
De
Valk Het is prachtig als een mens oud mag worden en toch over een helder geheugen
blijkt beschikken. Een heelleven is dan te overzien en, opgepoetst door de glans
van het verleden, vallen tegenslagen en verdriet weg zodat slechts overblijft
wat de moeite waard bleek. Zo'n bevoorrechte vrouw is Aartje van Ee, geboren 8
november 1906 en thans wonende in Barneveld. In de volgende regels vertelt
zij haar jeugdherinneringen, geen schokkende belevenissen maar een duik in het
verleden, met een tikje weemoed en dankbaarheid weergegeven.
Als ik terugdenk
aan mijn jeugd is het vanzelfsprekend, dat mijn ouders daarin een grote rol
spelen.
Wat ik van hen weet, komt allereerst uit hetgeen ze mij vertelden,
terwijl later ook eigen waarnemingen een rol spelen. Mijn vader, Willem van Eee,
werd 9 mei 1869 in Essen, onder Barneveld, geboren als laatste van de negen kinderen, die
mijn grootouders kregen. Hij bezocht de lagere school in Kootwijkerbrgek, met
in de donderdag nogal wat verzuim, want bij oogsten en hooien, werden alle beschikbaar
krachten ingeschakeld.
Rapporten of diploma's waren nog onbekend, maar bij
het verlaten van de school kreeg elke leerling een perkamenten brief waarop het
volgende fraaie gedicht werd geschreven:
Meester, het
is vandaag de laatste dag dat ik op school verkeren mag
Meester het is vandaag
de laatste keer dat ik van Uw nuttige lessen leer. Mijn ouders gaven mij niet
langer tijd welk mij van harte spijt . Toch wil ik meester voor deez' keer bedanken
voor zijn goede leer
En hoop dat God mag geven
Dat u nog menig jaar mag
leven.
Jarenlang is dit gedicht, waaraan nog een gedeelte ontbreekt
dat mij is ontschoten, in ons familiebezit gebleven, maar, helaas, later toch
zoekgeraakt. Vooral de regel:"Mijn ouders geven mij niet langer tijd",
was voor veel kinderen zeer toepasselijk, want met twaalf was het voor de meesten
werken geblazen; ook vader hoorde daarbij.
Hij werd boerenknecht bij Steven
Roelofsen, een gegoede boer, die echter zijn knechts duidelijk aan het verstand
bracht dat zijn centen niet van blik waren, de armen laten wapperen dus. 's Morgens
vier uur was het dag die begon met een uur ochtendgymnastiek: op de deel dorsen
met de vlegel. Daarna melken en vee verzorgen, waarna ze zelf pas aan de beurt
waren. Een dikke pil klein rog met een kom opgewarmde koffie, "van het derde
water", placht vader te zeggen, vormde het ontbijt. Dan werd er gewerkt tot
klokslag twaalf uur, het middageten, altijd stamppot, op tafel stond. De boer
schepte eerst zijn bord vol en deed dan de pet hetgeen bidden moest beteken.
Pas
als het hoofddeksel weer op de daarvoor bestemde plaats belande, mochten de knechts
zich bedienen, terwijl hij snel zijn bord leeg schrokte. Daarna zakte de pet opnieuw
en klonk het "danken", waarmee de maaltijd was afgelopen.
De eerste
week kreeg vader niet half genoeg, maar volgde al gauw de andere knechts, die,
heel voorzichtig, vast uit de pan aten, zolang de gezichtskring van de boer verduisterd
bleef. Om vijf uur weer brood, later op de avond een bord pap waarna de hooizolder
werd opgezocht. Een leven zoals we ons thans niet meer kunnen voorstellen, maar
men wist niet beter. En dat tegen een jaarloon van honderd tot honderd en
twintig gulden.
De dag van uitbetaling, 16 oktober, betekende tevens de enige
vrije dag van het jaar. De meeste jongens trokken dan naar Barneveld om, in meer
of mindere mate, de bloemetjes buiten te zetten. Verder bestond er weinig vertier
voor boerenknechts. Op mooie zaterdag of zondagavonden verzamelden ze zich
op een bepaald kruispunt. Dan werden belevenissen en nieuwtjes van de afgelopen
week uitgewisseld en nam men elkaar een beetje op de hak. Er was een jongen
bij, Gies Niehof, die het buskruit niet had uitgevonden, en het deswege nog wel
eens moest ontgelden. Toch was Gies lang niet achterlijk, eens kwam hij met de
vraag: "Zeg jongens, weten jullie waarom onze lieve Heer de gekken heeft
geschapen. Daar er geen antwoord op volgde, vervolgde hij: "Om te zien hoe
de wijzen met hen omgaan," waarmee de rest het kon doen.

Op
bepaalde leeftijd gekomen, zochten ook deze jongens contact met het andere geslacht,
liefst een boerendochter, al was de maatschappelijke afstand veelal groot. Maar
de wegen der liefde kunnen soms wonderlijk en vindingrijk zijn.
