Jeugd in De Valk(2)

 

DE VALK -De eerste april 1913 werden de schooljaren voor mij werkelijkheid: gewapend met spons en griffeldoos, voorzien van het vereiste pokkenbriefje, stapte ik naar de school in De Valk. In de gang bevonden zich genummerde klompenhokjes waarin ons houten schoeisel, eventueel met manteltje, werd opgeborgen. Je liep altijd op kousenvoeten door de klas, slechts enkele kinderen bezaten klompsokken. Het beviel mij best op school. al moet ik eerlijk bekennen dat het schoolplein meer plezier opleverde dan de klas.
Bij spelletjes was ik rap en behendig, hetgeen mij, dank zij mijn rossige haardos, de bijnaam "rooie hardloper" opleverde. Overigens beurde ik daar niet zo zwaar aan: vrijwel elk kind droeg een bijnaam, vaak heel toepasselijk gevonden. Jongens en meisjes speelden altijd gescheiden, wij vermaakten ons met: zakdoekje leggen, touwtje springen, 'k moesdwalen of boompje verwisselen in het naast de school gelegen dennenbosje. De jongens deden stoerder: hoepelen, knikkeren, bokspringen en, omgeven door een kring fel meelevende kinderen, onderlinge vechtpartijen. Verschillende van onze spelletjes gingen gepaard met een liedje, waarvan ik mij het volgende, gedeeltelijk althans, herinner:


Anna stond te wachten, te wachten op
haar man .
s Nachts om twaaf uren daar kwam de
smeerlap an .
Anna ging naar boven en haalde een
dikke stok .

kwam weer naar beneden en sloeg Jan
op zijn kop
Jan begon te schreeuwen, schreeuwde
moord en brand
Toen de buren kwamen kijken, was er niets meer aan de hand.


Vanaf de tweede klas kregen meisjes onderricht in nuttige handwerken; begonnen met pannenlappen, werd het
later een merklap, waarop het gehele a b.c. plus de nodige versierselen werd geborduurd. Toch wel opmerkelijk in de hoeveel gezinnen een dergelijke letter of merklap bewaard is gebleven: zelfs worden er heden ten dage nog wel tentoonstellingen van gehouden .Die handwerklessen werden op zaterdagmorgen gegeven: nog zie ik een pienter
ventje de klas instappen met het verzoek ook breien te mogen leren . De juffrouw keek verbaasd en meende "Nee broertje, dat doen alleen kinderen met rokjes aan," in die dagen het zekere onderscheid tussen beide geslachten. De volgende zaterdagmorgen was het ventje evenwel weer present, trok voor de klas zijn broek uit, waarna, tot grote vreugde van ons allen, een lange rok naar beneden zakte. Ondanks deze vindingrijkheid kende de juffrouw geen pardon, handwerken was niet voor jongens weggelegd.


In de vierde klas werd het bescheiden lesrooster met een lastig vak aangevuld catechisatie . Elke woensdag moesten wij naar "de boerderij Ganzenkamp", waar ds.Fraanje uit Barneveld, godsdienstonderwijs kwam geven.
Behalve psalmen moesten wij hele stukken uit de catechismus uit het hoofd leren waar ik een grondige hekel had. Ik heb nog niet verteld dat ik als kind, nogal stotterde en deze handicap gebruikte ik om van al dat instampen af te komen ik kan het toch nooit vlot opzeggen, dominee" De man was echter niet te vermurwen en meende "Dan fluister je het maar in mijn oor." Overigens heeft meester Veenstra, ik meen van de vijfde klas, mij op een simpele manier van dit euvel afgeholpen. Na schooltijd moest ik blijven, hij kwam bij mij zitten met een leesboekje en een liniaal. Ik moest langzaam en hardop lezen en bij elke lettergreep met de liniaal een tik op de bank geven. Inderdaad geleidelijk kreeg ik meer zelfvertrouwen, werd rustiger en mijn praten normaal: nog altijd, zoveel jaren later, ben ik die meester dankbaar .


Ook voor een schoolkind is het niet altijd spelen, ik was negen jaar oud toen nog een zusje, Marie, werd geboren dat, door moeders drukke werkzaamheden al gauw aan mij werd toevertrouwd. Ik moest de wieg schommelen, met haar in de wagen rijden en wat groter geworden nam ik haar op de rug mee naar de zeven kolken, een ideaal plekje om ongestoord te kunnen spelen. Verder moest ik boodschappen die de mensen zoals Hent uut 't Zand en anderen bestelden, wegbrengen meestal na schooltijd, maar als er haast bij was, ook wel in de middagpauze.
Oudere lezers hebben al begrepen dat mijn schooljaren voor een groot deel in de mobilisatiejaren 1914-18 vielen.
Het platteland in onze omgeving werd in die jaren druk bezocht. niet alleen door buitenmensen op jacht naar rogge en aardappelen, maar ook marskramers met alle mogelijke handelswaar of aangeboden diensten . Zo iemand kwam ook bij ons aan de deur; hij maakte, tegen een kleine vergoeding van een gewoon wit etensbord met watervaste verf, een prachtig wandbord Moeder gaf hem er een: op de rand verschenen een aantal vogeltjes en in het midden, met sierlijke letters, een gedichtje.


