Als
men oud mag worden en het vooruit zien plaats maakt voor een terugblik op de afgelegde
weg, wordt duidelijk dat elk leven, of men het al of niet ver in de wereld
heeft gebracht, zinvol kan zijn. Onlangs hebben we In Harskamp, aan de Harderwijkerweg,
een middag gezellig zitten babbelen met Jacob Jacobsen, waar deze stelling nog
eens werd bewezen.
Deze Jacob stamt uit een gezin van vijftien kinderen, waarvan
hij de achtste, dus juist de middelste was. Daar hij naar zijn vader was genoemd
werd hij als gauw al Job van Job betiteld en door oudere mensen werd zelfs zijn
grootvader er bij gehaald en klonk het: Job van Job van Rik. Overigens een sterk
geslacht want van deze vijftien zijn er op dit moment nog veertien in leven.
Lange
tijd hielden de Jacobsen dan ook elk jaar een uitgebreide familiedag, maar door
het steeds toenemende aantal kinderen en kleinkinderen is het organiseren
daarvan thans wat moeilijker geworden . De jeugd van Job Jacobsen onderscheidde
zich weinig van zijn leeftijdgenoten; hij ging naar school en haalde daar en elders
het nodige kattenkwaad uit. Een geliefd spelletje was zich mee laten slepen achter
de melkwagen van Luttikhuizen, waar hij zijn verdere leven een souvenir aan over
hield. Eens raakte zijn linkervoet onder een wagenwiel met het gevolg dat de kleine
teen werd afgekneld. Nadat de pijn geleden en de wond genezen was, beschouwde
Job het gebeurde nog als een voordeel. Voortaan zat de linkerschoen veel ruimer
aan zijn voet dan de rechter.
Bij een dergelijk gezin is het, na de schooljaren,
voor de kinderen meteen werken geblazen en voor Job werd hier geen uitzondering
gemaakt. Nu lag de werkgelegenheid in het toenmalige Harskamp niet voor het opscheppen.
Er
was geen industrie, maar wel werkten een aantal mannen in het militaire schietkamp
en bij radio Kootwijk, het merendeel was echter op de landbouw aangewezen. Jonge
mannen trokken zelfs naar Scherpenzeel en Woudenberg,waar grote veeboeren woonden
om zich daar als knecht te verhuren. Maar Job zocht het dichter bij huis en kwam
in dienst bij boer Onderstal en het bleek behoorlijk aanpakken, zonder dat evenwel
het uiterste van hen werd gevraagd. De boer bezat een humane stelregel. "Als
je iets niet kent is van minder belang, dat leer je wel, beroerder wordt het als
je niet wilt. Job wilde wel en het toch behoorlijk zware werk maakte
van hem een gespierde jongeman, die bovendien niet bang was uitgevallen. In
de stallen stond een machtige stier, bijkans duizend kilo zwaar, die, naarmate
hij ouder werd, zich steeds meer onhandelbaar toonde, alleen Job kon er nog mee
overweg.
Tenslotte besloot Onderstal het dier naar de slachtplaats in Apeldoorn
te brengen, een heel karwei, want nadat je stier met moeite in een veewagen was
geladen ging hij dermate tekeer dat geen plank van de wagen heel zou blijven.
"Wacht
maar," meende Job, "hij kent me goed, ik ga wel bij hem staan,"
Niet zonder gevaar,maar inderdaad ,het verdere transport bleef de stier rustig.
Bij
het abattoir gekomen begon het lieve leven opnieuw, op verzoek van de chef bracht
Job het dier zelf naar de
slachtplaats waar twee schoten een einde aan zijn
leven maakten. Job Jacobsen bleef bij Onderstal tot de militaire dienst hem riep.
Mede vanwege zijn paardenkennis werd hij ingedeeld bij de huzaren te Amersfoort.
Daar maakte hij de rumoerige mobilisatieweken mee in de nazomer van 1939. Op hoog
bevel moesten manschappen en paarden ,naar Den Haag worden overgebracht. Het vervoer
zou per trein plaatsvinden en had nogal wat voeten in de aarde.
De paarden
werden naar het perron gebracht, waar een aantal infanteristen klaar stond om
bij het inladen een handje te helpen. Deze jongens waren echter minder gewend
om met paarden om te gaan. Enkele dieren ontsnapten,werden wild en staken anderen
aan. In korte tijd was de chaos compleet: meer dan zestig paarden draafden her
en der waarts over het uitgestrekte perron.
Nadat eindelijk, dankzij ingrijpen
van de huzaren, de orde was hersteld, bleken zeven viervoeters zodanig gewond
te
zijn, dat zij moesten worden afgemaakt.
In Den Haag kregen de huzaren
tot taak de, uit alle streken gevorderde paarden, geschikt te maken voor het leger.
Dat
lukte niet voor honderd procent er,waren circuspaarden onder die alleen op muziek
wilden lopen terwijl de dieren van groente en schillenboeren om de tien meter
gingen stil staan. De paarden waar werkelijk niets mee viel te beginnen werden
al gauw naar de rechtmatige eigenaars teruggestuurd.
