Het onderwijs in Otterlo (1)

Tussen alle onderwijsinstellingen die onze gemeente rijk is, neemt de lagere, of zoals men thans zegt,
basisschool, van Otterlo een unieke plaats in. Tot aan de dag van vandaag kent men daar slechts een openbare school, zij het op christelijke grondslag. Deze combinatie, waarmede de bevolking altijd bijzonder tevreden was, vormt een voorbeeld van onderlinge samenwerking zoals men nog maar weinig tegenkomt. Het is dan ook de moeite waard een ander te vertellen, over een periode van pakweg tweehonderd jaar, van de mensen die eens aan het hoofd van de school stonden en daarbij tevens een meer of minder belangrijke rol in het
kerkelijk leven van Otterlo vervulden. Daarbij ontlenen we, met toestemming van het huidige hoofd, de heer A. J. van Hummelen, ook een aantal gegevens aan "De Schoolbel", een lijvig blad, uitgegeven op 22 oktober 1979, ter gelegenheid van een grondige renovatie van de thans genaamde Erikaschool.

Overigens is ons niet bekend wanneer het eerste schoolgebouw in Otterlo verrees, in de volksmond als 't Schoolhuus" betiteld. Wel staat vast dat de gemeente in 1844 een nieuwe school met pomp liet bouwen tegenover de kerk. Ruim een kwart eeuw later kwam de kerkenraad met de bewering dat het gebouw op grond van de pastorie zou staan, een kwestie waar we straks nog op terugkomen. In 1908 werd deze school gesloopt en kwam er een nieuwe, met drie klassen, voor in de plaats, waaraan resp. in 1937 en 1958 een lokaal werd toegevoegd. Maar nu eerst terug in de geschiedenis, na de Reformatie kwam ook in Otterlo het onderwijs voor rekening van de kerk en werd de koster de aangewezen man om de jeugd de eerste beginselen van lezen en rekenen bij te brengen. Naast dit bescheiden rooster stonden ook bijbelse geschiedenislessen op het programma en om zeker te zijn dat deze op de juiste manier werden gebracht, dienden, zowel de koster als
zijn vrouw, belijdend lid van de Herv. Kerk te zijn.

Ambtsjonkers
Het ambt Ede, waartoe ook Otterlo behoorde, werd in die jaren voor een deel bestuurd door de ambtsjonkers,
die ook in het kerkelijk leven een stevige vinger in de pap hielden. Zij bezaten een stem bij het beroepen van predikanten en hielden de benoeming van een koster geheel in eigen hand. In dit verband is de aanstellingsbrief van Gerrit Pothoven bewaard gebleven en hoewel hij uiteraard diverse voorgangers heeft gehad, lijkt het ons geschikt met deze man te beginnen daar zijn naam nog altijd in de herinnering voort leeft.


Uit bedoeld schrijven waarin werkzaamheden, rechten en plichten uitvoerig worden beschreven, citeren we, in
eigentijdse stijl, het volgende. "Door het overlijden van Jurrien Vos, in leven koster te Otterlo, moet deze functie wederom door een bekwaam en ervaren persoon worden vervuld. Vertrouwende op zijn bekwaamheid en stichtelijke levenswandel, hebben de hoogweledele heren, Jonckeren van het Ambt Ede, tot koster, voorlezer, schoolmeester, doodgraver en doodbidder van het Kerspel Otterlo, aangesteld de persoon van Gerrit Pothoven. Men bemerkt het, heel wat baantjes in handen van één man, waarbij van enkele nog een nadere omschrijving volgt. Als schoolmeester zal hij zowel bij zomer als winterdag de jeugd onderwijzen ook als slechts enkele kinderen aanwezig zijn.

Tot de kostersplichten behoren: het schoonhouden van de kerk, zorg dragen voor boeken en uurwerk en dominee de nodige eerbied toedragen. Van zijn beloning voor al dat werk worden we niet veel wijzer; er staat alleen vermeld: Gerrit Pothoven zal alle tracktementen en emolumenten genieten als daartoe van ouds zijn aangewezen. De brief is gedateerd 27 augustus 1757 en vanaf deze datum is Gerrit Pothoven de koster-schoolmeester van Otterlo. Hij zou het blijven tot zijn overlijden, 27 februari 1796. bijna veertig jaar en werd opgevolgd door zijn zoon eveneens een Gerrit. geboren 6 juli 1766 die als hulpmeester al enkele jaren aan de school was verbonden.

Burgemeester
Deze Pothoven nam niet alleen de baantjes van zijn vader over maar was van zijn vader. Een goede dertig jaar
geleden werd op verzoek van Otterlose zijde, de naam Kerkhoflaan die voor velen minder prettig in het gehoor lag
gewijzigd in Pothovenlaan. Daarbij bleek dat lang niet iedereen met de geschiedenis van onze gemeente op de
hoogte is, want vrijwel geen enkel raadslid had ooit van de naam Pothoven gehoord.


De opvolger van Gerrit Pothoven werd Jan van de Hoef, geboren 14 juli 1781 te Kootwijk. De omstandigheden
waren inmiddels totaal veranderd: de macht van de ambtsjonkers was. evenals de band tussen school en kerk. verdwenen. Het onderwijs was nu een aangelegenheid van de overheid geworden die  in navolging van de door de Fransen ingevoerde democratie alleen voor openbaar onderwijs zorgde.
In overleg met een schoolopziener werden de onderwijzers voortaan aangesteld door het gemeentebestuur en
de eerste die in Otterlo deze eer te beurt viel was genoemde Van de Hoef. Over hem is niet zoveel bekend, maar hoewel deze man ruim twintig jaar in functie overigens slechts enkele jaren in Otterlo verbleef. Laatstgenoemde schreef tenslotte in 1862 een uitvoerige brief aan de burgemeester waarin o.m. de volgende zinsnede voorkwam:

"Reeds herhaaldelijk heeft men plannen gehad om hem het "costeraat" te ontnemen, vanwege de slechte vervulling zijner diensten, maar nu is alle geduld ten einde."

