Doleantie en de gevolgen in Ede

Het vertrek van een groot aantal mensen uit de Nederlands Hervormde Kerk in 1886 heeft destijds, ook in ons dorp; heel wat gemoederen in beweging gebracht. De scherpe kanten zijn er nu, zoveel jaren later, allang afgesleten, maar toch is het wel aardig, zij het bij lange na niet volledig, iets over de gereformeerden in Ede te vertellen. Temeer daar zij, althans voor de Tweede Wereldoorlog, zowel landelijk als plaatselijk over verschillende dominerende figuren beschikten, die hun stempel op kerkelijk en politiek leven hebben
gedrukt. Toch was het in 1886 niet de eerste uittreding van betekenis die heeft plaatsgevonden. Na de kerkhervorming bestond de reformatie in ons land uit "de Gereformeerde Kerk in de verenigde Nederlanden", later eenvoudig de Nederlands Hervormde Kerk genaamd. Daarnaast bestonden nog twee kleinere stromingen, die zich door de eeuwen heen hebben weten te handhaven, "de dopersen", ook wel mennonisten genoemd naar hun eerste voorganger Menno Simons en de lutheranen, de volgelingen van Luther.

In 1834 kwam de eerste belangrijke afscheiding: dominee Hendrik de Cock uit Ulrum, in het hoge noorden, was het al geruime tijd niet eens met de bestaande opvattingen van de Nederlands Hervormde Kerk. Er heerste, althans volgens deze voorganger, daar een veel te liberale geest, er werden teveel gezangen gezongen en op de kansel sprak men niet langer de tale Kanaiins. Hij begon met rechtzinniger te preken, wat veel mensen aansprak.
Waar dominee De Cock optrad puilden de kerken uit. Protesten en vermaningen van de Synode volgden, maar de dominee noch zijn aanhang kwamen daarvan onder de indruk. Tot in 1834 de maat vol was; dominee De Cock werd uitgebannen, hij verloor alle rechten plus zijn tractement. Op 14 oktober van genoemd jaar was de afscheiding een feit; de beweging groeide en een paar jaar later hadden zich meer dan vierduizend gelovigen achter hem geschaard. Zij werden door kerk en overheid behoorlijk dwarsgezeten; bijeenkomsten werden op straffe van hoge boetes verboden. Het werd hen haast onmogelijk een plaats te vinden waar men kon samenzijn, zodat zij terugvielen op de van oudsher bekende hagepreken. Maar "de Cocksianen",
zoals zij genoemd werden, zetten door en verenigden zich onder de naam "Christelijk Gereformeerde Kerk".

Van veel groter betekenis was evenwel de afscheiding onder leiding van Abraham Kuyper, geboren in 1837 en overleden in 1920. Deze theoloog en staatsman, die in 1880 de Vrije Universiteit
te Amsterdam stichtte en jarenlang de grote voorman en leider van de gereformeerden is geweest, gaf daar in 1886 het sein voor. De eerste gemeente die zich openlijk "in doleantie" verklaarde was Voorthuizen; zij zond een herderlijk schrijven naar alle zustergemeenten om dit voorbeeld te volgen.


"In doleantie" wilde eigenlijk zeggen: in beklag gaan omdat zij bij hun afscheiding niets van de bezittingen der kerk meekregen. De afgescheidenen werden al gauw "dolerenden" genoemd, wat door velen werd uitgelegd als zouden zij een dwaalleer volgen. De voornaamste reden was ook nu dat de Synode de vrijheid van leer en belijdenis veel te ver uitstrekte. Men wilde terug naar de zuivere leerstellingen van de Dordtse Synode, gehouden van 1618 tot 1619, waarvan als belangrijkste resultaat later een nieuwe bijbelvertaling verscheen. Ook in Ede bleef men niet achter. Onder leiding van de kerkeraadsleden J. Tulp, R. Melissen, W. Bussink en A.L. Veenendaal verliet een belangrijk aantal plaatsgenoten de Nederlands Hervormde Kerk. Niet
geheel onvoorbereid, want reeds geruime tijd werden bijeenkomsten door verontrusten gehouden in het koetshuis van de heer Cavaljé aan de Molenstraat. Nadat de afscheiding een feit was deed dit gebouw, omgedoopt tot "Rehoboth", voorlopig dienst als kerk. Als eerste voorganger trad op de
schaapherder Davelaar, ondanks zijn nederig beroep een ontwikkeld man, die vrij gemakkelijk slaagde voor het examen van godsdienstonderwijzer. Hij liet zijn wit gewolde kudde aan een ander over om menselijke schapen te gaan weiden. In 1892 verenigde de Nederlands Gereformeerde Kerk, waaronder de afgescheidenen zich hadden verbonden met de reeds eerder genoemde Christelijk Gereformeerde Kerk, onder de naam "Gereformeerde kerken in Nederland".


