Tijdens
de bijeenkomst van 4 januari 1869 werd het verzoek om loonsverhoging, ingediend
door de wed. v.d. Schoot-Gramser, behandeld. De dames waren echter unaniem van
mening dat men, gezien haar kortstondig verblijf in Lunteren, nog niet voldoende
op de hoogte was van haar capaciteiten en wezen de aanvraag af. Daarna komt dit
punt een tijdlang niet meer aan de orde tot de weduwe in augustus 1871 een nieuwe
poging waagt, ditmaal met succes. Het bestuur blijkt nu wel in staat een oordeel
over har werk te vormen en is tevreden. Ingaande 1 januari 1872 wordt haar een
jaarlijkse verhoging van vijfentwintig gulden toegezegd.
Bovendien neemt
het bestuur voortaan de belasting op huis en grond, inmiddels eigendom geworden,
groot f 11 ,96 per jaar voor haar rekening.
Helaas de weduwe zou er niet van
profiteren: op de bijeenkomst van 5 februari 1872 werd, blijkens de notulen,
mededeling
gedaan dat mevr. v.d. Schoot-Gramser vrij plotseling is overleden. Er moet dus
een opvolgster worden gevonden en opnieuw zoekt men het ver van huis. In maart
d.a.v. verschijnt de volgende advertentie, geplaatst in de "Haarlemmer Courant"
en "Het Nieuws van de Dag". "Door sterfgeval wordt gevraagd eene
juffrouw P .G. om des namiddags van twee tot zeven uren aan het hoofd te staan
eener naai en breischool te Lunteren gemeente Ede, tegen een betaling van honderd
gulden s'jaars, benevens vrij woning met tuin en belasting. Informatie's zijn
te bekomen met opgaaf van bekwaamheid bij den heer A. van Schothorst te Lunteren
voor 20 maart a.s.
Het salaris blijkt weer op het oude niveau te zijn
teruggedraaid, terwijl de uitdrukking "woning met tuin en belasting"
allerminst duidelijk is. Desondanks kwamen er verspreid uit het gehele land, niet
minder dan tweeëntwintig brieven binnen, AI deze epistels zijn trouw bewaard
gebleven, zij het door de tand destijds wat vergeeld en daardoor moeilijk te lezen,
De inspanning wordt echter ruimschoots vergoed door de, soms prachtige woordkeus
en opbouw van de volzinnen. Typerend is ook het feit dat in de meeste gevallen
de kandidate niet zelf schreef maar dat overliet aan het hoofd van het gezin.
Timmerman
Zelfs
klom een timmerman in de pen, die er wel een baantje voor zijn vrouw inzag. Voor
de aardigheid laten we dit schrijven in haar geheel volgen:
"Hilversum,
10 maart 1872. Weled. Heer. In de Courant gelezen hebbende alsdat bij U. E, informatie
is te bekomen aangaande eene onderwijzeres voor de Naai- en Breischool te Lunteren
zoo diene deze letteren U.E. welwillendheid , aangaande nader inligtingen hier
omtrent ten onzent in te roepen, Mijn vrouw is een flinke naaister. Zoowel voor hooge
als voor Burgerklasse. Japonnen, Mantels, Jakken en verder mans kleederen, broeken
en vesten worden door haar hand naar de smaak vervaardigd.
Zelve heeft zij
al verscheidene jonge meisjes tot flinke naaisters gevormd. In fijne handwerken
is zij niet zeer ervaren, maar anders komt haar niets te ooren of het wordt door
haar gemaakt.
Wij zijn gehuwd doch zonder kinderen, mijn vrouw is drie
en dertigjaren en ik veertig jaren. Ik ben van beroep Timmerman en daar ik noch
al eens van huis ben op groote werke zoo was dit voor mijn vrouw een goede betrekking
daar zij dan aflijting had want zoiets is altijd haar lust daar zij veel senie
heeft voor haar vak. Waar wij zijn in de wereld komt er ons niet zoo zeer op aan
daar wij bijde geen ouders meer hebben en bijna geen Familie. Gepasseerde Juni
zijn wij uit Hoorn naar hier vertrokken aangaande hier veel werk met timmeren
is. Zoo U.E. hierop reflecteerde zijn wij bereid U. E. de beste getuigschriften aangaande
ons bijde ter hand te stellen. Ik geloof niet alsdat U. E. zeer gemakkelijk een
geschikter persoon voor deze
betrekking zult vinden. Want daar wij zelve geen
kinderen hebben is mijn vrouw steeds een minnaar van kinderen en daar Zij veel
alleen is was dit meteen voor haar een mooie uitkomst.
Hopende dus op U. E.
welwillendheid ten onzent in deze en op spoedige inligtingen noemen wij ons met
achting. W. Mantel. en J. v. Roosendaal. Mijn adres is, W.Mantel Timmerman,
Loosdregter IJnde, Hilversum.
