Dankzij
de medewerking van de vereniging "Oud Lunteren" mochten we wat grasduinen
in een meer dan
honderd jaar oud, maar prachtig bewaard gebleven notulenboek
van de Lunterse Naai en Breischool. Daarbij bevonden zich tevens talrijke documenten,
correspondentie en sollicitatiebrieven en een aantal financiële verslagen.
Het leek ons wel aardig, in een paar afleveringen, één en ander
uit al die oude gegevens te vertellen. Op zichzelf geen wereldschokkende gebeurtenissen,
maar die eens, zij het ruim een eeuw geleden, toch een rol speelden in het Lunterse
dorpsleven.
In Februari 1866 besloot een achttal dames uit het dorp, een
naai en breischool ten behoeve van, zoals de notulen vermelden, "behoeftige
meisjes", Op touw te zetten en deze, zo mogelijk later net een bewaarschool
uit te breiden.
Elk opgroeiend meisje uit die jaren diende toch het vak "nuttige
handwerken" goed onder de knie te hebben.
Wat moesten zij beginnen, straks
getrouwd met een gezin achter zich en niet de kunst van breien, stoppen en
herstellen
verstonden. Voor meisjes uit betere kringen behoorde dergelijk onderwijs bij de
opvoeding, maar bij minder bedeelden stond werken en niet leren op de voorgrond.
Eigenlijk dus een sociale gedachte die aan het initiatief van de dames ten grondslag
lag.
Overigens bezat het achttal goed in het gehoor liggende onvervalste
Lunterse namen waarvan het merendeel zelfs nu nog een bekende klank bezit. Het
waren Mevr. v. d. Ham-Wilbrink; mevr. v. Schothorst-Roelofsen, mevr. v. d. Ham-Fiboel, mevr.
Lit-Romeyn, mevr. Wilbrinkv. d. Ham, mevr. Hassley-v. Everdingen, mej. H. F Roelofsen
en mej. H. J. Dura.
Zoals men ziet, waren de aloude families v. d. Ham, Wilbrink
en v. Schothorst goed vertegenwoordigd.
Uit hun midden werd een bestuur samengesteld:
mevr. v. Schothorst- Roelofsen, presidente, mevr. v. d. Ham- Fiboel, secretaresse,
mevr. v. d. Ham-Wilbrink, penningm.
Geld om te beheren was er weliswaar nog
niet, maar op een bijeenkomst van 6 Maart 1866, werd besloten, gelet op het
algemeen belang een beroep te doen op de dorpsgemeenschap. Een huis-aan-huis
collecte bracht het beginkapitaal, 123,10 op en zuinig als men in die jaren was,
werd honderd gulden ,daarvan bij een bank "op rente gezet".
Met
het resterende bedrag dachten de dames het voorlopig wel te redden.
Reglement
Een uitvoerig reglement werd opgesteld, dat enkele jaren later, om precies
te zijn, 30 Januari 1870, Koninklijke
goedkeuring verkreeg en waarvan we enkele
meer of minder belangrijke punten vermelden. De Lunterse naai en
breischool
was opgericht ten behoeve van meisjes, in de leeftijd van twaalf tot achttien
jaar, afkomstig uit noodlijdende gezinnen. Men dacht de school te kunnen financieren
door giften, legaten, erfstellingen, rente van uitstaand geld en een jaarlijkse
verloting. De vereniging zal steeds bestaan uit acht dames, mocht één
van hen, door welke omstandigheid dan ook, uittreden, dan zal deze vacature zo
spoedig mogelijk, in onderling overleg, worden aangevuld.
De dames zouden
elke eerste Maandag van de maand, ten huize van één hunner, bij
elkaar komen teneinde de lopende zaken te bespreken. In het laatste artikel werd
gesteld dat bij ontbinding van de vereniging de bezittingen zouden overgaan naar
de diaconie van de Herv. Kerk te Lunteren. Later zal blijken dat deze bepaling
geen werkelijkheid is geworden.
Start
Op 1 Mei 1866 startte de
school met het streefgetal van twaalf meisjes. Als hoofd, de eerste jaren heel
simpel met "naaivrouw" betiteld, werd Gerritje Hulstein-Hoefakker
aangesteld. Zij moest elke middag, zaterdag en zondag uitgezonderd, van twee tot
zeven uur met een tussenpauze van een half uur, les geven en ontving daarvoor
de vorstelijke beloning van één gulden per week, pakweg vier cent
per uur. Wel moest ieder kind voor de naaivrouw elke vrijdagmiddag een dubbeltje
meebrengen, hetgeen, als alle kinderen deze verplichting nakwamen, haar inkomen
ongeveer verdubbelde.
Ook voor de leerlingen golden voorschriften: elk meisje
betaalde een kwartje en verkreeg daarvoor het recht om
op een stoel te mogen
zitten. Bleef een leerling langer dan vier weken weg, dan werd geacht dat zij
de school had verlaten en moest bij eventuele terugkomst opnieuw het inleggeld
worden betaald. Verder dienden de meisjes zich ordelijk, niet brutaal maar gehoorzaam
te gedragen en reinheid van lichaam en geest te betrachten.