Zo vertelde
vader van een boerenknecht. een leuke knul. maar arm als de mieren. Hij droeg
een broek waarvan de doorgesleten knieën met lappen hersteld waren. Desondanks
had hij zijn oog laten vallen op de dochter van een welgestelde boer. waar
mee hij op een mooie zomeravond wat rond kuierde, zoals wij vroeger zeiden. Bij
een akker rogge gekomen, bleef de jongen staan, sloeg met een hand op zijn knie
en zei: "Die lap is van mien." Wat verder lag een veld aardappelen.
waar de ceremonie zich herhaalde, al sloeg hij op de andere knie: "Ook deze
lap behoort mien." Het meisje kwam er van onder de indruk: hij bezat meer
dan zijn uiterlijk deed vermoeden en de verloving werd een feit. Pas later kwam
zij er achter wat voor lappen haar minnaar had bedoeld, maar niettemin zijn ze
getrouwd en door hard werken tot zekere welstand gekomen.
Een andere kameraad
van vader. Bart Boonzaayer zocht het meer in een overrompeling. Hij kende een
meisje, dat echter van zijn liefdesbetuigingen allerminst gediend was. Op een
winteravond overtuigd dat zijn aanbedene alleen thuis was, klom hij op het dak
van de ouderlijke woning en liet zich door de schoorsteen naar beneden zakken.
Dat kon gemakkelijk in die jaren want het kanaal was zeer ruim en deed tevens
dienst voor het roken van spek en worst.
Het meisjes zat bij het vuur voeten
op een stoof, sokken te stoppen.
Plotseling kwam een zij spek naar beneden
keilen, even later gevolgd door een enigszins beroete Bart.
Helaas, de stunt
werd geen succes: het dadelijk verschrikte meisje herstelde zich snel, greep de
stevige pook, die naast het vuur hing en ranselde haar vrijer de deur uit. Diens
liefde was danig bekoeld, sterker nog: het gebeurde maakte een dusdanige indruk
dat hij voorgoed vrijgezel is gebleven.
Vader evenwel was geen hardloper;
hij leefde zuinig, spaarde jaren achtereen om het ideaal van elke boerenknecht,
een eigen gedoetje, te verwezenlijken. Hij trouwde 10 februari 1905, bijna zes
endertig jaar oud, met Marie van Ee, heel toevallig diezelfde achtermamen.
Moeder, geboren 5 februari 1876, was wat jonger, maar dat vormde geen enkel bezwaar.
Dank zij vaders spaarzaamheid, kochten ze in de Valk een boerderij, bekend als
"Klein Koudhoorn", met vijf bunder grond. In dit pand was tevens een bakker annex kruidenierswinkel gevestigd, moeder zou de winkel voor haar rekening
nemen en vader vee en land.
De toekomst van het jonge paar leek rooskleurig;
een en ander werd beschreven bij notaris Dinger in Lunteren, maar helaas verzuimde
men gelijktijdig de brandverzekering in orde te maken. Laat nu diezelfde nacht
na de koop de boerderij tot de grond toe afbranden. Mijn ouders konden naar het
verzekeringsgeld fluiten. Nooit zouden ze deze rampzalige nacht, waarin hun
illusies letterlijk in rook opgingen, vergeten.
In 1907 werden boerderij en
winkel weer opgebouwd en betrokken wij het pand. Voortaan haalde vader elke morgen,
op de transportfiets een mand brood, afwisselend bij Snippenberg in Lunteren of
Heineman in Barneveld, die moeder, met de nodige kruideniersartikelen, achter
de toonbank verkocht.
Vanaf deze tijd stammen mijn eerste persoonlijke
herinneringen, hoe ik als peuter speelde met scherven aardewerk, die met kinderfantasie,
werden omgetoverd tot kopjes en borden, waarin ik, bereid uit het water en mos,
smakelijke koffie of pap opdiende. Van werkelijk speelgoed was geen sprake, daar
werd geen geld voor uitgegeven. Wel herinner ik me dat wij op een Sinterklaasavond
bezoek kregen van zwarte Piet, die ons kinderen, onder veel vermaningen, een speculaasje
gaf. De volgende morgen kreeg mijn kinderziel echter de nodige twijfels, toen
ik, achter de stookhut, een mombakkes vond dat ongetwijfeld door de knecht van
Sint Nicolaas was gedragen.
De schooljaren naderden, kleuterscholen waren nog
onbekend, maar om vast wat aan de sfeer te wennen, mocht een kind tevoren, met
een ouder broertje of zusje een halve dag meekomen. Dat heb ik ook gedaan, maar
schaam mij nog als ik aan die ochtend terugdenk. Aan de hand van ouder zusje Geertje,
stapte ik de klas binnen, waar de juffrouw mij op een bankje liet staan, vanwaar
ik de gang van zaken goed kon overzien. Na een half uurtje moest ik nodig een
plas doen, maar wist niet hoe dat kenbaar te maken. Nog even krampachtig inhouden,
toen kwamen de eerste druppels, die al spoedig over gingen in een straal waardoor,
tot grote hilariteit van alle kinderen, een aardig meertje op de vloer ontstond.
De juftrouw werd woedend en gaf Geertje opdracht mij direct naar huis te brengen.
Onderweg schold ze mij de huid vol.
H. J. Nijenhuis