De afscheiding bracht, zoals overal elders, ook in ons dorp heel wat gekrakeel en ruzie. Eigenaardig dat juist christenen elkaar zo in de haren kunnen vliegen. Mensen die tot voor kort goede vrienden waren geweest keerden elkaar nu de rug toe, hele families werden in twee vijandige kampen verdeeld. Een bakker of kruidenier behoefde er voortaan niet op te rekenen nog iets te verkopen aan een dolerende of omgekeerd. Als gereformeerde kinderen op het plein rond de grote kerk wilden spelen, werden zij door andersdenkende jeugd rap afgeranseld. Een dolerende haalde het niet meer in zijn hoofd een geit op het gras van het oude kerkhof te laten grazen; het dier werd subiet losgemaakt en weggejaagd. Over en weer waren er talrijke
incidenten.


Voorganger van de Nederlands Hervormde Kerk in deze roerige tijd was dominee Kalshoven (de Edenaren zeiden altijd Kalfshoven) die hier van 1872 tot 1890 heeft gestaan. Deze dominee, die nog als teken van zijn
waardigheid kuitbroek en steek droeg, was een agressief man. Persoonlijk haalde hij de jongens uit de kroeg en was tegen elke mogelijke vorm van feestvieren. Fel heeft hij zich verzet tegen de nieuwe richting en niet alleen vanaf de kansel. Hij ging zelfs bij de regering in Den Haag op bezoek om met medewerking van hogerhand te trachten het gevaar te keren, helaas voor hem zonder resultaat. Over hem gaat ook het verhaal hoe hij het moeilijke vraagstuk al of niet een beroep aan te nemen, oploste. Hij schreef, enkele weken nadat vanuit een andere gemeente een beroep op hem was uitgebracht, twee brieven. In de een stond dat hij graag zou komen, in de andere bedankte hij voor de eer. Deze brieven deponeerde hij, dichtgeplakt en gefrankeerd, op een tafeltje in de hal van de pastorie en gaf het dienstmeisje opdracht één van beide te posten. Na haar terugkomst opende de dominee de achtergebleven brief om te zien wat er door middel van de dienstmeid, van hogerhand beslist was. Deze actieve man heeft de afscheiding niet kunnen tegenhouden; integendeel, het aantal dolerenden groeide nog steeds, ondanks de lang niet hoopvolle vooruitzichten. Zoals reeds gezegd; van de bezittingen en gelden van de kerk waarop zij voor een deel recht meenden te
hebben, kregen zij geen cent. De kerkgebouwen en andere eigendommen werden streng bewaakt; in Leiderdorp bijvoorbeeld door politie en militairen. Ook in Bennekom had baron Van Wassenaar zich, zo nodig, van bijstand verzekerd van de sterke arm, voor het geval de dolerenden het kerkgebouw wilden naasten. De gereformeerden moesten dus geheel op eigen kracht verder, hetgeen gepaard ging met grote, persoonlijke financiële offers. Maar zij zetten door en mede hierdoor ontstond de sterke onderlinge band die hen altijd heeft gekenmerkt en waarbij de sterke broeders voor de zwakkeren opkwamen.


