Dominee Dirk Adrianus Detmar

 

 

Maar eerst wat nadere gegevens over Dirk Adrianus Detmar, geboren op 9 augustus 1774. Hij ontwikkelde zich als een leergierige jongen, dankzij een goed stel hersens. Toch kon, voorlopig althans. Van verder leren kon geen sprake zijn. Op twaalfjarige leeftijd was het voor hem werken geblazen. De jonge Detmar kwam in de leer bij een schildersbaas en werd een prima vakman. Hij heeft later, nadat hij was getrouwd zelfs een eigen schilderszaak gedreven. Geleidelijk ontstond echter bij hem, het verlangen naar een dieper inzicht en kennis van Bijbelse waarheden om daarna als predikant werkzaam Ie kunnen zijn. Derhalve vroeg hij raad de, in die jaren, zeer bekende Krieger uit Den Haag.
Deze, overtuigd van de serieuze bedoelingen van de schilder, zorgde voor een dusdanige studie aan de Utrechtse universiteit, die nog voldoende lijd overliet om, middels zijn vak, voor zijn gezin (het echtpaar had inmiddels al een kind) te kunnen zorgen.
Dankzij medewerking van verschillende hoogleraren en zijn onverflauwde studiezin legde hij reeds in 1806 met goed gevolg zijn candidaats-examen af. Hij werd in september van datzelfde jaar als predikant bevestigd.
Na enkele kleinere gemeenten te hebben gediend vertrok ds. Detmar in 1815 naar Woerden. AI spoedig stond
hij bekend als een goed spreker en hulpvaardig man. Dat laatste kwam vooral tot uiting tijdens de cholera epidemie die in 1832 deze stad teisterde. Onvermoeibaar en zonder enige angst voor besmetting bezocht hij de talrijke zieken om troost en bemoediging te brengen. In Woerden openbaarde zich tevens zijn schrijverstalent: hij schreef daar zijn eerste boek:"Eenvouge brieven". dat een oplaag van 125.000 stuks bereikte, in die jaren een enorm aantal.


Op 18 juni 1833 bracht de Edese kerkeraad een beroep op hem uit, waarvan de afwikkeling de nodige tijd
vergde. ds. Detmar aanvaardde het beroep, maar een aantal Edese lidmaten tekende protest aan tegen zijn
komst. Zij hadden, zij het bij geruchte, vernomen dat ds. Detmar nog al eens botste met de opvattingen van zijn
gemeenteleden, allerminst bevordelijk voor een hechte band tussen gemeente en voorganger. De Edese kerkeraad zond het bezwaarschrift door naar de classis te Arnhem, die op haar beurt eenzelfde college te Leiden om nadere informatie vroeg. Uit de sleutelstad kwam een loffelijk getuigschrift waarin ds. Detmar werd beschreven als een man, onberispelijk in leer en wandel en een waardig voorganger. Ook kerkelijke molens malen langzaam, in al dat over en weer schrijven ging de nodige tijd zitten,zodat pas zondag 12 october 1834 ds. Detmar zijn intrede te Ede deed, waar hij werd bevestigd door ds. T,v.d. Schuylenburg uit Waarde. Men heeft er geen spijt van gehad; ds. Detmar kon niet alleen in zijn preek duidelijk tekst en uitleg geven van het behandelde Bijbelgedeelte, maar verstond tevens de kunst om met mensen van allerlei slag om te gaan. Ook de mensen die aanvankelijk bezwaar tegen zijn komst hadden, gingen al gauw overstag.


