Onder de titel Bronnenboek verscheen begin 1953 in opdracht van de minister van
onderwijs, kunsten en wetenschappen een lijvig boekwerk, gebaseerd op diverse sociale rapporten omtrent verhoudingen van jeugd en maatschappij in ons land. Naast de grote steden werd
ook een aantal plattelandsgemeenten behandeld, waar industrie was gevestigd, waaronder ook Ede.
Wij kwamen er niet al te best af. In tegendeel. Volgens de samenstellers mankeerde er nog wel een en ander aan onze gemeente. Nemen we bijvoorbeeld het lager onderwijs in Ede: Het peil op de scholen is te laag. Men leert alleen het hoog nodige en er is bovendien veel schoolverzuim. Een aantal kinderen wordt ,
regelmatig thuis gehouden om in de landbouw te werken. Vooral tijdens de bosbessencampagne
zijn de scholen voor tweederde leeg. Wat de ULO-scholen betreft: deze jeugd onttrekt zich
maar al te vaak aan het maken van huiswerk met alle gevolgen van dien. Ook voelen ze zich
veelal geïsoleerd, daar veel ouders hun kinderen niet begrijpen.
Nog erger komen de leerlingen van HBS en gymnasium er af. De jongelui tonen een ontstellend gebrek aan behulpzaamheid , en medewerking, terwijl spijbelen speciaal bij de minder interessante vakken regelmatig voorkomt.
Daar konden we het voorlopig wel mee doen, maar de wethouder van onderwijs O. C. van Hemessen ontzenuwde de gegevens: "In de eerste plaats is ons door de schrijvers geen enkele in of toelichting gevraagd, maar ik kan verzekeren, dat het onderwijs in onze gemeente zeker niet minder van kwaliteit is dan elders.
Wat overigens dat bosbessen plukken betreft, lopen de heren zeker dertig of veertig jaar achter , aldus de wethouder. Ook de heer G. Jansen, hoofd van de Christelijke ULO aan de Beukenlaan in Ede gaf desgevraagd zijn mening: "Klinkklare onzin wat ik met een simpel voorbeeld kan
bewijzen. Uit mijn school slaagden dit Jaar 67 van de 71 eindexamenkandidaten, een verhouding, die ver boven het landelijk gemiddelde uitsteekt".
Naast het onderwijs krijgt ook het geestelijk leven van Ede de nodige kritiek gezien de volgen.
De conclusie: "Al beheerst de kerkelijke traditie nog wel een deel van de jeugd, de inhoud van
de prediking zegt hen weinig en is uit de tijd. De kerkeraden bestaan uit behoudende boeren, die
van geen enkele vernieuwing willen weten".
Dat was natuurlijk tegen het zere been van een aantal plaatselijke predikanten. Namens hen
verklaarde dominee Fokkema:
"Dit is volkomen uit de lucht gegrepen. Men gaat totaal voorbij aan het feit, dat onze gemeente vele kerken kent van verschillende richtingen, die elk op hun eigen wijze het Evangelie brengen, zodat een ieder kan gaan, waar hij zich thuis voelt. De samenstellers hadden de moeite moeten nemen eerst eens naar
Ede te komen teneinde zich beter te kunnen oriënteren".
Het bewuste boekwerk kwam zelfs tijdens de gemeenteraadsvergadering van 26 november
1953 ter sprake.
Bij de rondvraag stelde de heer Hooiboom voor met klem te protesteren tegen de uitgave: "Het is allemaal gezwam in de ruimte en zonde van het geld, dat een dergelijke idioterie heeft gekost". Een daverend applaus onderstreepte de mening van alle raadsleden en burgemeester Oldenhof beloofde
omtrent deze kwestie contact op te nemen met de verantwoordelijke minister.
Het verloop daarvan is ons onbekend en evenmin of het Bronnenboek landelijk gezien nog een rol van betekenis heeft gespeeld, maar in Ede zeer zeker niet.


H.
J. Nijenhuis