De jonge gemeente in Ede had in zoverre geluk, dat zij in de persoon van de heer G.J.C. Cavaljé, een rijk geworden koopman, over een goede geldschieter kon beschikken.. Deze had voor een soort noodkerk gezorgd en op zijn initiatief werden ook plannen gemaakt om tot oprichting van een christelijke school te komen. De staat zorgde, in samenwerking met de gemeente, alleen voor openbare scholen. Bijzondere, dat wil zeggen christelijke scholen mochten wel gebouwd worden, maar zonder enige geldelijke steun van de
overheid. Reeds in 1882, dus voor de doleantie, waren pogingen in het werk gesteld om een dergelijke school van de grond te krijgen. Een daarvoor gericht verzoek tot medewerking aan de kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk werd evenwel jaren op sleeptouw gehouden. De openbare school aan het Maandereind functioneerde goed en er werd, hoewel officieel verboden, ook godsdienstonderwijs gegeven dus waarom zou men haast maken. Maar de gereformeerden, van meet af aan doorzetters, lieten geen tijd verloren gaan. Er werd onder leiding van de heer J. Tulp een bestuur samengesteld, dat de statuten ontwierp en hierop goedkeuring aanvroeg. De heer Cavaljé stelde een groot stuk grond beschikbaar tegenover zijn eigen
villa, hoek Telefoonweg-Veenderweg en nam bovendien de bouw van een mvierklassige school met onderwijzerswoning voor zijn rekening.

Op 6 januari 1890 werd de School met den Bijbel geopend met tweeënnegentig leerlingen. Als eerste hoofd werd benoemd de heer Van Wijk uit Kootwijkerbroek en als onderwijzer de heer Van Veldhuizen. In 1897 vertrok het hoofd naar Utrecht; in zijn plaats werd benoemd de heer J.A. Eijgenraam, wiens naam tot 1930 onverbrekelijk met de school verbonden zou blijven.
Al spoedig was de heer Eijgenraam een geziene figuur, die de school tot grote bloei bracht. Bedaard, nooit streng, maar wel met gezag en overwicht optredend; zo zullen ouderen hem nog herinneren. Werd er op het schoolplein hardhandig een ruzie beslecht, dan schreed het hoofd rustig op de vechtersbazen af, keek hen alleen maar doordringend aan en de belhamels dropen haastig af. Och, kibbelpartijtjes kwamen vaker voor; ernstiger waren de regelmatig terugkerende kloppartijen met leerlingen van de openbare school. Het onderlinge gekrakeel van volwassenen werd door de jeugd braaf nagevolgd. Ook hier haat en nijd over en weer en als groepen van beide scholen elkaar, toevallig of met opzet, tegenkwamen, ging het erop los.
Stenen, klompen, stokken, alle mogelijke wapens waren nuttig en het gevecht ging verbitterd door tot een school slaag genoeg had ontvangen en het hazenpad koos. Een bekend, maar allerminst stichtelijk rijmpje dat in die dagen opgang maakte, luidde; ,,'k Heb mijn klompen laten klampen, om de dolle in elkaar te trampen." Na enkele jaren bedaarden bij jong en oud de gemoederen en behoorde de strijd tot het verleden.
Intussen waren ook de plannen voor een werkelijk kerkgebouw in een vergevorderd stadium. AI weer dank zij belangrijke steun van de heer Cavaljé kon in 1905 de kerk in gebruik genomen worden. De gereformeerden werkten rustig door aan de verdere opbouw van hun gemeente, niet alleen op kerkelijk, maar ook op politiek terrein, waarvoor zij ook al voor de afscheiding belangstelling hadden getoond.

