We
hebben in deze rubriek al meerdere malen Edenaren even uit de vergetelheid gehaald
die eens in min of meerdere mate bekendheid bezaten. ditmaal echter een paar regels
over een man, die als velen uit onze vroegere dorpsgemeenschap, zonder enige publiciteit,
rustig en tevreden zijn weg ging, Jacob Jansen. Overigens had deze Job, zoals
men hem noemde, wel de nodige belevenissen achter de rug.
Als jongeman vertrok
hij met een kameraad, Teunis Borger, naar Johannesburg, Zuid-Afrika. Daar was
volop werk in de goud en diamantmijnen om grof geld te verdienen, althans volgens
de geruchten. Dat werk klopte wel maar de verdienste vielen zwaar tegen terwijl
mijnwerkers een uitermate riskant beroep bleek. Zo vond in 1914, in de mijn waar
de Edenaren werkten een enorme ontploffing plaats, die ruim tachtig slachtoffers
eiste waaronder ook zijn kameraad. Job raakte daarvan zo onder de indruk dat hij
ontslag nam en naar Durban trok om werk te vinden bij een droogdokfirma, een minder
gevaarlijke arbeid.
Tijdens de eerste wereldoorlog werd ook in Afrika
gevochten. Duitsland bezat daar destijds nog koloniën, die werden aangevallen
door de Engelsen, met als uiteindelijk resultaat dat de Duitsers hun bezittingen
kwijt raakten. Job Jansen droeg daar een bescheiden steentje aan bij door als
vrijwilliger dienst te nemen bij het Engelse leger. Hij nam deel aan verschillende
gevechten tot hij krijgsgevangene werd gemaakt. Job belandde in een kamp maar
wist al spoedig, met behulp van een boer, die dagelijks het keukenafval ophaalde,
te ontsnappen.
Verborgen onder een berg aardappelschillen werd hij ongemerkt
de poort uitgereden. Na het einde van de oorlog, 1918 werkte Job nog jaren
bij een grote firma belast met het aanleggen van nieuwe spoorlijnen.
Afstanden
van honderden kilometers door de wildernis waren daarbij heel normaal,de arbeiders
werden ondergebracht in keten, die al naar het werk vorderde steeds werden verplaatst.
In de avond werden grote vuren ontstoken om de talrijke roofdieren op een afstand
te houden.
Begin dertiger jaren keerde Job Jansen terug naar zijn geboorteplaats
en werd opperman bij de firma van Gestel, waar ik hem heb leren kennen. Vrij klein
van postuur, een oud legerpetje op het hoofd en zo, op het eerste gezicht allesbehalve
geschikt voor het zware oppermanswerk. Het sjouwen van stenen en bakken specie
gebeurde in die dagen door het vrachtje op de schouder te plaatsen, een inspannende
bezigheid. Maar Job verrichtte rustig, zonder morren of kankeren, trouw zijn werk,
zelfs meer dan dat. Elke morgen was hij een kwartier eerder present om alvast
een bed specie te maken, zodat als om zeven uur de arbeid begon, de metselaars
meteen aan de slag konden.
Over zijn buitenlandse avonturen praatte hij
zelden, tenzij bij een bepaalde gelegenheid, een eerste steenlegging of pannenhangen,
een borrel werd geschonken.
Zodra Job de hoogte kreeg kwam hij los, sterke
verhalen volgden dan waarna hij bekende Zuidafrikaanse liedjes begon te zingen.
Als de rest daarmee instemde, glunderde zijn hele gezicht en wist vaak van geen
ophouden.
In wezen was Job Jansen een eenzame onopvallende figuur, is nooit
getrouwd geweest en had zijn onderdak bij familie in de Molenstraat, maar ongetwijfeld
heeft ook zijn leven, als van ieder ander zin gehad.
H. J.
Nijenhuis