Oude schooltoestanden in Lunteren

In heel vroeger tijden werd het onderwijs aan kinderen van vooruitstrevende ouders, vooral in kleinere plaatsen, veelal door de kerk verzorgd. Leerplicht was nog onbekend. Bij een kerkelijke gemeente behoorde niet alleen een voorganger, pastoor of dominee, maar ook de koster vervulde een rol van betekenis.


Voor de Franse tijd, tijdens de periode van de Ambtsjonkers, die bij alle zaken een vinger in de pap hielden,
werd de koster dan ook uitsluitend door hen benoemd. De werkzaamheden van een koster waren niet gering; hij moest de kerk schoonhouden, bij de diensten als voorlezer optreden, klokluiden, boodschappen doen, hij was doodgraver en regelde begrafenissen. Maar bovenal moest hij een geletterd man zijn, want aan zijn zorg werd het onderwijs van de jeugd toevertrouwd. Men bepaalde zich weliswaar in hoofdzaak tot lezen, schrijven, rekenen en bijbelse geschiedenis, maar de man moest toch de gave bezitten om, met de geringe leermiddelen van die tijd, zijn kennis op de kinderen over te brengen.

Ook in Lunteren was het onderwijs op deze leest geschoeid, de eerste gegevens van de koster schoolmeester hier dateren volgens de 'Geschiedenis van Ede" (deel 3) uit 1694. In dat jaar overleed koster Van Lijssel, die als zodanig werd opgevolgd door zijn zoon Huybertus van Lijssel, die deze functie tot zijn dood in 1725 naar behoren vervulde.

Vacature
Opnieuw kamen daarna Ambtsjonkers in actie om een geschikte man voor deze baan te vinden. Zij gingen daarbij niet over één nacht ijs, want de kandidaat moest niet alleen geschikt zijn voor zijn vak maar bovenal getuigen van een christelijke levenswandel. Per bode werd, in ambtelijke taal gekend gemaakt dat door het overlijden van de heer H. van Lijssel, het costus en schoolmeestersambt van Lunteren is te komen vaceren.
Blijkbaar bestond er nog wel animo voor dit beroep, gelet op de gestelde eisen in de toenmalige omstandigheden, want vijf gegadigden meldden zich aan. Hun namen zijn bewaard gebleven: Derck Maasse, Van Kreel, Steven Bakker, Robert Wouterse de zoon van de koster uit Bennekom, Steven de Leeuwen een zoon van de overleden koster Van Lijssel.


Op 2 mei 1725 werden de kandidaten opgeroepen om een vergelijkend examen af te leggen in Wageningen. Eén van hen, welke sollicitant is niet bekend, kon meteen de biezen pakken. Hij bleek geen lidmaat van de kerk te zijn en viel daarom onmiddellijk af. De overige vier zwoegden over de opgegeven sommen en trachtten met hun ganzenveer zo fraai mogelijk te schrijven. Het moeilijkste onderwerp bleek bijbelkennis. Examinator dominee F. Drijfhout was geen gemakkelijke man. Na afloop van het examen konden de vier naar huis gaan. Er werd direct geen beslissing genomen, die viel twee maanden later tijdens het landsgericht van 12 juni 1725.


Tot costus-schoolmeester te Lunteren werd met algemene stemmen benoemd Robert Wouterse. Waarschijnlijk gaf het feit dat deze al de nodige ervaring bij zijn vader in Bennekom had opgedaan, de doorslag.
Wouterse bleek een goede keus. Jarenlang heeft hij zijn taak naar behoren uitgeoefend. Naarmate hij schoolhouden in de kerk voortaan verbood .
De koster moest maar les geven in de ruimte onder de toren, zoals ook in Ede het geval was. Dit onderkomen was echter veel te klein, maar er kwam een onverwachte oplossing. Er woonde in Lunteren ene Geurtje Jacobsen, een vrouw die blijkbaar nogal aardig in de slappe was zat. Zij overleed in 1761, tijdens haar ziekbed beloofde Geurtje geld beschikbaar te stellen voor het bouwen van een schoolhuis.
Na haar dood deed een broer deze belofte gestand. Er verrees een eenvoudig stenen gebouw tegen de zuidgevel van de kerk, pal naast de toren. De moeilijkheid was opgelost: meester Van de Hoeven had voor zijn kinderen weer onderdak.

