Tot
in de twintiger jaren telde het dorp Ede slechts drie lagere scholen: de openbare
school aan het Maandereind, de School met den Bijbel aan de Telefoonweg en de
Paaschbergschool. Voor de naaste omgeving was keus en aantal wel voldoende,
maar ook kinderen van buiten af, uit de Doesburger en Maanderbuurt, Veldhuizen
alsmede de Ginkelmoesten volgens de leerplicht onderwijs volgen en waren op de
drie genoemde scholen aangewezen.
Voor hen betekende dat al gauw een wandeling
van een uur, waarbij vooral de jeugd van de Ginkel, die tweemaal daags, vaak
bij regen en wind, de kale heide moesten over trekken, het verre van gemakkelijk
had. Maar goed dat in die dagen een kind de leeftijd van zes jaar moest hebben
bereikt, alvorens naar school te mogen gaan, want daar onder mocht men een dergelijke
prestatie niet verwachten.
Deze kinderen van buiten af, vormden de zogenaamde
overblijvers, die in de middagpauze op school bleven en de meegebrachte boterhammen
daar verorberden. Gelukkig werd echter na de Eerste Wereldoorlog ook voor de jeugd
de fiets gemeengoed al waren het veelal afdankertjes van vader met klossen op
de trappers, maar beter slecht gereden dan goed gelopen.
Toch waren lang
niet alle ouders in staat voor hun spruiten een fiets aan te schaffen: derhalve
bestond de gelegenheid voor minder draagkrachtige gezinnen, mits zij op een
vastgestelde afstand van de school woonden bij het gemeentehuis een rijwieltoelage
aan te vragen.
Werd een dergelijk verzoek inderdaad toegewezen, dan was deze
bijdrage naar maatstaven van die tijd vrij
behoorlijk. Om een paar voorbeelden
te noemen: de heer D. van Ginkel, wiens zoontje de Paasbergschool bezocht, kreeg een
jaarlijkse vergoeding van vijftig gulden, terwijl ene R. uit de Doesburgerbuurt
die drie kinderen op school aan de Telefoonweg had, voor elk kind over diezelfde
periode veertig gulden ontving.
Zelfs werd aan Z. te Deelen, ook nog gemeente
Ede, een jaarabonnement a 48 gulden op de bus verstrekt teneinde het bezoeken
van de openbare lagere school in Schaarsberegn mogelijk te maken. Geen wonder,
dat bij het intreden van de beruchte dertiger crisisjaren, toen er aan alle kanten
bezuinigd moest worden, ook deze posten nader werden bekeken.
Tijdens de raadsvergadering
van 27 maart 1931 werd dan ook een voorstel van Ben W behandeld, dat behelsde
alle rijwielvergoedingen te halveren. Burgemeester Creutz gaf de volgende toelichting:
Door de steeds verdergaande prijsdaling van rijwielen, kan met de huidige toelage,
voor elk kind bijkans tweemaal per jaar een nieuwe fiets worden gekocht, hetgeen
in de huidige omstandigheden wel wat teveel van het goede is.
Het merendeel
van de raadsleden kon zich met dit standpunt verenigen. De heer Gerissen vond
de ingreep wat fors en wilde voorlopig althans volstaan met een tientje verlaging,
maar vond vrijwel geen medestanders.
Zonder hoofdelijke stemming werd het voorstel
van Ben W aangenomen zij het met de beperking, dat in het lopende jaar de oude
vaststellingen gehandhaafd bleven en de nieuwe regeling pas per 1 januan 1952
in werking zou treden.
H. J. Nijenhuis