Even voor de raadsverkiezingen van 1885 werd de kiesvereniging "Nederland en Oranje" in Ede opgericht, onder voorzitterschap van de heer J. Tulp. Tot genoemd jaar waren de Edenaren nooit warm gelopen voor deze verkiezingen. Raadslid zijn was meer een erebaantje, het bracht weinig op, dus was het alleen geschikt voor burgers met geld en veel vrije tijd. Had iemand het vertrouwen van de burgerij dan kon hij jaren in de gemeenteraad zitten al deed hij nooit een mond open, of hij moest het zo bont maken als de eerste gemeentesecretaris, dokter R. Burggraaf. Nu wij toch bij de politiek zijn terechtgekomen is het wel aardig deze oude geschiedenis even op te halen.
Dokter Reinier Burggraaf was in 1814 tot maire, anders gezegd burgemeester van Ede benoemd en kreeg op 1 januari 1818 daarbij het baantje van gemeentesecretaris. Het burgemeesterschap raakte hij in 1922 kwijt. door de benoem mg van H. Th. Prins als zodanig, maar wel bleef hij secretaris. Intussen was ook zijn praktijk als dokter belangrijk toegenomen, waaraan hij meer waarde hechtte en die trouwens in deze uitgebreide omgeving volop dagwerk betekende. Hij verwaarloosde schromelijk zijn ambtelijke functie,
maar niet zijn traktement af 400,- per jaar. Men wees hem voor gemeentelijke zaken een klerk toe, die hij uit eigen zak moest betalen. Dat deed hij ook prompt, maar slechts f 125,- per jaar, zodat hij, zonder er een vinger
voor uit te steken, er toch nog f 275,- beter van werd. De klerk gooide voor die paar centen er ook maar een beetje met de pet naar, met als gevolg dat de notulen zelden klopten, terwijl op officiële stukken soms maanden moest worden gewacht. Deze gang van zaken wekte allang wrevel op tot eindelijk ook burgemeester Prins het welletjes vond. Op de raadsvergadering van 5 augustus 1850 werden de notulen niet goedgekeurd en ging er een request naar de koning met het verzoek de secretaris, al of niet met pensioen, te
ontslaan. Dokter Burggraaf protesteerde van alle kanten; hij had een groot gezin en kon deze extra inkomsten onmogelijk missen. Uiteindelijk kwam men tot de volgende oplossing: hij zou verdwijnen maar kreeg een pensioen van f 225,- per jaar, waarmede de dokter grif akkoord ging. Bij zijn afscheid in de raadsvergadering van 12 december 1850 werden, ondanks al het gebeurde, over en weer toch nog loffelijke woorden gesproken. In zijn afscheidsrede was Burggraaf zelfs zo vrij om zichzelf warm aan te bevelen bij de heren raadsleden als zij of hun gezinsleden onverhoopt doktershulp nodig zouden hebben.
Maar om op de raadsverkiezingen van 1885 terug te komen; de vroegere,lauwheid was verdwenen. Het christelijke deel van de bevolking deed nu ook een duit in het zakje. Het eerste slachtoffer daarvan werd dokter Thomas, al twintig jaar wethouder van de gemeente. Andreas Jacobus Thomas werd op 28 juli 1821 te Leiden geboren, studeerde voor dokter en vestigde zich daarna in Ede. Hij woonde in een groot vierkant huis op de hoek van de tegenwoordige Not. Fischerstraat en de Molenstraat, waar thans meubelmagazijn De Bruin is gevestigd. Hij kwam als liberaal op 31 juli 1858 in de gemeenteraad en werd op 5 september 1865 tot wethouder gekozen. Dokter Thomas was erg populair en heeft, vooruitstrevend als hij was, veel voor de gemeente gedaan.

