Jeugd in De Valk

1913

De Valk Het is prachtig als een mens oud mag worden en toch over een helder geheugen blijkt beschikken. Een heelleven is dan te overzien en, opgepoetst door de glans van het verleden, vallen tegenslagen en verdriet weg zodat slechts overblijft wat de moeite waard bleek. Zo'n bevoorrechte vrouw is Aartje van Ee, geboren 8 november 1906 en thans wonende in Barneveld. In de volgende regels vertelt zij haar jeugdherinneringen, geen schokkende belevenissen maar een duik in het verleden, met een tikje weemoed en dankbaarheid weergegeven.
Als ik terugdenk aan mijn jeugd is het vanzelfsprekend, dat mijn ouders daarin een grote rol spelen.
Wat ik van hen weet, komt allereerst uit hetgeen ze mij vertelden, terwijl later ook eigen waarnemingen een rol spelen. Mijn vader, Willem van Eee, werd 9 mei 1869 in Essen, onder Barneveld, geboren als laatste van de negen kinderen, die mijn grootouders kregen. Hij bezocht de lagere school in Kootwijkerbrgek, met in de donderdag nogal wat verzuim, want bij oogsten en hooien, werden alle beschikbaar krachten ingeschakeld.
Rapporten of diploma's waren nog onbekend, maar bij het verlaten van de school kreeg elke leerling een perkamenten brief waarop het volgende fraaie gedicht werd geschreven:

Meester, het is vandaag de laatste dag dat ik op school verkeren mag
Meester het is vandaag de laatste keer dat ik van Uw nuttige lessen leer. Mijn ouders gaven mij niet langer tijd welk mij van harte spijt . Toch wil ik meester voor deez' keer bedanken voor zijn goede leer
En hoop dat God mag geven
Dat u nog menig jaar mag leven.

Jarenlang is dit gedicht, waaraan nog een gedeelte ontbreekt dat mij is ontschoten, in ons familiebezit gebleven, maar, helaas, later toch zoekgeraakt. Vooral de regel:"Mijn ouders geven mij niet langer tijd", was voor veel kinderen zeer toepasselijk, want met twaalf was het voor de meesten werken geblazen; ook vader hoorde daarbij.
Hij werd boerenknecht bij Steven Roelofsen, een gegoede boer, die echter zijn knechts duidelijk aan het verstand bracht dat zijn centen niet van blik waren, de armen laten wapperen dus. 's Morgens vier uur was het dag die begon met een uur ochtendgymnastiek: op de deel dorsen met de vlegel. Daarna melken en vee verzorgen, waarna ze zelf pas aan de beurt waren. Een dikke pil klein rog met een kom opgewarmde koffie, "van het derde water", placht vader te zeggen, vormde het ontbijt. Dan werd er gewerkt tot klokslag twaalf uur, het middageten, altijd stamppot, op tafel stond. De boer schepte eerst zijn bord vol en deed dan de pet hetgeen bidden moest beteken.
Pas als het hoofddeksel weer op de daarvoor bestemde plaats belande, mochten de knechts zich bedienen, terwijl hij snel zijn bord leeg schrokte. Daarna zakte de pet opnieuw en klonk het "danken", waarmee de maaltijd was afgelopen.
De eerste week kreeg vader niet half genoeg, maar volgde al gauw de andere knechts, die, heel voorzichtig, vast uit de pan aten, zolang de gezichtskring van de boer verduisterd bleef. Om vijf uur weer brood, later op de avond een bord pap waarna de hooizolder werd opgezocht. Een leven zoals we ons thans niet meer kunnen voorstellen, maar men wist niet beter. En dat tegen een jaarloon van honderd tot honderd en twintig gulden.
De dag van uitbetaling, 16 oktober, betekende tevens de enige vrije dag van het jaar. De meeste jongens trokken dan naar Barneveld om, in meer of mindere mate, de bloemetjes buiten te zetten. Verder bestond er weinig vertier voor boerenknechts. Op mooie zaterdag of zondagavonden verzamelden ze zich op een bepaald kruispunt. Dan werden belevenissen en nieuwtjes van de afgelopen week uitgewisseld en nam men elkaar een beetje op de hak. Er was een jongen bij, Gies Niehof, die het buskruit niet had uitgevonden, en het deswege nog wel eens moest ontgelden. Toch was Gies lang niet achterlijk, eens kwam hij met de vraag: "Zeg jongens, weten jullie waarom onze lieve Heer de gekken heeft geschapen. Daar er geen antwoord op volgde, vervolgde hij: "Om te zien hoe de wijzen met hen omgaan," waarmee de rest het kon doen.


