Ons
vorig verhaal besloten we met de overgang van de Lunterse parochie naar de kerkhervorming
te vermelden. Dat gebeurde natuurlijk niet van de ene dag op de andere, sommige
mensen waren direct enthousiast, anderen bleven voorlopig nog trouw aan de
oude moederkerk. Overigens begrijpelijk: voor iemand die van jongs af in
'n
bepaalde leer is opgegroeid, is het moeilijk aan te nemen dat hij zich nu plotseling
op een dwaal spoor zou bevinden. Voorhands bleven er nog heel wat Lunteranen,
die, zij het in het geheim, hun kinderen door een pastoor lieten dopen en diens
bijstand inriepen bij ziekte en stergevallen. Ook de jaarlijkse processietocht
in Lunteren, de zesde juli gewijd aan Sint Teunis, hield nog jarenlang stand.
Uit de verre omgeving, tot 't Gooi toe, kwamen de gelovigen om hieraan deel
te nemen, tot ergernis van Protestantse zijde.
Reeds in 1600 sprak
de synode uit Arnhem er haar afkeur over uit, dat met St. Toenis, zoals zij het
uitdrukte, zoveel mensen op dit heidens gebeuren af kwamen .Herhaaldelijk werd
de drost van de Veluwe opgedragen deze bijeenkomsten, desnoods met geweld, te
verstoren, maar de man liet zich wijselijk op die dag niet in Lunteren zien
Pas na 1667 wordt "St. Teunisdag" niet meer vermeld, zodat de Katholieke
Kerk pas meer dan honderd jaar later, althans in Lunteren, volledig bakzeil haalde.
Van
de eerste vijf voorgangers die Lunteren na de kerkhervorming heeft gehad, allen
trouwens van korte duur, is weinig bekend. De zesde, ds. Hubertus Liesselius,
heeft heel wat meer gegevens nagelaten, ook al weer vermeld in de Geschiedenis
van Ede deel 3.
Deze dominee heeft meer dan vijftig jaar in Lunteren
"gestaan", zoals een geijkte term dat weergeeft,van 1609 lot1662.
Vooral
de eerste jaren waren voor hem moeilijk: de gemeente kon amper zijn bescheiden
salaris opbrengen. De gehele financiële verantwoording op kerkelijk gebied
beruste in die jaren bij de voorganger; bij hem kwamen de inkomsten en hij
zorgde voor de uitgaven. Onder zijn beheer viel ook de armenzorg, vanouds een
kerkelijke aangelegenheid .Het pleit voor ds. Lesselius, dat hij ondanks de moeilijke
omstandigheden, de behoeftigen, niet alleen in zijn gemeente maar ook daarbuiten
naar vermogen hielp.
Later, nadat de dominee een aantal jaren op het
begrip naastenliefde had gehamerd, ging het beter. Mensen met geld gaven toen
behoorlijke giften voor hel diaconale werk en een van hen, Helmert Cnelisen, schonk
zelfs een perceel bouwland aan de Hul . Voor het goede doel worden zelfs in
logementen en herbergen bussen geplaatst al zette dat geen zoden aan de dijk.
Ondanks
de stijgende inkomsten bleef het moeilijk om in alle noden te voorzien. Toch,
weduwen, zieken, wezen of onnozelen, toen het woord voor geestelijk gehandicapten,
geen van hen klopte tevergeefs bij de predikant aan. Alleen hij zette van
al deze zaken geen letter op papier, dat vond hij teveel rompslomp.
Tenslotte
werden daar door de synode aanmerkingen opgemaakt, men wilde toch wel precies
weten wat er binnen kwam en waar het geld bleef .
Derhalve werd ds. liesselius
op woensdag 3 april 1662, het laatste jaar van zijn lange ambtsperiode, bij een
commissie, met aan het hoofd heer Everhard van Dalen van laer, op het matje geroepen.
Hij verscheen daar echter met, maar volstond met een schriftelijke verklaring
te sturen.
Daarin stelde hij meer dan vijftig jaar, als getrouw predikant,
naar eer en geweten het diaconale werk in Lunteren te hebben verricht, vaak ten
koste van zijn eigen schamele inkomen. Bovendien wees hij er op dal geen van zijn
voorgangers dergelijke aantekeningen hadden achtergelaten. Mede door dit blijk
van wantrouwen verzocht hij van deze taak ontheven te worden en wat elders al
was gebeurd, in zijn plaats twee armenmeesters te benoemen. De heren namen, ook
al gezien zijn leeftijd, genoegen met dit schrijven, bedankten de dominee uitvoerig
voor zijn goede zorgen, maar namen wel zijn suggestie over en benoemden twee
armenmeesters, Jan Jansen en Hendrik Aalberts. De twee aanvaarden 1 januari 1663
hun functie en waren dus de eerste diakenen van de Lunterse gemeente.
Na het
overlijden van ds. Liesselius werd hij opgevolgd door ds J. Wiselius, ook hij
hield de touwtjes van de diaconie in handen, zij het nu bijgestaan door de benoemde
armenmeesters . Nog altijd bleek dit onderdeel van het kerkelijk werk veel tijd
en geld vergen . Men ging echter niet over één nacht ijs elke aanvraag
werd terdege onderzocht en kon soms jaren de aandacht blijven vragen.

