrijven en er werd een nieuw doop en trouwboek aangelegd.

Ambtsjonkers
Tot dusverre regelden de Ambtsjonkers uit Ede alle kerkelijke belangen in Lunteren. Zij hielden een vinger in de pap bij het beroepingswerk en stelden een koster aan.
Het onderhoud van het kerkgebouw viel ook onder hun bemoeiingen, maar de kleine reparaties die zij van tijd tot tijd lieten verrichten, waren bij lange na niet voldoende. Ook benoemden de Ambtsjonkers na het verhoor van ds. Liesselius, twee rentmeesters voor het zakelijk beheer van de kerkelijke bezittingen. Daarbij gingen de heren met weinig kennis van zaken te werk, althans dat vond ds. Wiselius.
Eens werden twee rentmeesters aangesteld waarvan de een, Hendrik Aalberts, geen lidmaat bleek en de ander, leger Hermensen, niet lezen of schrijven kon. Nog erger was evenwel dat de Ambtsjonkers hun vergaderingen omtrent de kerkelijke belangen vergezeld lieten gaan van een ,wat zij zelf een ordentelijke maaltijd noemden, maar wel op kosten van de Lunterse gemeente. Geen wonder dat men in Lunteren de bemoeienissen van de Ambtjonkers meer dan beu was en een eigen kerkenraad wenste voor behartiging van hun zaken. Aanvankelijk wilde ds. Wiselius niet zo ver gaan; hij vreesde moeilijkheden met de classis te Arnhem.

Commissie
Zijn voorstel behelsde het idee om een commissie, bestaande uit vijf of zes wijze mannen te benoemen, om gezamenlijk het kerkelijk werk weer in goede banen te leiden. Een aantal gemeenteleden hield echter voet bij stuk waarop ds. Wiselius bakzeil haalde en zo kwam de eerste Lunterse kerkenraad tot stand. Gekozen werden: Gerrit Jacobsen, Rijk Jacobsen, Hendrik Cornelissen en Daniel Peters.
Dominee nam hen een soort examen af op het terrein van Bijbelkennis en algemene geestelijke instelling. Alle vier werden waardig bevonden het ambt te vervullen. Ze werden in een drukbezochte kerkdienst als zodanig bevestigd.

Reglement
Er werd een reglement of, zoals men destijds sprak: "Wetten van de kerckeraadt tot Lunthoren", samengesteld, waaraan de heren zich maar hadden te houden. Zij zijn bewaard gebleven en we laten de zeven artikelen hier volgen:


1. Niemand mag naar buiten uitdragen wat in de vergaderingen besloten wordt; alleen hetgeen nodig geacht wordt, zal de gemeente bekend gemaakt worden.


2. Nog veel minder zullen de leden bekend maken de adviezen
en meningen van anderen. Hierover mag alleen op de vergaderervingen gesproken worden. De overtreder wordt gestraft met buitensluiting van drie vergaderingen, bij herhaling volgt afzetting. Deze besluiten dienen, om, vooral bij censuur, niet gewikkeld te worden in kwesties van persoonlijke haat en twist.


3 Na door de koster of jongste diaken bijeengeroepen te zijn. zal hij, die na het gebed komt, twee
stuivers boete betalen; bij niet verschijnen zes stuivers. te bewaren in een daarvoor aangewezen bus. De
kerkenraad zal uitmaken of een opgegeven reden van verhindering geldig is.


4. Alle twee jaren zullen twee van de oudste ouderlingen aftreden. Op Nieuwjaarsdag zullen er wederom twee verkozen worden tegelijk met een nieuwe diaken. De aftredende diaken zal tevens rekening doen van inkomsten en uitgaven.


5.De ouderling dient rechtvaardig matig, statig en zedig te leven, zowel in als buiten de kerk; in de
handel, bij maaltijden en begrafenissen opdat hij anderen tot stichtingzij.


6. De leden van de kerkenraad zullen, elk in hun wijk nauwkeurig licht geven op het doen en laten
van hun gemeenteleden Zij zullen in hun huisbezoeken voor des Heren Hellig Avondmaal een iegelijk, '
naar gelegenheid, vermanen. vertroosten of bestraffen.


7 Het oordeel van de eerste en oudste ouderlingen geeft de doorslag; toch zullen adviezen van anderen ook gehoord worden. Daarvoor zullen de eersten hun oordeel kunnen verbeteren en de besluiten heilzamer werken.


