We besloten de eerste aflevering over het onderwijs in Otterlo met het vertrek van meester Brummel: hij
werd in 1893 als hoofd opgevolgd door de heer K. Bouwman, geboren 1 juli 1867 te Dirksland. Deze fungeerde niet meer als koster maar bleef nog wel voorzanger en tevens organist tijdens kerkdiensten. Meester Bouman bleef, althans in verhouding met zijn voorgangers, minder lang in Otterlo. Hij vertrok in 1904 naar Zuilen, maar keerde in 1922 terug naar Otterlo, zij het niet als onderwijzer. Hij bewoog zich voortaan op politiek terrein en was van 1927 tot 1945 een gewaardeerd lid van de Edese gemeenteraad die vooral op de bres stond
voor de belangen van Otterlo.

Daarbij toonde hij grote belangstelling voor de geschiedenis van de buitendorpen en was o.a.
medewerker aan de tot standkoming van het derde deel van "De geschiedenis van Ede". De naam van deze man, die in 1953 overleed, blijft voortleven in de Boumanlaan. Het nieuwe hoofd in 1904 werd
Dirk Jan Kroon, geboren 2 juni 1871 te Leersum. Naast zijn kerkelijke functies trad deze man tevens in het openbare leven op de voorgrond.
Zo was hij penningmeester van het " Veefonds", een onderlinge verzekering tegen ziekte en sterfte van vee,
had zitting in stembureaus en trad op als brandmeester bij de vrijwillige brandweer. Meester Kroon werd populair in Otterlo, maar bezat helaas een zwakke gezondheid. Na in 1915 reeds twee maanden met ziekteverlof te zijn
geweest, vroeg hij een jaar later om dezelfde reden ontslag aan en overleed in 1917. Wel aardig te vermelden
dat zijn vrouw, toen de wed. Kroon in 't Veld, in 1919 tot onderwijzeres in Lunteren werd benoemd.

Engelen
Nu komen we aan een man, wiens naam bij velen nog goed in het geheugen ligt. Meester Cornelis Engelen, geboren 24 juni 1888, te Lunteren. Hij heeft in zijn lange loopbaan generaties dorpelingen onder zijn hoede gehad,vandaar dat we bij hem wat langer stilstaan. Meester Engelen kwam in 1916 naar Otterlo en huwde 20 maart 1919 met Catholijne Arentje Bouman. dochter van een reeds eerder genoemd schoolhoofd. Hij heeft als geen ander de talrijke veranderingen en vernieuwing in het onderwijs meegemaakt.
Oudere lezers kunnen zich de toestanden nog wel herinneren die bij zijn komst als normaal golden. In de twee
laagste klasse bezat elk kind een lei met griffeldoos, een even vernuftige als goedkope uitvinding om de eerste beginselen van schrijven en rekenen onder de knie te krijgen. Bij niet gebruik werden deze attributen opgeborgen in een kastje aan de onderzijde van het bankblad en waarin zich constant ook afgekloven klokhuizen en uitgekauwde stukjes zoethout bevonden.
Het leren van sommige vakken bestond voor een deel uit het gezamenlijk opdreunen van de leerstof, vooral als
het de tafels van één tot tien, jaartallen of plaatsnamen betrof. Merkwaardig overigens dat van deze methode zoveel bleef hangen: er zijn mensen op hoge leeftijd die nog altijd een rij plaats namen in de vroeger geleerde volgorde vlot kunnen opzeggen.
Werd een natuurlijke behoefte noodzakelijk dan stak de leerling zijn rechterarm, met gestrekte wijsvinger omhoog tot er aandacht voor was en dan klonk de bedeesde vraag. "Meester mag ik even naar achteren?" Straffen voor baldadigheid of niet opletten waren, al naar de aard van de onderwijzer, zeer variabel. De een bepaalde zich tot "in de hoek staan" terwijl een ander overtuigd was van de opvoedende kracht die van lijfstraffen uitging.
Schoolverzuim
Het schoolverzuim in die jaren was vrij groot, voor bosbessen plukken bij zomerdag of aardappels rooien in het
najaar werden oudere kinderen rustig enkele weken thuis gehouden. Ook als er in de bossen wat te verdienen viel
met dennen poten of hout eken, dan was een daggeld van rond twee kwartjes voor veel gezinnen belangrijker
dan het volgen van de lessen.
In het najaar van 1919 heerste in ons land de Spaanse griep, zeer ernstig van aard en die tal van slachtoffers
veroorzaakte. Om verdere besmetting te voorkomen werd de school in Otterlo zelfs een maand gesloten.
Wel wilde de schoolopziener, teneinde de opgelopen achterstand in te halen, de vakanties voor 1920 aanmerkelijk inkorten. In zijn schrijven daar over gebruikte hij nog een merkwaardige toelichting: "Bovendien kan een lange vacantie een straf betekenen voor kinderen en ouders". Ook de mening van de in het overleg betrokken
schoolhoofden was weinig steekhoudend en wellicht niet van eigen belang ontbloot. Zij stelden dat juist veel
vacantiedagen belangrijk waren voor kinderen: zij konden dan veel frisse lucht opdoen hetgeen hun gezondheid
ten goede kwam.
Wat men misschien niet zou verwachten uit die jaren, maar er is nu eenmaal niets nieuws onder de zon, er
kwamen klachten over het roken door schoolkinderen. In een verslag, gedateerd 6 november 1917, gericht aan de
burgemeester, stelt meester Engelen het volgende vast: " Van de negentig leerlingen op zijn school blijken vierentwintig jongens en één meisje, in meer of minder mate aan nicotine verslaafd te zijn. Bij het merendeel van deze kinderen doet zich slordigheid en lusteloosheid voor hetgeen allerminst bevorderlijk is om de lessen naar behoren te volgen. Als uitzondering die de regel bevestigt wordt aan het eind van dit schrijven gezegd. "Eigenaardig blijft echter dat de jongen die het meeste rookt toch de beste van zijn klas is".
Schoolstrijd
De komst van meester Engelen viel samen met de enige, overigens korte, schoolstrijd die men in Otterlo heeft
gekend. Op 27 juni 1916 ontvingen B en W van de gemeente Ede een adres van de kerkenraad der Ned. Herv. Kerk te Otterlo, waarin om medewerking werd gevraagd voor het stichten van een Christelijke school aldaar. Het uitvoerig schrijven, dat trouw bewaard is gebleven en waarvan we de inhoud beknopt weergeven, begint al met een voldongen feit.
De kerkenraad der Ned. Herv. Kerk te Otterlo heeft in zijn vergaderingen van 2 Mei 1916, besloten over te gaan
tot het oprichten van een lagere school met de Bijbel". Vervolgens werd er op gewezen dat deze beslissing geenszins moet worden beschouwd als kritiek op het huidige onderwijs, maar het is bekend dat het overgrote deel van de ouders der schoolgaande kinderen tot de Ned. Herv. Kerk behoort en voor hen dus een Christelijke school wenselijk is.
Adressanten verzochten de gemeenteraad om, ingaande 1 September 1916, één of twee lokalen van de
bestaande school in Otterlo te willen afstaan teneinde op genoemde datum de nieuwe school te kunnen openen.
Allesbehalve bescheiden werd daaraan toegevoegd: "Die ruimte kan de openbare school wel missen daar het
zich laat aanzien dat deze school voortaan door slechts weinig kinderen bezocht zal worden." Tenslotte werd er op gewezen dat de nieuwe school een Hervormde grondslag zal krijgen en niet "dolerend" zoals tegenstanders
van onze plannen ten onrechte beweren. De brief was ondertekend door ds. Grootjans jr., die echter slechts twee
jaar, van 1915 tot 1917, voorganger in Otterlo is geweest. Men bemerkt het, de kerkeraad was vrij zeker van haar
zaak, maar kende haar parochianen slecht.
Onder leiding van de heer R. Pieters kwam een actiecomité tot stand, dat er geen gras over liet groeien. Op hun
beurt stuurden zij een verweerschrift naar de Raad waarin werd gevraagd niet op het verzoek van de kerkenraad in te gaan. De ondergetekenden, allen inwoners van Otterlo, verklaarden ten volle tevreden te zijn met het onderwijs, zoals dat daar vanouds werd gegeven.
Zij zouden het ten zeerste betreuren als een bijzondere school, van welke richting dan ook, tot stand kwam.
Het dorp is te klein voor twee scholen die bovendien de goede onderlinge verstandhouding grondig zou verstoren. Het adres was ondertekend door niet minder dan negenenzestig vaders van schoolgaande kinderen, zodat, in
flagrante tegenstelling met de mening van de kerkenraad, maar weinig leerlingen de openbare school zouden verlaten. Ook de Raad bleek deze mening toegedaan: het verzoek van de kerkenraad werd zonder hoofdelijke stemming afgewezen. Sindsdien zijn geen verdere pogingen tot oprichten van een bijzondere school in Otterlo ondernomen.

