Onderwijs in vroeger jaren

Zo tot 1920 was het aantal scholen in ons dorp nog zeer bescheiden maar toch al een vooruitgang bij honderd jaar terug. Toen nam de Kerk voor een groot deel de taak van het onderwijs op zich, al was verplicht. Vandaar dat
de koster bij al zijn baantjes"ts óW'ê' uider, doodgraver en voorzanger ook de taak van onderwijzer werd toebedeeld.
Bevoegdheden waren overbodig en of de man ervaring had deed ook minder ter zake. Trouwens in de eerste plaats bleef hij koster, daar werd hij voor betaald, de rest was maar bijzaak.


Tot 1826 werd het onderwijs in ons dorp gegeven in een ruimte van de toren. In dit donkere ongezellige onderkomen, waar 's winters niet gestookt kon worden, zat een aantal kinderen van zeer variabele leeftijd te zwoegen om de kunst van lezen, schrijven en rekenen onder de knie te krijgen. De schoolwet van 1806 schreef voor dat in elk dorp minstens één er behoorlijke openbare school moest zijn, maar in Ede maakte men niet zo'n haast. Bovendien de lasten kwamen voor het merendeel nog steeds voor rekening van de kerk. Ondanks herhaalde aanmaningen van hogerhand, geloofde men het wel.


Het zou tot 1826 duren voor hier de eerste openbare school, precies tegenover de kerk, werd gebouwd. Nu werd ook het hoofd, P. C. Neelmeyer door de gemeente benoemd; deze werd geen koster meer zoals nog zijn voorganger Hendrik Dool, maar wel door de kerkenraad tot voorzanger aangesteld.

In 1863 werd een nieuwe, voor die tijd moderne school aan het Maandereind geopend. Daar werd na het overlijden van de heer Neelmeyer in 1868 toen de vroeger zo bekende F. de Graaf tot hoofd benoemd. Genoemde meester De Graaf was
zo populair dat toen hij op 5 juli 1893 Zijn vijfentwintigjarig jubileum vierde, het halve dorp aan de feestelijkheden deelnam. Er werd een programmaboekje uitgegeven waarin een aantal, speciaal voor hem geschreven, feestliederen waren afgedrukt. Een exemplaar hiervan bevindt zich, nog in goede staat, in het museum van Oud-Ede.
   

Deze school zou jarenlang de enige in ons dorp blijven tot op 30, december 1888 de vereniging tot stichting en instandhouding van scholen met de Bijbel werd opgericht. Op zes januari 1890 kon de school aan de Telefoonweg, thans bekend als Cavaljéschool met als eerste hoofd de heer v. Wijk in gebruik worden genomen. Van hervormde zijde werd op 1 april 1905 een school aan de Bergstraat, de Paasbergschool geopend , hier werd de heer L. C. Schreuders hoofd. Met deze drie scholen voor lager onderwijs zou men het voorlopig moeten doen. Wel waren er vroeger vrij veel kostscholen in ons dorp, waarvan we er een paar willen noemen: een kostschool voor meisjes, gedreven door de dames Post en Leeson in "Buitenzorg" een kost en dagschool voor meisjes geleid door de dames Kropffop "Sterrenberg" een kost en dagschool op "Erica", later "Kieck Uyt" van de heer Hartelust; een kostschool op "Brouwershoeve" van de heer Wieringa en die van de heer C. R. Frowein aan de hoek van de Bergstraat.


De allereerste en meest bekende kostschool was die van Anna Maria Moens op Kernheim. Op deze school willen we wat nader ingaan gebruik makend van gegevens uit het boekje ,;Rond de grijze toren" van L. C. Schreuders. Anna Maria Moens was op 31 augustus 1777 te Hoorn geboren. Zij voelde al jong veel voor onderwijs en opvoeding; van haar hand verscheen in 1779 "Het zedekundig leesboek" dat in onderwijskringen veel opgang maakte. In 1801 begon zij in Wijhe op bescheiden schaal een kostschool die in 1818 naar Ede werd overgeplaatst. Huize Kernheim stond juist leeg en voor driehonderd gulden per jaar huurde mej. Moens dit voor haar uitermate geschikte gebouw. Hier kwam de school tot grote bloei, uit het gehele land kwamen de leerlingen aanzetten.
Meisjes bleven er veelal tot zij meerderjarig werden, maar voor jongens lag de leeftijdsgrens, waarschijnlijk om moeilijkheden te voorkomen, op twaalf jaar. Het onderwijs was op christelijke leest geschoeid, dus met een zondagse kerkgang. Deze trok altijd veel bekijks; mej. Moens, vrij gezet als zij was, hees zich met moeite in een ezelswagentje, waarachter de leerlingen zich twee aan twee opstelden, waardoor een hele optocht werd geformeerd. De jongelui waren niet erg gesteld op de lange preken van die tijd en probeerden op alle mogelijke manieren onder die kerkgang uit te komen. Maar mej. Moens was onverbiddelijk, wie gezond was moest 's morgens mee ter kerke. 's Avonds werd er een huidsdienst gehouden. die beter in de smaak vielen.