Aan deze regels had de ouderling zich maar te houden; niet slecht gevonden was overigens het boetestelsel voor het te laat verschijnen, terwijl artikel zeven aantoont hoeveel waarde destijds aan het woord van een oudere en dus wijzere man, werd gehecht. Wat betreft de werkzaamheden van deze kerkenraad wordt weinig vermeld, misschien ook wel doordat het college geen lang leven was beschoren. Dominee Wiselius overleed in 1675 en mei hem verdwenen ook de ouderlingen van het toneel. Een lange reeks van predikanten regelden voortaan de zaken weer zelf, als vanouds bijgestaan door twee rentmeesters,toen meer bekend als diakenen.


Van 1800 tot 1805 was ds. J. Lorgion voorganger te Lunterenen onder zijn lelding werd 31 juli 1804
een vergadering belegd teneinde tot instelling van een kerkenraad te komen. Dat lukte en hoewel ds. Lorgion reeds het jaar daarop naar Lemmer vertrok, kon hij toch nog de nieuwe kerkenraadsleden bevestigen

Ruimere opzet
De opzet was nu ruimer, er kwamen vier ouderlingen en evenveel diacenen. De ouderlingen hadden een geestelijke taak onder de gemeente terwijl de diakenen de wereldse belangen moesten behartigen .Tot ouderling werden gekozen Lubbert Reneman. Cornelis Jansen. Jan Cienders en Jan Reyer Schothorst: toltdiaken Wouter Floor. Hendrik Jacobsen. Gerrit Conelissen en Gangolf Peeten .

De eerste kerkeraadsvergadering werd in augustus 1804 gehouden en men sloeg meteen spijkers met koppen. Zo werd het geven van Godsdienst en catechisatielessen door onbevoegden ten strengsten verboden, Deze bepaling sloeg vooral op ene Flip Barten in Meu- lunteren. een man die zich zonder toestemming van predikant of kerkelijke overheid. op dit terrein bewoog, Barten, die zich godsdienstleraar noemde hield bijeenkomsten voor jong en oud. Aangezien voor veel mensen de kerkgang naar Lunteren een hele wandeling betekende had hij niet over belangstelling te klagen. Een poging van de kerkenraad. waarbij zelfs met censuur werd gedreigd om met dit werk te stoppen, had in zoverre resultaat dat Barten beloofde voortaan zijn samenkomsten alleen op zaterdagavond te houden.

Armenzorg
Ook werd het belangrijkste werk van de diaconie. de armenzorg uitvoerig besproken .Het viel op dat juist de armen van de gemeente voor het merendeel althans, de kerk alleen van buiten zagen maar de weg naar de diaconie wel wisten te vinden. Daarom werd bepaald dat een ieder die uit de armenkas trok verplicht was de kerkdiensten bij te wonen op straffe van intrekking hunner bezoldiging. Zelfs de kinderen werden er bij betrokken gezien het voorschrift: Alleen die personen zullen door de diaconie regelmatig bedeeld worden die hun kinderen trouw ter school en godsdienstlessen sturen. In dit verband moest de koster een lijst opmaken van kinderen die verzuimden. Tevens werd het aftreden en aanstellen van de kerkenraadsleden geregeld. Zij het dat de heren wel de zaak in eigen hand hielden elk jaar zouden twee ouderlingen en twee diakenen aftreden en hun opvolgers door de zittende leden ge of herkozen worden. Deze gang van zaken waarbij de gemeente geen enkele invloed op de samenstelling van de kerkenraad kon uitoefenen heeft zich jarenlang kunnen handhaven.


In 1865 stelde de toenmalige kerkenraad een reglement dat in grote trekken overeen kwam met
de reeds vermelde artikelen wel, werd nog een bepaling toegevoegd betreffende de kleding van een
kerkenraadslid. Bij uitoefening van zijn ambt op welk terrein ook. wordt het dragen van pet en buis verboden en een hoed met lange jas of buis voorgeschreven . Ook het boetestelsel bleef gehandhaafd hel geld werd door de jongste diaken bewaard en hij was verplicht nauwkeurig aantekening van de overtreders te houden.


Och, deze beknopte gegevens zijn al zo lang verjaard. Maar toch blijft het aardig wat in oude geschiedenisboeken te grasduinen en zo een kijkje te krijgen op het kerkelijk leven van onze voorouders.