Een gouden buurtscheuter

 

Onlangs hebben we een middag gezellig zitten babbelen met de bejaarde ,maar nog zeer vitale, heer Folsche aan de Bosrand vroeger bekend bij elke Edenaar. Wij luisterden naar de levensloop vol afwisseling, zeker de moeite waard er over te vertellen.
Gerrit Hendrik Folsche werd 30 december 1895 geboren en ging na zijn schooljaren, bij een timmermanmansbaas werken ,tot de militaire dienst hem riep. Mede door de mobilisatiejaren werd het 1919 voor hij zijn burgerkleren weer op kon zoeken.
Inmiddels was zijn vader, buurtscheuter van de aloude buurt Ede-Veldhuizen, ziek geworden en zou dat zelfde jaar overlijden.
   

Gerrit nam voorlopig het werk van zijn vader waar, om op de buurtspraak van 18september 1919 officieel tot buurtscheuter te worden benoemd.
Op diezelfde bijeenkomst gehouden in de Posthoorn,trad de heer Leendert Tulp af als buurtrichter en werd opgevolgd
door de heer Hendrik Staf. Het dagelijks bestuur bestond uit een buurtrichter , de man die de vergadering leidde, een buurtschrijver, verantwoordelijk.
Voor de notulen en verder schrijfwerk, alsmede de buurscheuter . Deze laatste moest toezien dat bepalingen en voorschriften door de buurt vastgesteld, werden nageleefd.. Het salaris bedroeg in 1919 125,- per jaar waar Folsche wel het nodige voor moest doen. Allereerst het toezicht op de vele,uiteraard zandwegen die de buurt bezat ,tot aan de Schuttersteeg toe.

Veel geld kon aan onderhoud niet worden besteed ,men bepaalde zich tot van tijd tot tijd slechten van diepe wagentransporten en kuilen. Ook het verpachten van het gras op de bermen,waar mensen die niet over grasland beschikten,hun koe konden weiden,behoorde tot het werk van de buurtscheuter.Vervolgens controle op de heide ,waar geërfden ,volgens overeenkomst vrij plaggen konden steken en grint halen,maar waarvan ook niet gerechtigden soms trachten te profiteren. Ook het zandgat op de Klinkenberg,een hoofdstuk apart,vergde heel wat tijd van Folsche. Tot 1911 stuurde een metselaarsbaas ,als hij een woning had te bouwen,zijn opperman met kruiwagen er een paar dagen opuit,om een voorraad metselzand te halen. Aan het Heuvelsepad en iets verder bij de z.g. Mollendennen,lag prima scherp zand voor het opscheppen. Doordat een iede zijn eigen gang ging,ontstonden overal kuilen,het geen ontsierend op het landschap werkte.
Welliswaar bestond het voorschrift dat een gat eerst dichtgegooid moest worden alvorens een nieuw te graven,maar daar kwam in de praktijk weinig van terecht. Daarom werd in genoemd jaar 1911,door de buurt ,waartoe deze grond behoorde ,een plaats op de Klinkenberg aangewezenwaar voortaan uitsluitend zand gehaald mocht worden, als spoedig bekend als "'t Zandgat". Bovendien niet langer gratis, een kubieke meter zand, precies een stortkar vol, kostte nu vijftien cent. De buurt nam een arbeider in vaste dienst, de heer Welgraven, die het zand,scherp en betonzand, sorteerde en zorgde dat er voldoende voorraad op hopen lag.

De controle op het weggehaalde zand berustte bij de buurtscheuter, dus vanaf 1919 bij Gerrit Folsche. Deze gebruikte daarvoor z.g. weekboekjes, waarin, aan de hand van gegevens, verstrekt door Welgraven, keurig werd bijgehouden hoeveel zand en aan wie in een bepaalde week was geleverd om later de afnemers een rekening te sturen.
Al lag de prijs betrekkelijk laag, bij grote afname kon het toch aardig oplopen. Zo vlak na de Eerste Wereldoorlog, toen in Ede de A.K.U. fabrieken en honderden woningen verrezen, waarvoor al het benodigde zand van de Klinkenberg kwam, konden jaarlijkse winsten van acht honderd gulden of meer geboekt worden. Helaas kwam in 1932 een einde aan deze goud , liever gezegdz"andmijn".
Op dinsdag 9 juni van dat jaar werd een buitengewone buurtspraak gehouden met als enige agendapunt: overname
van alle wegen en een aantal bezittingen door de gemeente Ede.' Het. Afstaan ondervond weinig tegenstand, de buurt beschikte toch niet over voldoende middelen om deze naar behoren te onderhouden. Maar onder dat "aantal bezittingen" viel ook het zandgat met omliggend bos, de gemeente wilde deze grond persé in haar bezit hebben, anders ging de handel niet door.
Als argument werd aangevoerd de gestadige uitbreiding van ons dorp, ook in oostelijke richting waarbij de enorme
kuil en het dagelijks rijden van krakende zandwagens een storend element betekende. Toen kwamen de tongen los,
juist het zandgat waar nog voor vele jaren prima zand aanwezig was, vormde vrijwel de enigste inkomstenbron
voor de buurt. Verschillende aannemers, op deze buurtspraak aanwezig, gingen, begrijpelijke wijze danig te keer .


