Jarenlang, van 1947 tot 1965, schreef ene Gaart
Derk onder het hoofd Bennekomse Krabbels aardige stukjes voor de Bennekomse Courant,
waarvan we er hier één van laten volgen.
In vroeger jaren ging
het met vrijen en huwelijksaanzoeken op het platteland vaak eigenaardig aan toe.
Als een boerenzoon een eigen nestje op de kop kon tikken of op andere manier de
kost kon verdienen, ging hij op zoek naar een vrouw.
Veel gelegenheid voor
kennismaking voor jongelui onder elkaar was er toen nog niet. Door de week moest
gewerkt worden en zondags in de kerk konden ze naar elkaar kijken, maar meer ook
niet. Ondernemende jongens trokken d'r wel op uit. Zo kon 't gebeuren, dat op
een zondagmiddag een boerenzoon van ver weg met karretje en paard 't erf van een
boerderij in deze streek opreed.
Hij had van een kippenkoopman gehoord, dat
daar een huwbare dochter zat. De boer vroeg, welke hij op 't oog had. Hij bezat
er namelijk twee. De oudste die voorrang had, kwam kijken, waarop de huwelijkskandidaat
vroeg of hij de andere ook even kon zien.
De boer werd vinnig.' "Mieter
mer op. Ik laot je niet uutzeuke".
Het jong ging weg, maar zei nog wel,
dat hij een knappe boerderij , had met de nodige bunder grond en als een van
de twee toch nog iets voor hem voelde, moesten ze maar schrijven.
Dat veranderde
de zaak wel een beetje: een boer met geld is altijd een goede partij en de dochter
die hij had gezien, is toch met hem getrouwd. Lange verkeringen kwamen niet
veel voor: een vrouw was allereerst nodig voor het huishouden. Voor aan elkaar
wennen was altijd tijd genoeg.
We hadden er een in de familie, die lang vrijgezel
was gebleven tot hij een vrouw leerde kennen en toen was hij er nog niet helemaal
zeker van. Zijn aanstaande schoonmoeder vroeg of hij het
werkelijk meende en
toen zei hij: "Ik geleuf wel, dat je dochter een goed mins is, mer of ik
net zo eige met ter zal worre as met me moeder weet ik nog niet".
Nadat
hij later toch getrouwd was, vroeg mijn vader hoe het ging en toen zei hij, dat
het allemaal
hartstikke mee was gevallen. Het gebeurde ook wel, dat een boerenjong,
als er een broer of zuster van hem trouwde een deerntje, waar hij een oogje
op had op de bruiloft nodigde. Vandaar het gezegde,van een bruiloft komt een
bruiloft.
Dat klopte natuurlijk niet altijd en dan zeiden de mensen van zo'n
deern: "Ze het nog geen verkering, mer het al wel een bruiloftsvrijer
gehad". Omgang kon ook tot stand komen op de Wageningse paardenmarkt als
daar ook kermis werd gehouden. Als een jonge vent en een deerntje samen kermis
hadden gevierd en het leek hem wel iets dan gaf hij haar aan het eind van de avond
een suikerkoek.
Dan mocht hij de volgende zondagavond op visite komen en werd
die koek door het meisje aangesneden. Gaf ze hem dan de eerste plak, dus het korstje,
dan betekende dat: ,Je hoeft niet meer terug te komen, je ligt me niet.
Als de moeder dat werk deed en ze gaf hem ook het eerste plakje, dan kwam dat
op het zelfde neer, maar wel met een andere reden: "Mijn dochter is nog te
jong voor vaste verkering".
Voor het jong was het een hard gelag
om thuis te komen en te moeten zeggen: "Ik heb het korstje gekregen".
Dan werd hij nog uitgelachen ook. Maar al was het vroeger misschien een beetje
ingewikkeld om verkering te krijgen,ook toen bleven er niet veel ongetrouwd.
H.
J. Nijenhuis
 
|