Onder
de mensen die in het vooroorlogse dorpsleven een belangrijke rol hebben gespeeld,
behoort ongetwijfeld Johan Plooy. Hij was geen rasechte Edenaar maar al gauw
ingeburgerd en bewoog zich, naast zijn werk, op nagenoeg alle terreinen van
het openbare leven. Johan Plooy werd geboren 25 februari 1888 te Schiedam en kwam
in 1912 naar Ede als uitvoerder decorateur van een Rotterdams schildersbedrijf,
Tuynenburg Muys en Co. De bedoeling was voor een half jaar, maar inplaats dat
Plooy na deze termijn vertrok, ging de firma en nam hij de zaak over. Deze was
gevestigd aan de eerste weg links van de Bennekomseweg, even na het tegenwoordige busstation,
destijds bekend als het Parklaantje. Het pand werd later aangekocht door de A.K.U.
waardoor schildersbedrijf J.Plooy verhuisde naar Parkweg 71. De zaak stond al
gauw op poten; onder het motto "geen order te groot of te klein," alsmede
prima vakmanschap had Plooy weldra volop werk.
Tot de belangrijkste opdrachten
uit die eerste jaren behoorden o.m. het vliegveld aan de Zonneoordlaan, het vluchtelingenkamp
op de Ginkelse heide en de opvoedingsgestichten te Hoenderloo. Later kwam al het
schilderwerk aan complexen en woningen van de A.K.U .zodat hij veelal met vijftig
man of meer personeel werkte.

Maar
het is niet de bedoeling Plooy als schilder voor het voetlicht te halen, die waren
er meer in Ede, maar als mens voor de samenleving. Hij was een uiterst veelzijdig
en begaafd man met artistieke inslag, vol humor, sociaal gevoelig en interesse
voor alle mogelijke verenigingen. Mede door zijn altijd belangeloze medewerking
werd van vele zijden een beroep op hem gedaan en nimmer tevergeefs. Of het nu
sport, muziek of toneel betrof, hij stelde steeds zijn diensten ter beschikking.
Voor de grote "Sparta"revue in 1936, ter gelegenheid van het veertigjarig
bestaan van deze gymnastiekvereniging, schilderde hij meer dan honderd vierkante
meter decor. Bovendien schreef hij samen met Lord v. Wijhe en Koch v. d. Linden
teksten
en liedjes voor dit spektakelstuk. Onnoemlijk veel vrijetijd heeft hij aan verenigingswerk
gegeven, daarbij krachtig gesteund door zijn vrouw, die eveneens over de nodige
humor beschikte. Alleen al de manier waarop deze verbintenis tot stand kwam,
typeerde hen. In Rotterdam had Plooy een vriend waar hij regelmatig aan huis kwam.
Deze had een zuster en na verloop van tijd bleek dat dit meisje en Johan elkaar
wel mochten. Het was nog in de tijd dat de ouders plechtigI om de hand van hun
dochter werd gevraagd. Dus wendde Plooy zich tot hen: "Ik heb jarenlang met
uw zoon omgegaan, maar zou nu graag overschakelen op de dochter", het
geen lachend werd toegestaan.

