Vleeshouwer en spekslager

De winkels uit vroeger jaren konden natuurlijk geen enkele vergelijking doorstaan met de grote zaken en supermarkten die ons dorp thans rijk is. Ook het winkelen als zodanig heeft een totale verandering ondergaan. Nu pakt men een wagentje, neemt wat nodig is, soms door de geraffineerde opeenhoping van allerlei artikelen meer dan de bedoeling was, betaalt aan de kassa en zucht: Ziezo, dat zit er weer op .Nee, in die dagen rond de eeuwwisseling was boodschappen doen voor de huisvrouw vaker een verzet je dan noodzakelijkheid. Immers, bakker, melkboer, groenteman, de handelaar in stoffen, allen kwamen aan de deur. Bovendien had elke zaak van enige betekenis een loopjongen in dienst, die, zonder enige prijsverhoging, smorgens kwam vragen om het bestelde later te bezorgen. De klant was nog koning: waar zo'n hulpje ontbrak, deed de baas dat er zelf tussendoor, terwijl vrouwlief op de winkel paste.


De kopers kenden maar zelden haast,uitvoerig werden over de toonbank de laatste nieuwtjes uitgewisseld,
mochten volgende klanten door deze discussies wat opgehouden worden, zij toonden geen ongeduld maar gaven ook hun mening over het onderwerp ten beste. Men had er trouwens de tijd voor, de zaken waren vrijwel onbeperkt open. Pas in het laatst van de twintiger jaren taken de winkeliers zelf de koppen bij elkaar om een vaste sluitingstijd in te stellen. Na heel wat praten lukte dat; voortaan waren de winkels elke avond tot acht en zaterdag tot tien uur geopend. En mocht men na die tijd tot de ontdekking komen dat nog iets nodig was, vooral een gaskousje kon het onverwachts begeven, geen ramp, dan kon men altijd nog even achterom .

Slager zijn was moeilijk
Natuurlijk waren er ook slagers onder de toenmalige Edese middenstand; zij hadden het echter niet gemakkei ijk; slechts een gedeelte van de inwoners maakte regelmatig van hun diensten gebruik. Een belangrijk deel van de burgers mestte zelféén of meer varkens, die dan in het najaar geslacht werden. Het spek, de hammen en gemaakte worsten werden gerookt om ze duurzaam te maken, soms werd ook nog vlees in de pekel gezet, waardoor zij in de dure wintermaanden de slager konden missen. Ook de zg. "uitponders" deden de slagers concurrentie aan had iemand twee varkens slachtrijp dan was er één voor eigen gebruik, terwijl de ander, onder de prijs van de slager, pondsgewijs in de buurt of verdere omgeving, aan de man werd gebracht. Wettelijk was daar niets tegen te beginnen; een ieder was vrij zijn varken op de voordeligste manieer van de hand te doen .
Met keuringseisen nam men het niet zo nauw; trouwens voor de komst van het garnizoen bestonden op dit terrein nagenoeg geen voorschriften .
De garnizoenscommandant wilde echter de manschappen geen risico laten lope, hij gebood de slagers die aan de verschillende keukens leverden, uitsluitend goedgekeurd vlees te brengen. Als eerste keurmeester werd toen veearts Abspoel aangesteld, tot ongenoegen van verschillende slagers en nog meer van de zelfslachters .
Een tweetal van die slagers uit vervlogen tijd willen wij even uit de vergetelheid halen, te beginnen met Job Berlijn, officieel Jacob Levy Berlijn. Zijn naam geeft reeds de Joodse afkomst aan; eigenlijk vreemd voor zo iemand om zich in het conservatieve Ede te vestigen .
Hij opende op 11 december 1862 een zaak aan het begin van de tegenwoordige Molenstraat, thans drogisterij de Jager. In die tijd kende men vleeshouwers en spekslagers; de eersten verhandelden uitsluitend rundvlees, de anderen dat van varkens. De meeste slagers verkochten beide, maar voor Berlijn waren varkens nu eenmaal onrein hij was dus uitsluitend vleeshouwer en adverteerde in de plaatselijke krant als leverancier van ossen en kalfsvlees .