Op bepaalde leeftijd gekomen, zochten ook deze jongens contact met het andere geslacht, liefst een boerendochter, al was de maatschappelijke afstand veelal groot. Maar de wegen der liefde kunnen soms wonderlijk en vindingrijk zijn.
Zo vertelde vader van een boerenknecht. een leuke knul. maar arm als de mieren. Hij droeg een broek waarvan de doorgesleten knieën met lappen hersteld waren. Desondanks had hij zijn oog laten vallen op de dochter van een welgestelde boer. waar mee hij op een mooie zomeravond wat rond kuierde, zoals wij vroeger zeiden. Bij een akker rogge gekomen, bleef de jongen staan, sloeg met een hand op zijn knie en zei: "Die lap is van mien." Wat verder lag een veld aardappelen. waar de ceremonie zich herhaalde, al sloeg hij op de andere knie: "Ook deze lap behoort mien." Het meisje kwam er van onder de indruk: hij bezat meer dan zijn uiterlijk deed vermoeden en de verloving werd een feit. Pas later kwam zij er achter wat voor lappen haar minnaar had bedoeld, maar niettemin zijn ze getrouwd en door hard werken tot zekere welstand gekomen.
Een andere kameraad van vader. Bart Boonzaayer zocht het meer in een overrompeling. Hij kende een meisje, dat echter van zijn liefdesbetuigingen allerminst gediend was. Op een winteravond overtuigd dat zijn aanbedene alleen thuis was, klom hij op het dak van de ouderlijke woning en liet zich door de schoorsteen naar beneden zakken. Dat kon gemakkelijk in die jaren want het kanaal was zeer ruim en deed tevens dienst voor het roken van spek en worst.
Het meisjes zat bij het vuur voeten op een stoof, sokken te stoppen.
Plotseling kwam een zij spek naar beneden keilen, even later gevolgd door een enigszins beroete Bart.
Helaas, de stunt werd geen succes: het dadelijk verschrikte meisje herstelde zich snel, greep de stevige pook, die naast het vuur hing en ranselde haar vrijer de deur uit. Diens liefde was danig bekoeld, sterker nog: het gebeurde maakte een dusdanige indruk dat hij voorgoed vrijgezel is gebleven.
Vader evenwel was geen hardloper; hij leefde zuinig, spaarde jaren achtereen om het ideaal van elke boerenknecht, een eigen gedoetje, te verwezenlijken. Hij trouwde 10 februari 1905, bijna zes endertig jaar oud, met Marie van Ee, heel toevallig diezelfde achtermamen.
Moeder, geboren 5 februari 1876, was wat jonger, maar dat vormde geen enkel bezwaar. Dank zij vaders spaarzaamheid, kochten ze in de Valk een boerderij, bekend als "Klein Koudhoorn", met vijf bunder grond. In dit pand was tevens een bakker annex kruidenierswinkel gevestigd, moeder zou de winkel voor haar rekening nemen en vader vee en land.
De toekomst van het jonge paar leek rooskleurig; een en ander werd beschreven bij notaris Dinger in Lunteren, maar helaas verzuimde men gelijktijdig de brandverzekering in orde te maken. Laat nu diezelfde nacht na de koop de boerderij tot de grond toe afbranden. Mijn ouders konden naar het verzekeringsgeld fluiten. Nooit zouden ze deze rampzalige nacht, waarin hun illusies letterlijk in rook opgingen, vergeten.
In 1907 werden boerderij en winkel weer opgebouwd en betrokken wij het pand. Voortaan haalde vader elke morgen, op de transportfiets een mand brood, afwisselend bij Snippenberg in Lunteren of Heineman in Barneveld, die moeder, met de nodige kruideniersartikelen, achter de toonbank verkocht.


Vanaf deze tijd stammen mijn eerste persoonlijke herinneringen, hoe ik als peuter speelde met scherven aardewerk, die met kinderfantasie, werden omgetoverd tot kopjes en borden, waarin ik, bereid uit het water en mos, smakelijke koffie of pap opdiende. Van werkelijk speelgoed was geen sprake, daar werd geen geld voor uitgegeven. Wel herinner ik me dat wij op een Sinterklaasavond bezoek kregen van zwarte Piet, die ons kinderen, onder veel vermaningen, een speculaasje gaf. De volgende morgen kreeg mijn kinderziel echter de nodige twijfels, toen ik, achter de stookhut, een mombakkes vond dat ongetwijfeld door de knecht van Sint Nicolaas was gedragen.
De schooljaren naderden, kleuterscholen waren nog onbekend, maar om vast wat aan de sfeer te wennen, mocht een kind tevoren, met een ouder broertje of zusje een halve dag meekomen. Dat heb ik ook gedaan, maar schaam mij nog als ik aan die ochtend terugdenk. Aan de hand van ouder zusje Geertje, stapte ik de klas binnen, waar de juffrouw mij op een bankje liet staan, vanwaar ik de gang van zaken goed kon overzien. Na een half uurtje moest ik nodig een plas doen, maar wist niet hoe dat kenbaar te maken. Nog even krampachtig inhouden, toen kwamen de eerste druppels, die al spoedig over gingen in een straal waardoor, tot grote hilariteit van alle kinderen, een aardig meertje op de vloer ontstond. De juftrouw werd woedend en gaf Geertje opdracht mij direct naar huis te brengen. Onderweg schold ze mij de huid vol.

H. J. Nijenhuis