Humor rond de kerk

 

Ook vanuit het geestelijk leven kan men, bij het doorbladeren van geschiedenisboeken en geschriften
soms aardige voorvallen tegenkomen die onwillekeurig een glimlach op de lippen brengen. Een paar van dergelijke gebeurtenissen laten we hier volgen, begrijpelijker wijze voorop gezet dat het allerminst de bedoeling is personen of zaken te kwetsen.


Otterlo
Volgens deel 1 van "de geschiedenis van Ede", vertrok in 1881 de predikant uit Otterlo, ds. M. M. de Lint naar Oisterwijk. Toen bleef deze gemeente niet minder dan dertien jaar zonder voorganger. De "hoorcommissie" reisde stad en land af om een opvolger te vinden. Talrijke beroepen werden uitgebracht, zonder succes evenwel; blijkbaar bezat Otterlo weinig aantrekkingskracht voor predikanten. Eindelijk was het raak, in 1894 deed J. J. Kuyper zijn intrede in Otterlo. Een lang gekoesterde wens was in vervulling gegaan, maar achteraf bezien, had men na een dergelijke wachttijd, nog wel even geduld moeten uitoefenen, want het klikte niet tussen de nieuwe voorganger en gemeente.
Ds. Kuyper toonde zich minder zwaar op de hand en bezat andere opvattingen dan men hier was gewend. Dat leidde tot botsingen die tot uiting kwamen toen dominee tijdens de dienst naast psalmen ook gezangen wilde laten zingen.


De eerste keer dat hij een dergelijk lied op gaf, begon weliswaar de organist met het voorspel, maar bij de inzet zweeg de gemeente als het graf. De volgende zondag deed ds. Kuyper een nieuwe poging die nog faliekanter afliep.
Nu liet ook de organist het afweten, terwijl alle mannen, als bij afspraak overeind kwamen en demonstratief hun pet op het hoofd zetten, daarmee te kennen gevend dat het met hun eerbied was gedaan.
Ds. Kuyper gaf de moed op, maar nam op zijn manier wraak door hetopgegeven lied te wijzigen in psalm 32 vers 5, waarvan de beginregels luiden, " Wil toch niet stug gelijk een paard weerstreven, of als een muil door domheid voortgedreven. "
De gemeente toonde zich voldaan, de traditie was gehandhaafd en uit volle borst werd dit psalmvers gezongen. Ds. Kuyper heeft het door deze en andere strubbelingen, in Otterlo niet gemakkelijk gehad. Na vijf jaar hield hij het danook voor gezien en vertrok naar Hien en Dodewaard. Hij toonde zich allerminst een haatdragend man, want tijdens zijn afscheidsrede, 30 april 1899 zei hij o.m. "Niettegenstaande veel strijd en verwarring was Otterlo toch een goede gemeente voor mij, die ik van harte bij mijn opvolger kan aanbevelen."

Lunteren
Nog een voorbeeld van toepasselijk zingen vonden we in het prachtige boek "Minsen kieken", van mevr. A. H. M. Hoogstrate-Wigman. Op kostelijke wijze vertelt de schrijfster over vroegere dorpsgewoonten en gebeurtenissen in Lunteren. Een goede honderd jaar geleden was de predikantsplaats in Lunteren vacant. Voorgangers uit de omgeving, die de z.g. "ring" vormden,moesten nu bij toerbeurt de diensten waarnemen. Op een koude januarizondag zou ds. Prins uit Wageningen voorgaan.
Tegen aanvangstijd zaten als gewoonlijk , zij het wegen het gure weer wat minder in aantal, de kerkgangers in afwachting van het begin van de dienst, onkundig van het feit dat de kerkenraad in de consistoriekamer op hete kolen zat. De aangewezen voorganger kwam niet opdragen. herhaaldelijk werd de koster naar buiten gestuurd om te zien of uit de richting Ede nog geen rijtuig naderde, maar hij moest telkens "nog niets te zien." melden.


De gemeente werd, in de slecht verwarmde kerk, ongeduldig: men wasm bijkans een kwartier over tijd. In arremoede besloten de kerkenraadsleden dan maar "een preek uit de kast" te halen, zoals de geijkte term dat zegt. De dienstdoende ouderling zou die danvoorlezen, zodat de kerkgangers toch nog een stichtelijk woord meekregen.
De man die even later de kansel beklom bezat blijkbaar de nodig humor. Althans, na een kleine uiteenzetting van de omstandigheden, gaf hij als ingangslied op psalm 146 vers 3: " Vest op prinsen geen vertrouwen,
Waar men nimmer heil bij vindt.