Na vijf oorlogsdagen
kon Job Jacobsen, mede door het feit dat hij in de landbouw werkzaam was, al gauw
weer naar huis. Hij keerde evenwel niet terug naar Onderstal maar zocht en vond werk
in de bossen. Hout werd in deze oorlogsjaren zeer belangrijk, hele stukken bos
werden geveld.
De takken, tot lange bossen gebonden, deden dienst als rijshout
voor waterbouwkundige werken terwijl de stammen naar de zagerij verdwenen.
Dat
betekende voor Job opnieuw zwaar werk, het slepen van chef hout uit de bossen
en daarna het laden moest uitsluitend met handkracht gebeuren. Bovendien werd
later aan Job ook de verzorging van de paarden toevertrouwd, hetgeen, gezien de
steeds toenemende voedselschaarste voor dieren ook voor de nodige problemen mee
bracht.
Na de bevrijding trok Job, samen met een kameraad, Gerard Heiwegen,
wekenlang naar hei en bossen, op zoek naar oorlogsbuit, wat overigens meerdere
Harskampers deden. Pantservuisten, mortiergranaten en alle mogelijke verdere munitie
lagen er in overvloed. Door er met een karabijn op te schieten werden deze tot
ontploffing gebracht.
Dat deze liefhebberij vrijwel altijd goed ging zijn beiden
nu nog verbaasd over . Toch heeft Job het riskante van deze
hartstocht leren
kennen. Eens vond hij een prachtige, bijna gloednieuw cylinder revolver, zij het
zonder kogels. Maar geen nood, hij had inmiddels zoveel munitie verzameld, daar
zou ongetwijfeld wel, wat bij zijn.
Inderdaad, hij vond een aantal kogels die
vrijwel pasten. Job pakte er één, deed die in de cylinder, nog een
klein
tikje met de hamer op de 12 mm kogel en met een daverende knal ging de
revolver af. De hand waarmede Job het
wapen vasthield werd gedeeltelijk opengescheurd
en even was hij totaal beduusd. De ijlings ontboden dokter Beumer uit Otterlo,
schold hem de huid vol over zoveel lichtzinnigheid voor een volwassen man en verzorgde
daarna de hand die uiteindelijk goed geraas al zijn de littekens nu nog duidelijk
zichtbaar. Na de eerste schrik werd naarstig naar de kogel gezocht, doch zonder
resultaat.
Tegen de avond kwam een buurvrouw aanzetten met het verzoek haar
aan wat klein geld te helpen. Dat zal wel gaan,meende Job en greep met zijn gezonde
hand naar de linkerborstzak van zijn overall, het dagelijkse kledingstuk, waar
hij gewoonlijk zijn portemonnaie opborg. Hij bleef bijkans verstijfd zitten,
de portemonnaie bleek aan flarden en tussen de gedeeltelijk gesmolten zinken
oorlogsmunten zat de kogel. De leren geldbeurs, juist op de plaats van de hartstreek,
had hem het leven gered. De enigzins beschadigde kogel heeft Job, als souvenir
en bewijsstuk, door de jaren heen trouw bewaard. Nadat de capitulatie van Japan
een feit was, bezocht prins Bernhard de legerplaats Ermelo om te trachten daar
een vrijwilligersbataljon te formeren dat naar Ned. O. Indië zou vertrekken
teneinde daar voor rust en orde te zorgen. Naast een aantal beroepsmilitairen
meldden zich ruim voldoende vrijwilligers, ook uit onze gemeente,waaronder Job
Jacobsen.

Hij
zag wel wat in een dergelijk avontuur en vertrok, met vele anderen, onder de naam
"Het Veluwe bataljon" ook wel "De Haantjes" genoemd, op 15
oktober 1945 naar Engeland om een tropenopleiding te volgen. Vervolgens ging het
met de "Nieuw Amsterdam" naar Malakka waar een oponthoud volgde want
voorlopig mocht Ned. 0.Indië niet binnen trekken. Pas na drie maanden werd
de reis naar Batavia voortgezet. Daar kreeg Job weer last van een oude kwaal,
perforatie aan zijn rechteroor. Derhalve werp hem lichte dienst voorgeschreven
en kwam hij aan gevechtshandelingen niet toe.
Mede daardoor heeft hij maar
weinig van de wonderschone Indische Archipel kunnen genieten, waarvan hij nog
altijd
spijt heeft. Job werd zelf 't vervroegd met "de Grote Beer" naar het
vaderland teruggestuurd, waar hij in Utrecht aan zijn kwaal werd geopereerd. Weer
terug in zijn geboorteplaats kocht hij de boerderij van zijn moeder ,ging boeren
en werkte, in slappe tijden, zelfs in de bouw. In 1966 trad hij, als wegwerker,
in dienst van gemeentewerken. Aanvankelijk lag zijn werkterrein in Lunteren, hetgeen
betekende elke dag, weer of geen weer, er met de brommer op uit.
Later ging
dat beter, hij kon meer in de omgeving van Harskamp blijven en werd zelfs ploegbaas
In 1981 ging Job
Jacobsen met vervroegd pensioen. Thans bezit hij nog één
grote hobby, planten en bloemen kweken, waardoor zijn tuin, bij zomerdag een lust
voor het oog is. Dit was de levensloop van een eenvoudig man, zoals er tienduizenden
zijn, maar waarvan het memoreren toch de moeite waard blijft.
H. J. Nijenhuis