Op aandrang van de pas opgerichte kiesvereniging echter moesten sommige raadsleden verdwijnen om te worden vervangen door gelovige en behoudende plaatsgenoten. Die liberalen deden nergens aan en
waren bovendien veel te modern; zij stonden steeds klaar om nieuwigheden in te voeren. Het kostte de dokter zijn zetel; in zijn plaats werd de heer P .Roodhuizen gekozen, volgens diens aanhang niet minder bekwaam en in ieder geval een goed christen. Toch kwam dokter Thomas, de zeventig al gepasseerd, op 30 juli 1892 opnieuw in de raad en was zelfs van 7 september 1897 tot 24 juni 1903 weer wethouder. Hij overleed op 4 februari 1908.
Voor zijn vele verdiensten is een straat naar hem genoemd, de Thomaslaan.
De toenmalige gemeenteraad stond nog niet voor de problemen van deze tijd
maar daarom werd nog niet alles wat op tafel kwam minder serieus behandeld. Het schoonhouden van de straatgoten, het beheer van de tonen, waarvan er in 1910 nog vier in Ede waren, of de afrekening van het burgerlijke armbestuur, alles werd uitvoerig besproken. Zo ook het voorstel van de heer
L. Tulp tijdens een raadsvergadering in 1903 betreffende verkeersmaatregelen. Aanleiding daartoe was de enkele weken eerder verreden wedstrijd voor automobielen Parijs-Amsterdam, waarbij de deelnemers ook door de kom van Ede reden. Dagen van tevoren was het dorp al in opschudding. Men was nog maar amper gewend aan de trein, die gelukkig ver van het dorp passeerde, en nu kwam er weer zo'n duivelse uitvinding. De burgemeester nam zijn maatregelen; hij liet per klepperman omroepen dat op de bewuste dag, ter wille van eigen veiligheid, de mensen in huis moesten blijven tot de laatste automobiel het dorp uit was. Aanvankelijk hield men zich stipt aan die order, veel mensen hadden zelfs de luiken gesloten, maar toen bleek dat bij
hotel "De Posthoorn" een controlepost was gevestigd, waardoor de doortocht aanmerkelijk vertraagd werd, kwamen de brutaalsten toch een kijkje nemen. Zij wilden die moderne vervoersmiddelen wel eens van nabij bekijken. Alles liep goed af. Een voor een reden de auto's door de uitgestorven straten van Ede. Alleen bij "De Posthoorn" was het een drukte van belang; hier gebeurde dan ook het enige ongeluk: te midden van het geroezemoes werd het hondje van de burgemeester doodgereden. Overigens waren veel mensen verontwaardigd over dit moderne spektakel, reden voor het gemeenteraadslid Tulp om in de volgende vergadering met de volgende, drastische verkeersvoorstenen te komen:
1. Berijders van motorfietsen zullen in de kom van het dorp afstappen en naast hun voertuig lopen.
2. Bestuurders van automobielen zullen in de kom van het dorp stapvoets rijden en een persoon voor hun voertuig doen uitlopen.
3. Bij mist of nevelig weer zal een hoorn of schel gebruikt moeten worden ter waarschuwing, terwijl dan niet harder dan 60 meter per minuut mag worden gereden.
4. Buiten de bebouwde kommen mag niet harder dan 15 km per uur worden gereden.
Geen halve maatregelen dus, waarbij de heer Tulp onmogelijk kon voorzien dat vijftig jaar later zijn firma over een compleet autopark zou beschikken.
De raad ging in meerderheid met de voorstellen akkoord, maar de heer E.W. baron van Wassenaar, eveneens raadslid, ging in beroep bij Gedeputeerde Staten. Hij noemde dit, met waarschijnlijk alleen voor hem begrijpelijke woorden, "vexatoire, arbitraire, prohibitieve" maatregelen. Niet alleen was de baron vrijwel de enige in de gemeente die toen reeds een auto bezat, maar bovendien kwam het voorstel van een gereformeerde, op zichzelf al reden genoeg om er tegen te zijn. De baron kreeg zijn zin, de verordening werd op de lange baan geschoven en ten slot te ingetrokken.


Een beetje van de hak op de tak springend, hebben wij gezien dat gereformeerden sterk betrokken waren bij hun kerk, school en politiek, maar verschillende van hen zijn ook nog prima zakenlieden geweest; in het kort nog iets over twee bekende bedrijven. Reeds eerder werd de naam Tulp genoemd. Iedere Edenaar weet dat daarmee een lid van de bekende houthandel werd bedoeld. In 1846 kwam de heer J. Tulp op vijfentwintigjarige
leeftijd uit Zaandam naar Ede wegens gezondheidsredenen van zijn vrouw, wat vroeger meer voorkwam. Als een dokter, met de beperkte mogelijkheden van die tijd, in een slepende ziekte geen gat meer zag, werd als enige redmiddel aangeraden naar de Veluwe te trekken, in de hoop dat de dennenlucht genezing zou brengen. Helaas niet voor haar, want al spoedig na haar komst in Ede overleed zij. Jan Tulp hertrouwde en na een jaar of wat van alles aangepakt te hebben, kocht hij een stuk grond aan de Stationsweg en begon in 1854 met het verkopen van hout en andere bouwmaterialen.