Ede
Van 1873 tot 1890 stond in Ede ds. W. R. Kalshoven: de mensen spraken altijd over Kalfshoven. Deze predikant heeft hier de rumoerige jaren van de doleantie meegemaakt en met alle mogelijke middelen getracht de eenheid binnen de kerk te bewaren, zij het tevergeefs. Zoals wel bekend verlieten in 1886 ook in Ede een aantal mensen de aloude Ned. Herv. Kerk. Van deze strijdbare man gaat een aardig verhaal hoe hij een ingekomen beroep behandelde, voor veel predikanten een zaak van langdurige overwegen en bezinnen. Ds. Kalshoven bezat een eenvoudiger methode na de kennismakingspreek bij de betrokken gemeente schreef hij twee brieven .


In de ene brief stond dat hij gaarne het beroep aannam, in de andere bedankte hij, in beleefde woorden, voor de eer. Beide epistels deponeerde hij, dichtgeplakt en gefrankeerd op eenm tafeltje in de hal van de pastorie. Vervolgens gaf hij het dienstmeisje opdracht een van beide brieven te posten. Na haar terugkomst opende dominee het achtergebleven schrijven en wist zodoende wat er, zij het door tussenkomst van het meisje voor hem was beslist.
We kunnen niet voor de waarheid van het verhaal instaan, maar het is wel een manier om zonder veel hoofdbrekens dergelijke kwesties op te lossen. Ds. Kalshoven vertrok in 1890 naar Hasselt.


Harskamp
Ten tijde dat Harskamp nog geen eigen kerkgebouw bezat waren de inwoners op Otterlo aangewezen. Wel werden kerkdiensten, ook al ten behoeve van de daar gelegerde militairen, kerkdiensten gehouden in de kantine van de legerplaats. In de zomerdag, althans bij gunstig weer, organiseerde men ook wel openluchtsamenkomsten op de heide. Een kleine verhoging waarop een lessenaar was geplaatst deed dienst als kansel. Daar omheen groepeerden zich, zittend in de hei of staande, al naar het hun uitkwam, de vrij talrijke toehoorders. Veelal zorgden muzikanten uit het kamp voor begeleidende muziek bij te zingen liederen.
Op een zondagmorgen bevond zich onder de aanwezigen ook een korporaal, die in het bezit was van een fotoapparaat met de, in die jaren onmisbare driepoot.
Hij wilde deze hagepreek vereeuwigen en plantte zijn statief, met toestel erop, vlak voor de geïmproviseerde kansel. Die ochtend zou de bekende ds.van Boven uit Ede een man die het niet zo op wereldse zaken had begrepen, de dienst leiden. Hij naderde zijn preekstoel, zag de driepoot, bedacht zich geen moment, maar hing zijn hoge hoed juist over de lens. De verbouwereerde korporaal dorst niet te protesteren en dus werden van deze dienst geen foto's gemaakt.
Uit mijn jeugd herinner ik mij nog een liedje met de volgende beginregels:


"Altijd is Kort Jakje ziek,
Door de week maar 's zondags niet
Want dan gaat zij naar de kerk,
Met een boek van zilverwerk"


Dat ook het tegenovergestelde kan voorkomen bewijst het volgende ironische stukje, waarmede we willen besluiten. Het komt ver weg, uit een Zuidafrikaans Herv. weekblad maarwel aardig om te lezen. Daar lucht een voorganger zijn hart over uitvluchten die veel mensen verzinnen om kerkdiensten te verzuimen. Hij noemt als belangrijkste reden "de Zondagsziekte" en trekt de volgende conclusie.
De verschijnselen van deze ziekte belemmeren gelukkig de eetlust niet; zij duurt nooit langer dan vierentwintig uur en de hulp van een dokter behoeft niet te worden ingeroepen. De aanval begint pas op zondagmorgen; de patiënt wordt monter wakker, neemt eens stevig ontbijt, maar tegen kerktijd voelt hij zich plotseling onwel. Na de dienst gaat het een stuk beter, hij nuttigt met smaak de middagmaaltijd en is zelfs in staat om daarna een behoorlijke wandeling te maken. Helaas tegen de aanvang van de avonddienst herhaalt zich de aanval en lijkt het hem toch maar beter thuis te blijven.
Gelukkig, maandagmorgen is er geen spoor meer van de ziekte te bekennen. Opgewekt gaat hij naar zijn werk en blijft tot de volgende zondag van een goede gezondheid genieten.

H.J Nijenhuis