Een
goed voorbeeld daarvan geeft het volgende verhaal, dat bewaard is gebleven en
wat we hier met eigen woorden laten volgen. In 1675 werd op een landweg in de
Valk, onder een zware boom, door een voorbijganger een baby gevonden, volgens
de omschrijving "noch gans klein synde" .Dat kwam in die jaren meer
voor: een ongehuwde moeder werd als schande beschouwd . Indien Zij niet over eigen
inkomsten beschikte en familieleden het lieten afweten, was het voor de vrouw
bijkans onmogelijk haar kind zelf groot te brengen. Dus werd de zuigeling op een
in het oog lopende plaats te "vondeling" gelegd,in de hoop dat beter
gesitueerden er zich over zouden ontfermen.
De man nam het kind mee naar huis,
het bleek een jongetje te zijn, maar hoe het verder moest, wist hij
ook niet
.Hij ging naar ds. Wiselius in Lunteren, waartoe de Valk kerkelijk behoorde Dominee,
als hoofd
van de diaconie , vroeg hem de kleine nog een paar weken te houden
mochten er geen verwanten worden gevonden, dan zou hij een tehuis zoeken . Inderdaad
slaagde hij daarin het echtpaar Geurtsen, zelf kinderloos, bleek bereid de jongen
groot te brengen,zij het tegen een vergoeding van veertig guden per jaar.
Dominee
en vooral de twee diakenen vonden dat bedrag wel wat hoog maar gingen uiteindelijk
accoord mits mocht Geurtsen onverhoopt zou komen te overlijden, zijn vrouw onder
dezelfde voorwaarden, voor het kind zou blijven zorgen . Blijkbaar bezaten
de heren een vooruitziende blik, want nog geen twee jaar later overleed Geurtsen.
De
weduwe deed haar woord gestand, zij was van de jongen gaan houden en omgekeerd
beschouwde hij haar als zijn eigen moeder.
De jaren vergingen: ds. Wiselius
overleed, voor korte tijd opgevolgd door ds A. Hoppenbrouwer, tot ds.
W. Ribbius
zijn intrede in Lunteren deed. Deze, die de vondeling alleen van de jaarlijkse
uitkeringen kende, besloot in december 1684, vergezeld van de diakenen Reyer Goosens
en Willem Francke, een bezoek aan de weduwe te brengen.
De jongen moest nu
ongeveer veertien jaar oud zijn, tijd om over zijn toekomst te praten. Op die
leeftijd gaan werken was heel normaal ten einde een steentje tot zijn levensonderhoud
bij te dragen. Zij troffen een schriel verlegen kereltje, zo op het oog, totaal
ongeschikt voor boerenknechtje of ander zwaar werk. Bovendien bleek uit de weinige
woorden die de jongen losliet, dat hij een spraakgebrek had, zoals dominee vaststelde:
"mangel aan de tong". Er werd besloten, op kosten van de diaconie, een
dokter uit Veenendaal te ontbieden, om de jongen te onderzoeken .Deze concludeerde:
alleen geschikt voor schaapherder. Vrijwel elke boer beschikte over een kudde
schapen die voor het dagelijks weiden werden toevertrouwd aan een bejaarde man,
niet langer tot zwaarder werk in staat, of een opgeschoten jongen .
Men vond
Jacob Jansen Varenkamp bereid de jongen, tegen kost en inwoning, als schaapherder
in
dienst te nemen. Maar nadat hij het minne ventje had gezien, vroeg hij alsnog
een tegemoetkoming van
vijf en twintig gulden per jaar. De diakenen, die er
toch een voordeel van vijftien gulden in zagen, stemden toe. Varenkamp zou het
geld echter nooit beuren: na twee dagen met de kudde te hebben opgetrokken, hield
de jongen het voor gezien en keerde terug naar zijn oude vertrouwde omgeving,
weduwe Geurtsen. Deze ontroerd door zijn aanhankelijkheid, haalde hem als
een verloren zoon in huis, zonder de diaconie daarvan op de hoogte te stellen
.
Pas na anderhalf jaar werden haar financiële zorgen zo groot dat zij
de armenmeesters toch om bijstand vroeg. De broeders waren aanvankelijk verontwaardigd,
zij wisten nergens van. Gezien echter haar moeilijke omstandigheden streken
zij met de hand over het hart en besloten tot een eenmalige uitkering van dertig
gulden. Wel bleef het zaak dat de jongen zo gauw mogelijk zijn eigen kost zou
verdienen.
Ditmaal slaagde de weduwe er zelf in de knaap onder te brengen
bij een goed bekend staande boer, Teunis Wouterse, opnieuw als schaapherder.
Nu
ging het een paar weken goed, tot hij weer bij de weduwe opdook De diaconie heeft
thans een pasklare oplossing bij de hand, ene Bessel Jansen is het college nog
geld verschuldigd en kan door de jongen in huis te nemen zo zijn zchuld vereffenen
. Drie maal is scheepsrecht: binnen een maand was hij weer op zijn oude adres.
De
weduwe maakte geen drukte meer en hield de jongen zonder meer bij zich. Hij was
oud genoeg om haar grond te bewerken en allerlei huishoudelijke karweitjes te
doen. Na de dood van weduwe Geurtsen wordt de jongeman onder gebracht bij Wouter
Jacobsen.
Mede door de wetenschap dat terugkeer naar zijn pleegmoeder onmogelijk
was geworden, blijkt het goed te gaan.
Na 1714 worden wat hem betreft geen
aantekeningen in de annalen van de Lunterse diaconie meer gevonden, zodat men
aanneemt dat hij omstreeks die tijd is overleden.
Wij hebben dit verhaal wat
uitvoerig verteld om aan te tonen hoeveel tijd één geval van hulpverlening
dominee en diaken kan kosten.

 
|