Eigenlijk
nam Johan Plooy met al dat belangeloze werk, naast zijn zakelijke beslommeringen
te veel hooi op zijn vork. Reeds in die jaren leed hij al, zij het in lichte mate,
aan vallende ziekte, al probeerde hij daar zo min mogelijk aandacht aan te
schenken. Zijn vrouw was echter wel degelijk bezorgd en nam voorzorgsmaatregelen.
Plooy was een trouw bezoeker van voetbalwedstrijden, een tijd lang zelfs voorzitter
van de v.v. "Ede", maar als hij naar een wedstrijd ging, moest op last
van moeder, zijn oudste zoon mee, gewapend met een flesje eau de cologne en schone
zakdoek.
Mocht vader van de kaart raken, hetgeen door opeenhoping van mensen
gepaard gaande met de spanning, in de hand werd gewerkt, dan was met. deze eenvoudige
hulpmiddelen het euvel gauw verholpen. Dat liep evenwel mis toen vader en zoon
een Holland-België wedstrijd in Amsterdam bezochten, maar niet in hetzelfde
vak terecht kwamen. Prompt werd Plooy, even voor de rust, getroffen door een aanval.
Grote consternatie bij de omringende bezoekers, even later werd Plooy per
G.G.D. in sneltreinvaart naar een ziekenhuis gereden.
In afwachting van verdere
behandeling werd hij met brancard en al in de hal gezet. Daar hing een sterke
etherlucht. die hem evenals eau de Cologne, al gauw weer bij zijn positieven bracht.
Hij keek om zich heen en vroeg een passerend zustertje: Waar ben ik
eigenlijk?
"In het ziekenhuis, u bent onwel geworden. " was het
antwoord. Tot haar verbazing sprong Plooy pardoes van de brancard en riep: "Ik
heb een kaartje voor het stadion en niet voor een ziekenhuis." Hij kreeg
het voor elkaar dat opnieuw de ziekenauto kwam om hem, nu zittend naast de
chauffeur, weer naar het stadion te brengen. Tot grote verbazing van de andere
voetbalenthousiasten, nam hij even later onverstoord zijn plaats weer in.
Toch
werd dit een duur uitstapje, want een paar weken later ontving hij een rekening
van de Amsterdamse G.G.D. a vijfentwintig gulden voor verricht ziekentransport.
Ondanks zijn stelregel: wat ik niet heb besteld, betaal ik ook niet,kon
hij er niet onderuit en heeft,zij het met tegenzin,aan de kosten voldaan.
Bepaalde
toestanden,die in het conservatieve Ede van die jaren veelvuldig voorkwamen,zoals
de Zanding,het prachtige natuurbad dat op zondag gesloten bleef. Verbod op zon
en feestdagen of het niet voldoende behartigen van Edese belangen stelde hij op
scherpe wijze aan de kaak. Maar niet alleen de mistanden in ons dorpwaren voor
hem een inspiratiebron. Er kon geen uitvoering of bazar door een bepaalde vereniging
georganiseerd worden of jij stimuleerde door middel van een gedicht tot bezoek.
Intens leefde hij mee met de zwakkere in onze samenleving en bracht dat ook in
praktijk.
Op een wintermorgen genoot hij van een borreltje,behaaglijk
bij een snorrende kachel in Buitenlust,waar in die tijd de heer Lotgering de scepter
zwaaide. Uit het raam zag hij een marskramer ,kistje met handelswaar voor de buik
hangend,kleumend van de kou ,over de Stationsweg slenteren. Na kort overleg werd
de man geroepen,die al verheugd misschien een paar veters te verkopen ,naar binnen
slofte. Tot zijn verbazing werd hij bij de kachel neer gezet en even later stond
er een knaap van een uitsmijter voor hem,met het verzoek die eerst maar eens rustig
op te eten.
De verbaasde man dacht in sprookjesland terecht te zijn gekomen
en liet er geen gras over groeien. Smakelijk veroberde hij deze gratis maaltijd
,terwijl de drie tevreden toekeken..Vervolgens kochten zij een paar klosjes garen,waarna
de koopman verwarmd en gevoed vertrok,ten volle overtuigd dat de wonderen nog
niet de wereld uit waren.
Dat was Johan Plooy, een man met zoveel verdienstelijke
eigenschappen, maar als zovelen, door de grote massa allang vergeten. De crisis
en latere oorlogsjaren hebben hem geen goed gedaan; zijn gezondheid ging geleidelijk
achteruit,hij overleed op 23 april 1953. Tot besluit de laatste vier regels
van zijn gedicht "Dromen" uit 1932, waarin hij opsomt wat hij allemaal
voor Ede zou doen als hij miljonair was.
Een halve ton vermaak ik aan het spoor
Daar
moet een tunnel onderdoor
Ik verwacht, al komt het voor elkaar
Dan heeft
mijn kleinzoon al grijs haar.
Wat een vooruitziende blik, nu pas hebben de
plannen vaste vorm aangenomen en hoopt men in 1982, dus
precies vijftig jaar
later, de tunnel gereed te hebben.

H.
J. Nijenhuis