Op deze zaken zou
niet alleen de naaivrouw, maar, op gezette tijden, ook een vertegenwoordigster
van het bestuur nauwlettend toezien. De eerste drie middagen van de week mochten
de meisjes voor zichzelf werken, waardoor zij, naarmate hun bekwaamheid vorderde,
moeder thuis, op dit terrein, al wat werk uit de hand konden nemen. De twee resterende
middagen werden de gereed gekomen werkstukken voor de school gereserveerd. De
materialen werden door het bestuur verstrekt; regelmatig worden ook uitgaven vermeld
voor aankoop van wol en geel katoen.
Bijbel lenen
Hoewel niet
als Christelijke school opgezet, besloot het bestuur, September 1866, voortaan
elke middag te beginnen met het voorlezen, door de naaivrouw, van een hoofdstuk
uit de Bijbel. Het kon geen kwaad als de leerlingen, naast hun handenarbeid ook
wat geestelijk voedsel meekregen. Het idee werd geen succes; misschien door het,
naar gewoonte van die tijd, op één dreun voorlezen, bleek de
belangstelling maar matig en draaide het halve uur uit op fluisterend gebabbel
en gegiechel. Reeds in december daarop werd met Bijbellezen gestopt; het bleek
verloren tijd te zijn waarmede noch de school noch de leerlingen gebaat waren.
Voortaan
werd echter elke dag een Bijbeltekst opgegeven, die de meisjes al breiende, uit
hun hoofd moesten leren. Bovendien kreeg elk kind, in januari 1867 een kerkboekje
uitgereikt met de opdracht dat thuis te bestuderen. Hiermede was voldoende aandacht
aan de geestelijke opvoeding besteed, zonder dat daardoor de 1essen in het gedrang
kwamen. Ds. Cramer
heeft nog verzocht de meisjes "en bloc" naar zijn
Zondagsschoolover te hevelen, maar kreeg nul op rekest. De dames waren van oordeel
dat zulks een zaak was die de ouders aanging. Ook speelde misschien het volgende
een rol. Ds. Cramer was n.l. geen Hervormd predikant maar voorganger van een groep
mensen die het niet eens waren met de opvattingen binnen de Ned.
Herv. kerk
in in 1859 de Lunterse gemeente verlieten. Aanvankelijk noemde zij zich "Onder
het kruis", maar sloten zich, in 1865, aan bij de Chr. Geref. kerk. De afgescheidenen
kwamen bijeen ten huize van N. Koops in de Dorpsstraat. Dit huis stond dan ook
bekend als de Kruiskerk. Ds. Cramer vertrok 22 maart 1868 naar Beekbergen; het
pand werd gehuurd en later
gekocht door het bestuur van de naai en breischool,
daar komen we nog wel op terug.
De naaivrouw kende haar vak en de kunst
deze kennis op de meisjes over te brengen blijkbaar uitstekend, want reeds drie
maanden na opening van de school, augustus 1866 mocht elke leerling een paar zelfgebreide
kousen mee naar huis nemen. Ook het Sinterklaasfeest werd niet vergeten, de dames
betaalden uit eigen portemonnee anderhalf pond speculaas, dat onder de
leerlingen
werd verdeeld. Bovendien ontving elk meisje een schort of, om een woord uit die
tijd te gebruiken, boezelaar. Wel werd bij dit kledingstuk dringend aangeraden
het uitsluitend voor de zondag te bestemmen dan stonden zij er tijdens de kerkgang
in ieder geval netjes op.
Gerritje Hulstein-Hoefakker mocht dan als een goede
naaivrouw geprezen worden, zij zag dat ook wel graag in geld uitgedrukt. Binnen
het jaar, april 1867, verzocht zij: "vermeerdering van haar beloning",
zoals het in de notulen staat vermeld. De dames dachten daar niet aan. Met grote
eenstemmigheid werd het verzoek afgewezen. Een jaar later hield de naaivrouw het
voor gezien en kondigde haar vertrek aan. Het bestuur, blijkbaar overtuigd dat
in de naaste omgeving moeilijk een geschikte opvolgster te vinden zou zijn, plaatste
twee maal, op 4 en 6 mei 1868 een advertentie in de Haarlemmerkrant. Er kwamen
zes sollicitatiebrieven binnen. verspreid uit het gehele land. De dames gingen
niet over één nacht ijs, uitvoerige inlichtingen omtrent de kandidaten
werden ingewonnen, vooral bij dominees ter plaatse, totdat uiteindelijk de weduwe
v. d. Schoof, geboren Gramser uit Someren, N. Br. werd benoemd.
Zij begon 17
augustus 1868 met haar werkzaamheden, de betiteling "naaivrouw" verdween,
het werd voortaan
"Juffrouw". Zoals meer voorkomt, wat Gerritje Hulstein
niet gedaan kon krijgen lukte haar wel; de weduwe kreeg
een salaris van honderd
en vijftig gulden per jaar plus vrij wonen. Maar hoewel waarschijnlijk tevreden,
bleek de wed. v. d. Schoot-Gramser nog niet voldaan, althans begin januari van
het volgend jaar, verzocht ook zij om loonsverhoging. En daarmee willen we de
volgende aflevering beginnen.
H. J. Nijenhuis.