Maar om terug te komen op het in de aanhef genoemde boek, ds. Detmar begon de dienst van 4 februari 1838,
waarvoor hij, gezien de omstandigheden, weinig tijd van voorbereiding moet hebben gehad, met de volgende inleiding. Vanwege het taalgebruik en volzinnen, gebruikelijk in die tijd, maar nog altijd prachtig om te lezen, citeren we een gedeelte.
Geliefde dorpsbewoners, welk een schrikwekkenden en droevige nacht hebben wij gezamenlijk doorgeworsteld. Een en nacht die ons door treurtoneelen onvergeetelijk blijven zal.
De angstkreet der benauwdheid en het somber geluid der noodklok waren de vreeselijke roepstemmen die ons uit den slaap opwekten en wij zagen de verslindende vlam zich woedend uitbreiden; in vuurkolommen zich naar
boven verheffen, terwijl hij de woningen der ongelukkigen aantastte, vernielde in puinhopen deed verkeren en bedreigde zich al verder en verder uit te breiden.. Hoe klopten onze harten bij het meerder opsteken van den wind, bij de vreeselijke gedachte zal spoedig geen water tot blussching meer voorhanden zijn.. Hoe ontvlooden tranen aan onze oogen bij het aanschouwen der ongelukkigen, die in den strengen nacht, sommigen bijna naakt en verkleumd van koude, van woning verstoken, rondzwierven, maar ook dadelijk Ede's opregte menschlievendheid ondervonden en wie las niet in dien vreeselijke nacht een opschrift op de verwoestende vlammen en rookende puinhopen, als met den vinger Gods geschreeven:

Komt en aanschouwt de daden des Heeren, die verwoestingen op aarde.. ..aanrigt.. " Zo verschrikkelijk was op dien stond onzen toestand en het vooruitzigt was nog meer onheilspellend en donker.Wat zal onzen toestand worden, indien den wind in eene meer dorpswaarts gerigte rigting, met heviger woedende vlammen voortstuwt.. Wat zal ons blusschingsmiddel
zijn, indien, bij ons gebrek aan rivieren, dus wellen hunne water onthouden.. Wat zal er. van ons worden indien onzen
middelen ter blussching van den brand, door scherps koude bevriezen of wanneer de strikte orde, door menschlievendheid en zelfbehoud aangevuurd, door fellen koude wordt belemmerd.
Die vragen rezen voorzeker op in het gemoed van eiken belangstellenden dorpsbewoner.


Zo gaat hel nog even voort, tot ds Detmar bij zijn eigenlijke preek belandt naar aanleiding van Klaagliederen III
vers 22 en 23, die resp.. luiden: "Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben" en "Zij zijn elke morgen nieuw, Uwe trouw is groot."


Het zou te ver voeren deze preek in haar geheel weer Ie geven: geïnteresseerden kunnen het bewuste boekwerk
bij het museum wel ter inzage maar niet te leen krijgen. Aan het slot van zijn preek bracht ds. Detmar nog eens dank aan de Edese burgerij voor de spontane hulpverlening mei de volgende woorden:


Voorzeker, uwe opregte deelneming
waarde dorpsgenooten. heb ik in veel
bijzonderheden tijdens mijn verblijf onder U leeren kennen en ik heb mij niet
bedroogen loen ik dezen morgenstond
deszelve bovenal verwachtte.." Tot besluit het eerste couplet van hel gedicht
"Ontboezeming" dat ds.. Dtmar, eveneens naar aanleiding van deze brand,schreef:
"Zo is den akelig bangen nacht
Mijn dorpsgenooten, doorgebragt
In rustloos angst en zorgen
Maar, o Gods liefdrijk Albestuur
Beteugelde het woedend vuur
Gaf gankstof in den morgen.


De goede band die reeds tussen voorganger en gemeente bestond,werd door het gebeurde nog hechter .
ds. Detmar voelde zich in Ede volkomen thuis, getuige het feit dat hij elk op hem uitgebracht beroep van de hand
wees. Deze voorganger heeft ook een belangrijke rol gespeeld bij de tot standkoming van het allereerste orgel in de grote kerk. De ingebruikname daarvan met een concert op zondag 25 februari 1845, heeft hij helaas niet meer mogen meemaken. Dirk Adrianus Detmar overleed 5 augustus 1844. Hij werd precies op zijn zeventigste verjaardag begraven op heloude, thans verdwenen, kerkhof aan de Paasbergerweg.
Op zijn graf, werd een gedenknaald geplaatst, die in de loop der jaren zodanig verweerde dat in 1932 een
grondige restauratie nodig bleek. Op deze naald werd het volgende opschrift aangebracht: "Door zijn vrienden aan D. A. Detmar, laatstelijk predikant te Ede, geboren 9 augustus 1774, overleden 5 augustus 1844. Openbaringen 14 vers 18" Na het ontsluiten van "de Bree", de grond tussen Maandereind en Klinkenbergerweg, werd, als blijvende herinnering, één van de daar aangelegde wegen naar hem genoemd, de Detmarlaan.

H. J. Nijenhuis