Na lang debateren kwam men tot de volgende oplossing, de gemeente kreeg het begeerde zandgat en omgeving mits op het terrein vrije wandeling voor een ieder gegarandeerd werd en men zou zorgen voor een nieuw zandgat aan de Zonneoordlaan. Dat laatste is geen succes geworden, het zand bleek van mindere kwaliteit, terwijl ook in Ede, mede door de komst van vrachtauto's steeds meer rivierzand werd gebruikt, de buurt heeft er weinig plezier aan beleefd.
Zoals bekend werd in de dertiger crisisjaren het oude zandgat omgetoverd het huidige Openluchttheater. Men
zou zeggen dat door het afstoten van wegen en zandgat voor de buurtscheuter weinig werk meer overbleef, maar
Folsche behield deze functie nog vele jaren. Op een buurtspraak van 1969 werd zelfs zijn gouden jubileum als zodanig herdacht een unicum in de lange geschiedenis van de buurt Ede-Veldhuizen.'

In de woonkamer van de heer Folsche hangt nog altijd een fraaie oorkonde die hem ,ter gelegenheid van dit jubileum werd aangeboden.
Overigens Folsche had meer pijlen op zijn boog ,ook al overgenomen van zijn vader,was hij bode van het in 1889 opgerichte ziekenfonds "Helpt Elkaar".Vooral door dit werk is hij in het hele dorp bekend geworden ,met zijn boek vol betalingsbonnetjes kwam hij elke week bij de leden aan de deur om hun contributie op te halen. Geleidelijk werd het aantal ingeschrevene zo groot dat hij het alleen niet meer af kon en er een tweede bode werd aangesteld.
Toch heeft Folsche meer dan veertig jaar voor Helpt Elkaar gewerkt en geen week verzuimd. Verder was Gerrit tevens boswachter en beëdigd door burgemeester Creutz ,ook gemeente veldwachter. Daardoor kon hij optreden tegen stropers,waarvan ons dorp er heel wat telde ,zijn troffen in hem een onverbiddelijke tegenstander.
   

Het Kreelse bos viel mede onder zijn beheer en daar ligt nog steeds de herinnering aan hem. Toen in het begin van de twintiger jaren het zware hout werd verkocht,ging men onmiddellijk,onder zijn tot nieuwe aanplant van grove dennen over. Alvorens het dennenplantje de grond in ging, moest het eerst door een bak water met zand gehaald worden, modderen noemde men dat. Het water werd met een soort karretje uit de Kreelseplas gehaald, maar dat betekende een eind sjouwen.
Op een laag gelegen plek, te midden van het arbeidsterrein, liet Folsche een fraaie vijver graven, waardoor met water aanvoer geen tijd meer verloren ging. Deze plas deed, voor de kinderen van Folsche en hun vriendjes, als gauw
dienst als zwembad, terwijl er in de winterdag, bij vorst prachtig geschaatst kon worden in een tijd dat elders in Ede
vrijwel geen water te vinden was. Als men thans tegenover de toegang tot Kreelseplas links afslaan ligt ongeveer een vijfhonderd meter het bos in ,nog altijd omzoomd door inmiddels hoog opgeschoten dennen en prachtig in de omgeving passen deze vijver.


Het boswachterschap hield tevens in dat Folsche ,in het najaar ook drijfjachten organiseerde voor degene die het jachtveld in bos en hei bezaten. Hij zorgde dan voor de nodige drijvers,tien tot twaalf jongens,die niet tegen een dag sjouwen opzagen,maar graag een gulden wilden verdienen. Werd er op de heide gejaagd,dan vertrok men vanaf de Langenberg , de drijver vormden met een onderlinge afstand van tien a vijftien meter een lange keten en joegen het wild op. Niet alleen hazen en konijnen maar ook korhoenders en fazanten die al of niet met succes, door de jagers waren destijds volop aanwezig,die al dan niet met succes werden neergeschoten. In het Kreelse bos werd op dezelfde manier perceel na perceel afgewerkt. Achter de jagers volgde een man met kruiwagen, hij moest de buit verzamelen, een zware taak op het veelal moeilijk begaanbare terrein. Behalve drijfjachten waren er nog verschillende manieren van jagen, het optreden van een Rotterdammer op de heide is Folsche altijd bijgebleven.
Deze man had drie hazewindhonden voor dit doel afgericht, vloog een haas uit zijn leger, dan ging het trio er volgens
een vast patroon er achter aan. De ene hond liep links,de anders rechts van de haas ,terwijl de derde er pal achter bleef ,om als langoor moe werd het dier te grijpen.
Naast de genoemde werkzaamheden zag Folsche ,tussen neus en lippen door nog kans zijn oude ambacht uit te oefenen,door links en rechts timmerkarweitjes te verrichten.
Tenslotte ,net als elke rechtgeaarde Edenaar uit die jaren,achter het huis een grote lap grond voor de teelt van aardappelen en groente ,waar de nodige tijd in ging zitten en daarbij nog een groot gezin.
Hij was op 5 november 1921 gehuwd met Catharina Wiegeraadt,ook al zo'n rasechte Edese naam en het echtpaar kreeg vijf kinderen. Wat een werkzaam leven heeft Folsche gehad ,waar hij zo smaakvol over kon vertellen.
H. J. Nijenhuis