Zoals men bemerkt, de timmerman,
steekt de kwaliteiten van zijn vrouw niet onder stoelen of banken. Thans lezen we
een dergelijk schrijven met een glimlach, maar wie zal zeggen hoeveel zweetdruppels
het deze, eenvoudige man destijds heeft gekost omdat alles op papier zetten en
pan nog, jammer voor hem, nog zonder resultaat, Uit al deze inzendingen werden
door de dames zeven kandidaten geselecteerd, waarbij niet het echtpaar Mantel
behoorde. Omtrent die zeven werd om nadere inlichtingen en getuigschriften
gevraagd. Deze documenten werden zorgvuldig bestudeerd met uiteindelijk resultaat
dat mej. M. w. Fraay uit De Rijp N.H: de gelukkige werd. Ook deze sollicitatiebrief,
geschreven en ingezonden door haar vader, die merkbaar op dit terrein beter thuis
was, laten we volgen:
"De Rijp. den 8en Maart 1872. Weledele
Heer! Gelezen in het Nieuws van de Dag, dato heden, U. E. 's advertentie ,
waarbij
gevraagd wordt een Juffrouw, P.G.,die de geschiktheid heeft om aan het hoofd te
staan van een Naai en Breischool te Lunteren gemeente Ede .Op de in de advertentie
omschreven voorwaarden, zoo heb ik de eer U.E. beleefdelijk daar toe aan te bieden
mijn dochter, genaamd Maria Wilhelmina Fraay, oud éénentwintig jaar,
lidmaat der Hervormde Kerk. Zij is het vak
volkomen kundig en heeft te De Rijp
ook zoodanige school waargenomen doch door de opheffing daarvan thans nog eenige
leerlingen aan huis. Ons huisgezin bestaat uit drie personen, mijne Vrouwen Dochter
en Ik. Wij wilden gaarne in die ommestreken wonen daar ik met Mei des verleden
jaars de woning van den Heer Henri Thomas te Ede had gehuurd doch toen tot ons
leedwezen door genoemde Heer wegens door Zijne Edele onvoorziene omstandigheden
is afgeschreven.
Mocht mijn dochter voor die betrekking in aanmerking komen
wees dan zo goed ons verder van een en ander te informeren. Bewijzen van gedrag
en bekwaamheid kunnen door haar desverkiezend geleverd worden. Met hoogachting
Uw, dw. Dienaar N. Fraay, adres N. Fraay, gepensioneerd Rijksambtenaer De Rijp
NH.
Deze brief, die overigens niet van eigen belang was ontbloot,
maakte een gunstige indruk op de dames en ook de
getuigschriften van mej. Fraay
bleken uitstekend.
Tenslotte werd nog een oordeel van de plaatselijke predikant
in De Rijp gevraagd, in die jaren, zoal niet letterlijk, maar wel figuurlijk een
man van gewicht: zijn woorden bezaten toen nog een gezag waaraan niet werd getwijfeld.
Deze
voorganger schreef als volgt:
"De Rijp, 2 Apri11872, Mevrouw.
Met volle vrijmoedigheid mag ik U aangaande Maria Wilhelmina Fraay en aangaande
hare ouders zeer gunstige getuigenis: geven. Zij genieten ,hier de algemeene achting
en komen ook mij voor brave oppassende mensen te zijn.
Wat haar karakter betreft
durf ik U mej. Fraay als een zeer geschikt en zachtaardig meisje, voor zover ik
er over kan oordelen, gerust aanbevelen.
De vraag of zij de vereist kunde bezit
om aan het hoofd van eene naai en breischool te staan, is voor mij niet zoo gemakkelijk
te beantwoorden. Zij geeft hier aan enkele meisjes uit den burgerstand bij zich
aan huis onderricht in naaien en breien, naar ik verneem tot tevredenheid van
de ouders dezer kinderen. In het algemeen kan ik over de verstandelijke ontwikkeling
dezer persoon in questie niet dan een oppervlakkig oordeel vellen daar zij eerst
sedert een paar jaren hier woont en niet tot mij catechisanten behoord heeft,
Natuurlijk zou ik mij verheugen indien M. W. Fraay mocht blijken voor de betrekking
waar naar zij solliciteert, geschikt te zijn en door hare benoeming in de positie
hare ouders verbetering mocht worden gebracht. Met hoogachting heb ik de eer mij
te noemen, Uw dw. Dienaar, waarna een onleesbare handtekening volgt.
Opnieuw
beraad van de dames er werd besloten mei. Fraay voor een nadere kennismaking naar
Lunteren te8laten komen, een hele reis in die dagen waarvoor zes gulden reisgeld
werd uitgetrokken. Ook dit onderhoud verliep bevredigend, waarna met algemene
stemmen werd besloten, per 1 Mei 1872, mej. M. w. Fraay tot hoofd van de naai
en breischool alsmede van de
inmiddels tot stand gekomen bewaarschool te noemen.
Door
ziekte van mej. Fraay zou het echter 21 Mei 1872 worden voor zij met haar werkzaamheden
kon beginnen. Voor de aardigheid en om aan te tonen dat het bestuur niet over
één nacht ijs ging, hebben we wat uitvoerig bij het verloop van
deze sollicitatie stilgestaan. Natuurlijk speelden zich ook andere zaken rond
de school af, waarover in de derde en laatste aflevering.
H. J. Nijenhuis