Het land te bouwen is mijn lust
Mijn hart en zinnen zijn bewust
Te wonen bij het woelend vee
Gelijk ook vader Jacob dee
ik bouw het land, naar mijn verstand
en verder moet ik wachten
Op gunstig weer, van God de Heer
En niet op eigen krachten.

De lange winteravonden werden zonder radio of tv in de huiskamer doorgebracht met lezen of spelletjes.
Moeder, die ondanks haar vele werkzaamheden. altijd monter en opgewekt was, kon prachtig zingen. Eenmaal per
week kwamen jongelui uit de omgeving naar "Klein Koudhoorn" en dan werd er, na de koffie, gezamenlijk gezongen.
Psalmen en geestelijke liederen werden dan meerstemmig ten gehore gebracht. Prachtig klonk dat om nooit te
vergeten en ik vraag me af of er nu, in deze moderne tijd, nog wel gezinnen zijn waar op deze eenvoudige maar samenbindende manier, avonden worden doorgebracht.
En dan vader, een man die weinig had kunnen leren, maar met een woordkennis die je niet zou verwachten.
Altijd had hij een gezegde achter de hand, als iemand onzin verkondigde: "dat is praat op zolder" bij een sip gezicht: "wat loop je weer met de onderste lip op het derde knoopsgat," Werd er druk gekletst "ze kunnen het praten niet laten en het zwijgen niet verkrijgen." Was moederdruk in de weer, dan klonk het wees blij mens, zolang je loopt, schimmelt je gat niet. Onuitputtelijk was hij met gezegde's en toespelingen, Bovendien een goed verteller en al wil ik niet voor de waarheid van zijn verhalen instaan.

Iaat ik er toch twee volgen, Als in november,een varken werd geslacht, was het gewoonte buren en bekenden een hutspot aan te bieden. Een pastoor uit de omgeving, die ook elk jaar een krulstaart liet kelen, voorzag op die manier wat arme parochianen ook van een gratis portie spek en worst.
Met de jaren steeg ook zijn zuinigheid, zodanig dat hij in zeker najaar besloot de hutspotgewoon te laten vervallen . Wel wetende dat zoiets voor bepaalde mensen een tegenvaller betekende, instrueerde hij zijn koster. Als wij straks slachten, vertelde hij links en rechts dat ons varken is gestolen. De koster antwoordde "Goed meneer pastoor, houwe zo," maar waarschuwde meteen een paar arme drommels.
Morgenvroeg hangt ons varken aan de leer; ik zal de poortdeur los laten.


Een ander ietwat opvoedkundig verhaaltje: in onze omgeving woonde een gezin waar tevens een oude grootvader
verbleef. In die dagen was het normaal dat kinderen hun ouders ,aan het eind brachten. De bejaarde man werd seniel, begon met het eten te knoeien.
Zodat hij niet meer aan tafel mocht zitten maar zijn portie, in een houten nap, op de deel kreeg. Op zekere dag trof de vader van het gezin, zijn twaalfjarig zoontje aan, druk bezig met een zak mes een stuk hout te bewerken. Op de
plicht bij geboorte of overlijden. Bij gezinsvermeerdering, nadat de vroedvrouw haar werk had verricht, kwam een buurvrouw op dagen. Zij verzorgde moeder en baby, deed het huishouden, waaronder koken, zodat de man en overige kinderen niets te kort kwamen. In de loop van de eerste week kwamen alle vrouwen uit de naaste omtrek, voorzien van een krachtig soepje en een groot krentenbrood, op kraamvisite.


Ook een begrafenis was een aangelegenheid voor de buren, het afleggen van de overledene, aanzeggen en zorgen voor de nodige dragers. In het sterfhuis werden de luiken gesloten en de spiegel omgekeerd. Voor de gang naar het kerkhof werd de kist op een platte wagen geplaatst. Bij terugkomst van de dodenakker kregen de dragers een borrel, terwijl de begravenisgangers ge laafd werden met koffie en broodjes.
Tegen het einde van de mobilisatie deed moeder de kruidenierszaak aan de kant: al die bonnen paperassen en schaarste van diverse artikelen werden haar te veel. De winkel werd verbouwd tot zit-slaapkamer en verhuurd aan de politieman Verbrugge uit Wekerom, die daarvoor, met volle kost, een tientje per week betaalde, zodat moeder toch voor een vaste bijverdienste zorgde. Wat later, in 1919 kwam het einde van mijn schooltijd en was het werken geblazen.
Ik werd volwassen, heb het leven met alle lief en leed leren kennen, maar nooit vergeet ik mijn onbezorgde jeugd
in De Valk.
H. J. Nijenhuis