Een handige slager

Op 1 augustus 1914 werd met zwaar en langdurig klokgelui de mobilisatie van het Nederlandse leger afgekodigd. De volgende dag stond ons dorp op de kop: het leek of bijkans de helft van de opgeroepen militairen naar Ede was gedirigeerd. De kazernes konden deze toeloop bij lange na niet verwerken, zodat in alle haast kerken en scholen tot onderdak werdeningericht.
Al deze soldaten moesten van eten worden voorzien,waarbij vooral de plaatselijke slagers aan hun trekken kwamen. De Commandant van de Menagedienst bestelde hij hen enorme hoeveelheden vlees, worst en spek. De vleeshouwers, om een term uit die tijd te gebruiken, trokken de boer op en kochten vee zonder op de prijs te letten, waarvan op hun beurt de veehouders profiteerden.
Er werd aan de lopende band geslacht en geld verdiend als water, al was het voor korte duur. Niet alleen kwam geleidelijk de organisatie op dreef, maar bovendien werd landelijk de distributie van vele levensmiddelen, waaronder de slagersprodukten ingevoerd. Eén en ander werd vanuit Den Haag geregeld, hetgeen gezien de primitieve verbindingen, niet bevorderlijk bleek voor een vlotte gang van zaken.


Bonnen en geen vlees
Zo kon het gebeuren dat in 1917 de slagers zonder aanvoer zaten en huismoeders, ondanks hun bonnen, een vergeefse gang naar de slagerswinkel maakten. Een spoedbericht vanuit Ede naar de residentie bracht uitkomst: Burgemeester Creuts kreeg opdracht zo spoedig mogelijk een aantal zgn. "regeringsvarkens" te kopen tot een totaal 'van 1500 kg. geslacht gewicht tegen een vastgestelde kiloprijs, met de aantekening dat elk dier meer dan negentig kilo ham moest wegen. Het aldus verkregen vlees moest in gelijke delen en kwaliteit onder de Edese slagers gedistribueerd worden. Op zijn beurt gaf de burgemeester varkens kopen en slachten was nu niet direct een bezigheld voor hem de order in handen van een plaatselijke slager. Deze liet er geen gras over groeien en kocht in vlot tempo de nodige krulstaarten.


Varkens met zes poten
Het zal wel altijd een vraag blijven of er, juist nu zij zo dringend nodig waren, niet voldoende zware varkens geleverd konden worden, een feit was dat onze slager vrijwel uitsluitend kocht, ver onder het voorgeschreven gewicht. Deze werden geslacht en overlangs doorgesneden, elke slager ontving nu anderhalf varken, ruim het hem toekomende deel met bovendien zes poten, zeer in trek voor het bereiden van erwtensoep.
Een plaatselijk blad sprak dan ook van een unieke prestatie om varkens met zes poten te leveren. Men zou zo denken dat iedere belanghebbende tevreden was met deze oplossing, maar dat bleek niet het geval. Enkele mensen waren van mening dat de slager door lichtere varkens te leveren, die goedkoper waren dan de vastgestelde prijs zich van een extra winst had verzekerd.
De zaak haalde zelfs de gemeenteraad, maar liep met een sisser af. Uiteindelijk was niemand benadeeld en dat de ene mens over meer handelsgeest beschikt dan de ander is een vaststaand feit. Maar om met de laatste regel van het overbekende gedicht "Boerke Naas" te besluiten: "Maar toch en 't was niet dwaas".
H. J. Nijenhuis