De lessen werden alle uitgeschreven, boeken werden vrijwel niet gebruikt, terwijl veel tijd besteed werd om vooral de meisjes beschaafde omgangsvormen bij te brengen. Het schoolgeld lag, voor die tijd, erg hoog; f 1000,- per jaar ,maar de leerlingen kregen waar voor hun geld. Al om zeven uur in de morgen, werd begonnen met onderbreking van een middagpauze, door te gaan tot vijf uur in de namiddag, Woensdagmiddag werd hier geen les gegeven, dat was er gelegenheid bezoek te ontvangen. In de dokter van Ede had mej. Moens blijkbaar weinig vertrouwen, bij ernstige ziekte werd een geneesheer uit Arnhem ontboden, maar de visite en reisgeld moest de patiënt zelf betalen, Het toezicht op de leerlingen berustte bij een Zwitserse gouvernante, mademoiselle Daller, die echter al te oud was om de jeugdige schare in bedwang te houden. Maar zo nodig greep Anna Moens zelf in. Toen eens een belhamel de kettinghond ging sarren, liet zij de hond los en legde de plaageest zelf voor een dag aan de ketting.

Anna Maria Moens is niet oud geworden zij overleed, in de leeftijd van vier en vijftig jaar, in 1832,volgens haar wens werd zij op de Paasberg begraven waarvoor de buurt Ede-Veldhuizen een stukje grond a!stond, Een aantal van haar kwekelingen, zoals er op wordt vermeld, bracht geld bijeen om, voorzien van de nodige tekst een enorm monument op haar graf te plaatsen, in de volksmond al gauw "de Pierremiet" gedoopt en dat er nog altijd staat. Na haar dood werd de kostschool nog enige tijd door een andere dame voorgezet, maar verliep weldra, waarna de school werd gesloten.

Doordat bij enkele van genoemde kostscholen ook dagleerlingen van de lessen gebruik konden maken, deed zich het gebrek aan uitgebreid lager onderwijs in Ede niet zo voelen. De bevolking had er weinig behoefte aan; de enkeling die toch wel meer wilde leren, kon bij de heer Hartelust uitstekend terecht. Dat veranderde evenwel toen genoemde heer in 1883 besloot zijn school op te heffen. Dat kwam erg ongelegen; het aantal gegoede mensen, die villa's aan de Stationsweg en elders lieten bouwen, nam sterk toe en juist uit deze kringen kwamen de kinderen die door moesten leren. Deze waren nu aangewezen op Arnhem met al de gebrekkige verbindingen van die tijd. Eigenlijk was het nu de taak van het gemeentebestuur voor uitgebreid lager onderwijs te zorgen.
   

Zuinig als de vroede vaderen in die tijd waren.. meende men een handige oplossing gevonden te hebben. Zoals reeds gezegd, hield ook de heer Frowein een kostschool aan de hoek van de Bergstraat, later het bekende huis van dokter Weyer, maar nu al lang gesloopt.
Door hem als hoofd te benoemen, waardoor de zaak een gemeentelijk tintje kreeg en onder voorwaarde dat ook dagleerlingen van de lessen gebruik konden maken was men weer verzekerd van uitgebreid lager onderwijs. Aanvankelijk liep de zaak naar wens; er waren achttien kostschoolleerlingen en een aantal uit het dorp met omgeving. In de negentiger jaren kwam de klad erin, het aantal interne kinderen, die het meeste geld opbrachten, daalde sterk. De school werd dan ook in 1896 opgeheven waardoor Ede weer zonder hogere school kwam.


Een aantal vooruitstrevende Edenaren sloeg de handen ineen en richtten een vereniging op die zich ten doel stelde een christelijke M.U.L.O.-school in Ede te stichten.
De koninklijke goedkeuring kwam in 1902 en al spoedig werd besloten tot de bouw van een school met onderwijzerswoning midden in het dorp aan de latere markt. Als eerste hoofd werd benoemd de heer
Rietveld. Het ging de schoolvereniging niet voor de wind; zonder steun van overheidswege, het zou nog even duren voor openbaar en christelijk onderwijs gelijkgesteld werden, bleek de instandhouding geen haalbare kaart. Het bestuur wendde zich in 1911 tot de gemeente met het verzoek de school over te nemen. Na rijpe overweging nam de Raad het voorstel aan, overwegende dat kinderen uit Ede en omgeving voor dergelijk onderwijs niet meer naar elders behoefden te gaan.
De schoolvereniging had school en woning laten bouwen voor f 20.473, een deskundige van de gemeente schatte bij overdracht de waarde op f 18.500. Het schoolbestuur was echter met f 15.000 al tevreden, wat goed in het straatje van de gemeente paste. Nu werd het in plaats van een christelijke een openbare M.U.L.O. hoewel daar een bepaalde overgangstijd voor nodig was, zodat men 1913 aanneemt als beginjaar.

 

Jarenlang heeft het massieve schoolgebouw met onderwijzerswoning een opvallende plaats op de markt ingenomen tot in 1959 een nieuwe school aan de Bettekamp in gebruik werd genomen. Het oude gebouwen onderwijzerswoning werden gesloopt en de grond later opgeslokt door het nieuwe winkelcentrum.
Als wij thans het aantal scholen en onderwijsinstellingen zien die de gemeente telt, kunnen we ons alleen maar verbazen over het tempo waarmede dit alles na 1920 tot stand is gekomen.

   


H. J. Nijenhuis