Nog goed herinner ik me, dat in het begin van de jaren twintig de twee hoogste klassen van de Paasbergschool in Ede een reisje maakten naar Den Haag en Scheveningen. Dat betekende een dag waar je weken van te voren naar uit keek, want de meesten van ons waren nog nooit buiten Ede geweest. Het was allemaal nog een
beetje primitief: busreizen waren nog onbekend, vandaar dat er veel werd gelopen. Vanaf het schoolplein ging het in optocht naar Ede - dorp en vandaar met het treintje uit Lunteren tot station Ede-Wageningen.
De treinreis naar Den Haag was een belevenis op zich, waarbij duchtig werd gezongen, maar in de
stad aangekomen, waren we voorlopig weer op onze benen aangewezen. Het vaste programma werd
afgewerkt: Mauritshuis, Gevangenpoort, Panaroma van Mesdag om bij het Vredespaleis verder per
tram naar Scheveningen te gaan.
Om onbekende redenen mochten we niet direct naar de lokkende zee maar moesten over de boulevard bijkans een half uur sjouwen naar het zogenaamde stille strand.
De terugtocht verliep zonder verdere bezienswaardigheden in omgekeerde volgorde en tegen acht
uur 's avonds stonden we moe maar voldaan weer op het schoolplein.
Pas later heb ik me gerealiseerd, wat voor inspanning een dergelijke dag voor de twee begeleidende
onderwijzers moet hebben betekend. Nu waren lang niet alle kinderen uit beide klassen van de
partij: het reisje kostte twee gulden, terwijl werd verwacht, dat elk kind twee kwartjes zakgeld mee
kreeg om in de speeltuin, waar ook de meegebrachte boterhammen werden opgepeuzeld één of twee
flesjes limonade te kunnen kopen.
Er waren altijd ouders, die een dergelijk bedrag niet konden missen en hun kinderen thuis lieten.
Deze hielden zich groot door later te beweren, dat zo'n extra vrije dag veel leuker was dan een
schoolreisje. Eens heeft meester uit eigen zak voor een kind het schooIreisje betaald, al was dat dan niet
direct zijn bedoeling geweest, zoals hij jaren later vertelde.
Op de morgen, dat het geld meegebracht moest worden, komt een verdrietig meisje bij hem en vertelt, dat de twee gulden uit haar jaszakje zijn gestolen. Natuurlijk het werk van een of meer grotere jongens die de kans waarnamen tijdens het naar achteren gaan. Hij verzocht het kind haar manteltje precies voor de klas deur te hangen, waardoor hij er via een kijkraampje goed het oog op had.
Daarna haalde hij twee gulden uit zijn eigen portemonnee, stopte die in het mantelzakje en bleef de
gehele morgen het zaakje in de gaten houden, zij het zonder resultaat: de dief liet zich niet meer
zien.
Tot om twaalf uur de school uit ging en even later een verheugd meisje op hem af kwam: "Meester
Ik heb de twee gulden weer. Ze zaten toch nog in mijn zak". Meester deed verbaasd, maar kon er niet
toe komen de juiste toedracht te vertellen. Ook herinner ik me nog, dat de volgende dag de klas werd
getest of we nog iets hadden opgestoken.
De kaart van Zuid-Holland werd voor de klas opgehangen en meester gaf een meisje opdracht Den
Haag en Scheveningen aan te wijzen. Het kind stond aarzelend met de aanwijsstok in de hand en kon
er niet uitkomen. Daarop werd een jongen geroepen. Die prikte resoluut in het hart van Den Haag,
waarop meester haar vroeg: "Was dat nu zo moeilijk?". "Voor hem geen kunst", was het antwoord,
hij is met het schoolreisje mee geweest, en ik niet !
H.J.Nijenhuis