Naast deze bescheiden handel fabriceerde hij stoven, bosbessenvaatjes, kratten en alle mogelijke zaken waar maar hout aan te pas kwam, met als enige transportmiddel een ezelwagen. Uit het tweede huwelijk van Jan Tulp werden zes kinderen geboren, vier zonen en twee dochters. Daarvan zouden de gebroeders Leendert, Piet en Willem een hecht driemanschap gaan vormen dat door hard werken de houthandel deed uitgroeien tot één der grootste van ons land. Reeds voor de Eerste Wereldoorlog werden de eerste zaag en schaafmachines geplaatst, aangedreven door een stoommachine. Na 1918 kwam de grote vlucht. Evenals overal elders werd ook in Ede volop gebouwd. Rijen loodsen werden gezet om de steeds groter wordende voorraad hout te bergen. Voor uitbreiding werd zoveel mogelijk aangrenzende grond aangekocht zoals de tuin van "Heesterheide", en grote percelen aan de overkant van de Maanderweg. Het hout, vroeger met mondjesmaat ingekocht, kwam nu met schepen vol, regelrecht uit Scandinavië en Finland, naar de haven van Wageningen. Verder vervoer naar de werf gebeurde met paard en wagen, het transportmiddel uit die tijd. Een heel bekende voerman was Giep Veenendaal, die ruim vijftig jaar bij de firma in dienst is geweest.

Trouwens, vrijwel alle mensen die bij de houthandel werkten werden op den duur een onderdeel van het bedrijf; velen hebben hier hun veertigjarig jubileum gevierd.
Vrijwel alle Edese houtbewerkers hebben daar, op dat terrein tussen Stationsweg en Klinkenbergerweg, de nodige stappen liggen. Vroeger bestelde men niet zo maar hout, nee, men ging het zelf uitzoeken. Voor kozijnen, ramen en deuren was alleen het beste goed genoeg. Stapels werden omgezet om hout zonder hart, losse kwasten of rood eruit te halen, dat bovendien ook niet "scheel" mocht zijn. De werfbaas Jan Nab of één van zijn helpers, toonde er alle begrip voor; nooit werden zij ongeduldig al was de klant nog zo lastig. Ook de zogenaamde timmerwinkel, waar houtbewerkingsmachines stonden die tegen een vergoeding, waar meestal weinig van terecht kwam, door elke timmerman gebruikt mochten worden, had niet over belangstelling te klagen. Onbeschrijflijk hoeveel hout daar door meer of minder deskundigen machinaal is bewerkt. Na de Tweede Wereldoorlog, mede door de komst van zoveel nieuwe producten op plaat en vezelgebied, opnieuw een geweldige uitbreiding.

   
Paard en wagen werden vervangen door trekkers met aanhangers, met heftrucks werden de wagens volgens bestelling geladen; slechts een kleine aannemer kwam zelf nog zijn hout halen. Opmerkelijk dat in deze nieuwe groeiperiode opnieuw een driemanschap, Jan, Mathias en Arie Tulp, de leiding vormde. Door verhuizing naar het industrieterrein is de houthandel Tulp voor het grote publiek aan het oog onttrokken, maar nog altijd een miljoenenbedrijf.

Een andere vanouds bekende en goed gereformeerde zaak vormde het schildersbedrijf van De Nooy. Willem de Nooy begon in 1879 een schilderszaak in de Grotestraat; het pand is nu gesloopt maar in later jaren heeft
Mannes van der Burg hier zijn sigarenzaak gehad. Het bedrijf verhuisde in 1887 naar de Torenstraat: ook dit pand is gesloopt maar was jarenlang bekend als het huis van de dames De Nooy.