Meester Colijn stelde daar tegenover dat hij weliswaar een persoonlijk geschil met dominee had, maar vanuit de kerkenraad is nooit een enkele aanmerking op zijn optreden als koster gekomen.

Brummel
Het college van B. en W. vond een Salomons oplossing, de nieuwe school in De Valk, blijkbaar voor onderwijzers
minder in trek, had reeds haar derde hoofd,de heer G. Brummel, geboren 19 januari 1823 te Oldebroek. In onderling overleg werd nu besloten om, per 1 februari 1863, Brummel over te plaatsen naar Otterlo en verhuisde Colijn naar De Valk, een ruil waarmede beide partijen tevreden waren.

In 1871 deed zich het, reeds aangestipte, incident met de kerkenraad van Otterlo voor. Van het terrein waarop in 1844 was gebouwd bleek geen acte van koop of overname aanwezig te zijn. Dus concludeerde de kerkenraad dat het gebouw op grond van de pastorie stond. De heren namen geen halve maatregelen en sommeerden de gemeente, per dwangbevel, de school af te breken en het terrein te ontruimen. Burgemeester v. Borssele,
destijds eerste burger van Ede, raakte er niet van onder de indruk, maar zond, namens B. en W., kort samengevat, het volgende antwoord:

"Als de school werkelijk moet worden afgebroken, accoord, maar dan bouwen we die in Harskamp weer op."

Een meesterzet, want in Harskamp was nog geen school, dat zou duren tot 1894 en de kinderen uit deze omgeving moesten dagelijks de lange wandeling, heen en terug, naar De Valk of Otterlo
maken. De Harskampers vonden het een prachtig besluit, dan zouden de rollen eens worden omgekeerd. De kerkenraad van Otterlo had daar niet van terug en haalde haastig bakzeil. Sindsdien is hij ook nog schrijver van de buurt Wekerom, De Valk en Eschoten. Hij zou nog hoger op de maatschappelijke ladder stijgen; zoals bekend mag zijn werd tijdens het Franse bewind, ingaande januari 1812, het ambt Ede in vier zelfstandige gemeenten, Ede, Lunteren, Bennekom en Otterlo verdeeld met elk een eigen maire of burgemeester.

In Otterlo genoot Gerrit Pothoven het vertrouwen van de bevolking, reden voor de bezetters om hem tot burgemeester en tevens secretaris te benoemen. Januari 1818 werden de vier plaatsen weer tot één gemeente Ede verenigd en was Pothoven weer burgemeester af.
Hij overleed een jaar later en haalde dus bij lange niet het aantal dienstjaren bleef, kwamen er geleidelijk klachten
over zijn manier van lesgeven en werd hem per 21 januari 1843 ontslag verleend. Nog datzelfde jaar verschijnt
meester Maarten Colijn, geboren 12 september 1813 te Noordwijk, op het toneel. In 1853 wordt deze man ernstig
ziek en moet geruime tijd rust houden.
Hij krijgt een hulpmeester in de persoon van J van Zanten, blijkbaar een kundig man want in 1855 werd hij als eerste hoofd van een nieuw gebouwde openbare school in De Valk benoemd.

Botsingen
Ook over meester Colijn is men van hogerhand zeer tevreden; hij verstond de kunst zijn kennis aan kinderen te
kunnen overbrengen, maar hij kreeg moeilijkheden op een ander terrein, door zijn kosterschap. Er waren nogal
eens botsingen tussen koster en voorganger ds. J. A. Ploos van Amstel, die de kwestie niet meer aangeroerd.
Meester Brummel ontpopte zich als een goed onderwijzer en werd al gauw populair in Otterlo, hetgeen bleek toen
hij op 1 februari 1888 zijn zilveren jubileum als hoofd van de school vierde.
Het werd een waar dorpsfeest, vlaggen wapperden van de toren en verschillende huizen. Tal van genodigden waaronder burgemeester Van Borssele en diverse raadsleden maakten hun opwachting in de school. De burgemeester hield een gloedvolle rede en prees de jubilaris voor het vele werk door hem, ten dienste van de Otterlose jeugd verricht. Tegen elf uur waren ook de kinderen, in hun zondagse kleren, present en werd de jubilaris door hun toegezongen. Daarna werden zij getrakteerd op chocolademelk en krentenbollen om vervolgens, met hun meester voorop, een wandeling door de versierde dorpsstraten te maken.


Vier jaar later, 1892 nam meester Brummel afscheid van de school in Otterlo en was het opnieuw feest. De leerlingen hadden ditmaal een afscheidslied ingestudeerd, dat trouw bewaard is gebleven en waarvan we, ook alom de stijl van die tijd te proeven, twee coupletten laten volgen:


Wij zingen saam een afscheidslied nu gij ons thans verlaat
En roepen een vaarwel u toe ,waar gij ook henen gaat.
Vaarwel, Uw nagedachtenis
blijft trouw door ons bewaard.
Vaarwel, gij leidsman onzer jeugd
Blijf jaren nog gespaard.


Na zijn afscheid vertrok meester Brummel, de zeventig reeds gepasseerd, naar Winterswijk.

H. J. Nijenhuis
.

(Wordt vervolgd.)