Meester Engelen werd al gauw een graag geziene figuur in Otterlo, die met de snel veranderde onderwijsmethoden, vooral na de tweede wereldoorlog geen enkele moeite had; hij bleef de school in goede banen leiden. Naast zijn onderwijzersschap speelde meester Engelen ook een belangrijke rol in
de dorpsgemeenschap en was daarbij een vraagbaak voor velen, Hij had zitting in de commissie schoolverzuim,
was voorzitter van de onderwijzersbond afdeling Ede, brandmeester en maakte zich jarenlang verdienstelijk
voor ,Otterlo's belang. In 1953 ging meester Engelen met pensioen, maar kreeg er, enkele jaren zelfs nog een
baantje bij.
Witzand
Op een praatavond in 1957 tussen een afvaardiging. van gemeentebestuur en bevolking, werd de klacht geuit
dat men zo moeilijk aan een vracht wit zand kan komen. Otterlo wordt er bijkans onder bedolven, maar overal
staan bordjes verboden toegang.
Van gemeentewege werd nu toestemming verleend, om, op bescheiden schaal, zand te halen rond de terreinen
van de "Zanding". Teneinde de zaak in de hand te houden benoemde de burgemeester de heer C. Engelen tot onbezoldigd "zandcommissaris".
Meester Engelen mocht zestien jaar van zijn pensioen genieten; hij overleed in 1969 en ook naar hem is een straat, de meester Engelenlaan. genoemd.
Hiermede besluiten we het overzicht van acht mannen die eens aan het hoofd van de school in Otterlo stonden.
Natuurlijk werden zij in de loop van deze lange reeks van jaren bijgestaan door een veel groter aantal leerkrachten die hier ongenoemd bleven, maar gezamenlijk er voor hebben gezorgd dat de Ericaschool te Otterlo een
unieke plaats in onze gemeente blijft innemen.
.
H. J. Nijenhuis
.
(Wordt vervolgd.)