   
In de vreemdelingengids van 1898 beveelt Willem de Nooy zich aan als "huis, sierraad, rijtuig en
plafond"schilder. Vooral op dit laatste terrein; wat nu vrijwel niet meer voorkomt, was Willem een meester; met fraaie bloemen of landschappen heeft hij heel wat saaie, wit gestukadoorde plafonds tot ware schilderijen omgetoverd.

 

Dertig jaar later, in 1917, werd het bedrijf uitgebreid met een verffabriek en drogisterij. Men verhuisde naar de Grotestraat, waar voor de drie afdelingen voldoende ruimte bleek. Ook hier een drietal zonen van
Willem de Nooy aan de leiding. Pieter verzorgde het schildersbedrijf, Zweeris nam de drogisterij voor zijn rekening en Jacobus de verffabriek, onder de naam "Macostan". Deze naam had niets te maken met een verfprodukt, wat velen dachten, maar was samengesteld uit de voornamen van hun respectievelijke vrouwen: Maria van Pieter, Castera van Zweeris en Anna van Jacobus. De broers toonden zich goede en hardwerkende zakenlieden, gesteund door hun alom aanwezige vader, die hen erop wees, dat centen niet vanzelf uit de lucht komen vallen en elk dubbeltje er één is, hetgeen Pieter al jong ter harte nam.
Deze moest eens voor zaken naar Nijkerk; hij ging met het treintje maar nam wel zijn fiets mee om gemakkelijker de verspreid wonende klanten te bereiken. Bij aankomst in Nijkerk bleek de fiets niet te zijn meegekomen, waarna hij de andere dag de volgende brief aan de Centrale Spoorweg Maatschappij schreef, die nog altijd in het bezit van de familie De Nooy is en die we hier, in de oorspronkelijke tekst laten volgen:
M.H., Ondergetekende, P. de Nooy, van beroep huisschilder te Ede, is gisteren 5 april met trein 914, van Ede gemeentehuis, naar Nijkerk gegaan en gaf als bagage een fiets mede onder recu no 26. Bij aankomst in Nijkerk bleek de fiets in Lunteren of Barneveld ten onrechte gelost te zijn. 'k Heb gewacht op trein no 916, in overleg met de chef te Nijkerk, ook toen bleek hij niet mede gekomen te zijn. Tot mijn schade heb ik in Nijkerk een fiets moeten huren en bij terugreis mijn eigen fiets opnieuw moeten bevrachten naar Ede gem.huis recu no 15.
Beleefd verzoekt ondergetekende daarom restitutie van de schade welke hij ondervonden heeft door onachtzaamheid van de beambte der Mij. De huur voor de fiets bedraagt 50 ct; bevrachten van een fiets
2 x 15 = 30 ct. te samen uitmakende een bedrag van tachtig cent.
Welk doende met de meeste hoogachting, Ede 6 april 1909, P. de Nooy.


Waar men zich vroeger al niet druk om maakte, maar "wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd". Heel wat Edese schilders hebben bij de firma De Nooy hun eerste vakopleiding ontvangen; verschillende van hen hebben hun hele leven daar gewerkt en werden een stuk van de inventaris. De stichter van de zaak overleed op 7 februari 1944, eenennegentig jaar oud, en toonde tot in zijn laatste dagen nog volop interesse voor het bedrijf.
Thans is alleen de verffabriek nog over: het schildersbedrijf, dat in 1939 naar de Brouwerstraat verhuisde en uitgebreid werd met de eerste Edese "doe.het-zelf'.zaak, ging evenals de drogisterij in andere handen over .
Macostan verdween in 1963 uit de Grotestraat naar een nieuw gebouwde fabriek op het industrieterrein.
De tijd van vroegere groepen met het speciale etiket: gereformeerden, hervormden, katholieken of andersdenkende mensen, is voorbij; zij zijn allen opgenomen in het grote geheel waaruit thans de Edese bevolking bestaat.

H.J. Nijenhuis