Openbare gemeenteschool
Reeds in 1806 was een nieuwe schoolwet van kracht geworden die voorschreef dat elke gemeente, al naar behoefte, over één of meer scholen moest beschikken. Maar in Ede was men niet zo haastig. De wil bleek wel aanwezig, maar het geld ontbrak. Een verzoek aan de koning om een extra bijdrage ten behoeve van het onderwijs draaide op niets uit. Tenslotte oefende de
schoolopziener, Donker Curtius, een zo grote druk uit op het gemeentebestuur, dat men niet langer in gebreke dorst te blijven.
Dank zij extra belastingmaatregelen kon in 1824 in Lunteren, vlak naast de kerk, de eerste openbare gemeenteschool worden gebouwd en verdween het onderkomen eens door de familie Jacobsen geschonken. In de gevel werd een gedenkplaat gemetseld die vermeldde dat hier niet alleen een eerste maar ook een tweede steen, door het dominees echtpaar werd gelegd.
Het opschrift luidde: 'De eerste steen gelegd door ds. J. H. Oosterdijk alhier; de tweede steen gelegd door des zelfs echtgenote, vrouwe F.W. Coops, den 27 augustus 1824.


In 1861 werd de school aanmerkelijk uitgebreid en (voor die tijd althans) gemoderniseerd. De oude gevelsteen verdween om plaats te maken voor één van bescheidener omvang met de simpele tekst: A.van Schothorst,wethouder 14 october 1861. Reeds enkele jaren daarvoor,1858 was voor de school een pomp geslagen als gevolg van de uitzonderlijke droge zomer waardoor veel Lunteranen zonder water kwamen te zitten.
De heerschappij van de Ambtsjonkers was met de komst van de Fransen verdwenen en het onderwijs een taak van de gemeente geworden. Dat ook onder haar beheer een onderwijzersbaan direct geen vetpot werd,bewijst het volgende. Op de raadsvergadering in februari 1857 werd de heer G.J.Lit tot onderwijzer van de openbare school in Lunteren benoemd. Daarbij werden tevens nauwkeurig zijn inkomsten en verplichtingen vastgesteld. Zijn salaris bedroeg honderd gulden per jaar met een tegemoetkoming aan huishuur van vijftig gulden over dezelfde periode. Daarbij mocht hij het schoolgeld ,dertig cent per kind per maand ,zelf in de zak steken,maar kinderen van minder draagkrachtigen moesten gratis onderwijs ontvangen. Bovendien moest meester Van de Hoeven zelf voor de nodige leermiddelen zorgen,die dan wel zijn eigendom bleven.

De aloude openbare school in Lunteren was overigens in de loop der jaren voor heel wat Lunteranen een begrip geworden. Het was niet alleen de plaats waar onderwijs werd gegeven,maar het gebouw deed dienst voor alle mogelijke zaken. De muziek en zangvereniging hielden hier hun repetities en uitvoeringen,er werd avondschool gehouden en tuinbouwcursussen gegeven terwijl er tal van vergaderingen plaats vonden. Stemlokaal,controle op maten en gewichten,kortom voor alle doeleinden was in vroeger jaren de school de aangewezen plaats. Eind 1952 besloot de gemeenteraad een nieuwe openbare school te bouwen,die een jaar later in gebruik werd genomen. Het oude gebouw is echter nog een aantal jaren blijven staan,als een soort ontmoetingscentrum en werd later gesloopt.

H. J. Nijenhuis