Slachten in de winkel
Het was normaal dat elke slager zelf slachtte, dus ook Job Berlijn, alleen hij beschikte niet over een behoorlijke slachtplaats. Daarom gebeurde dat simpelweg in de winkel. Op maandagmorgen, als ertoch niet veel verkocht werd (de mensen maakten dan het overschot van zondag op), werd al vroeg de winkel totaal ontruimd. Nu moest Berlijn, volgens Joodse voorschriften, "koosjer" slachten, een ritueel waar telkens de rabbi uit Wageningen, waar een kleine Joodse gemeente bestond, voor overkwam .
De koe werd binnengebracht, de voor en achterpoten met een touw aan elkaar gebonden om vervolgens met een ander touw deze naar elkaar toe te halen, waardoor het dier kwam te vallen. Na verder de koe secuur gebonden te hebben kwam de rabbi met een lang vlijmscherp mes, om met vaste hand, in één haal op het juiste punt in de hals, de slagader door te steken .
Het beest bloedde in enkele minuten dood; dat bloed liet men rustig vanuit de winkel in de straatgoot lopen, waardoor de hele buurt wist: Job is weer aan het slachten .
Daarna werd de koe met behulp van een katrol en touwen op een soort burrie gehesen. Opnieuw kwam nu de rabbi in actie, met zijn mes maakte hij op de plaats waar de longen zaten een kleine opening.
Daardoor stak hij zijn rechterhand om te voelen of die longen los zaten, in dat geval was de koe "koosjer" en kon tot afslachten worden overgegaan. Maar indien dat niet zo was, de longen dus vastgeklemd waren, verklaarde rabbi het dier voor "treifel", dus onrein, hetgeen gelukkig niet vaak voorkwam. Na zijn uitspraak vertrok de rabbi in die overtuiging dat Berlijn geen "treifel' vlees zou verkopen. Inderdaad, getrouw aan de voorschriften deed deze dat niet, maar stelde zich wel haastig in verbinding met een collega, die maling had aan "koosjer" of "treifel' en het dier van hem overnam .
Was het slachten gedaan, dan werd de winkel door vrouwen kinderengrondig schoongemaakt, de muren,
waarop soms grote bloedspatten zaten, opnieuw gewit, het vlees aan stevige haken gehangen, de toonbank en het hakblok op hun plaats gezet en dan kon de verkoop weer beginnen.


Door zijn Joods geloof, hetgeen Job Berlijn allerminst verloochende (hij trad in Wageningen zelfs af en toe als voorganger op en gaf godsdienstlessen aan kinderen), miste hij de beste verkoopdag van de week. De zaterdag was voor hem Sabbath,dan lag alle arbeid stil.
Daar stond wel is waar tegenover dat hij is zondagsmorgens al weer geopend mocht zijn, maar daar maakte de Edese bevolking maar matig gebruik van. Wel was het een uitkomst voor hotel en pensionhouders, als daar soms onverwachts gasten kwamen aanzetten .
Later verhuisde Job Berlijn naar de Bospoortstraat ongeveer op de plaats waar nu de moderne slagerij van Jongenotter staat. Daar was wel een ruime slachtplaats bij, dus kon de buurt het ritueel slachten niet langer van nabij mee maken.


Verdwenen kerkhof

Jacob Berlijn, die zich in de loop der jaren populair had gemaakt bij de bevolking, overleed op 2 december 1915, bijna zeventig jaar oud. Hij werd in Wageningen begraven .
Wel was er in die tijd in Ede ook nog een begraafplaats voor Joden, maar dit kerkhof was al geruime tijd gesloten. Gelegen aan het Maandereind, blijft dit kerkhof een beetje duistere geschiedenis, al kunnen oudere mensen het zich nog goed herinneren. Oorspronkelijk behoorde deze grond aan de buurt Ede-Veldhuizen; althans, op de jaarlijkse buurtspraak van 1792 kwam het verzoek van twee Joodse families, t .w .W. Cohen uit Veenendaal en A. Abrams te Ede, om dit terrein opnieuw als begraafplaats voor "afgestorvenen van Joodse gezindheid", ter beschikking te stellen. Dat woordje "opnieuw"
is een duidelijke aanwijzing dat deze grond al eerder als zodanig dienst had gedaan.
De buurt beschikte goedgunstig, tegen een vergoeding van twee gulden per jaar werd het terrein genoemde families in erfpacht gegeven. In 1803 werd deze pacht tot één gulden teruggebracht, maar nu uitsluitend voor rekening van de fam. Cohen, blijkbaar is toen de fam. Abrams uit Ede vertrokken .


Cohen bleek echter geen vlotte betaler, bij zijn overlijden in 1813 had de Buurt nog geen cent van hem ontvangen, al zijn later zijn weduwe en haar zoons deze verplichtingen trouw nagekomen. Het is niet bekend hoe lang deze pacht is doorgegaan, maar op een of andere manier is de Buurt dit stukje grond ontfutseld. Bij de invoering van het Gemeentelijk kadaster in 1831 blijkt het terrein nu op naam van de kerk te staan, evenals trouwens de gehele Bree. Met die naam wordt bedoeld al de grond tussen Maandereind en Klinkenbergerweg, de Breelaan is er nog de herinnering aan .
Veel mensen zijn er op dit Joden kerkhof nooit begraven; het juiste aantal is onbekend; de laatste omstreeks 1865. Geleidelijk verwaarloosde het kerkhofje; aanvankelijk afgezet met een houten hek, later vervangen door een stenen muur werd het door de jaren heen met onkruid overwoekerd. Niemand keek er meer naar om, tot de bierhandelaar H. v. Scherrenburg, die zijn zaak aan het Maandereind had met pal achter zijn huis het kerkhof, op het heldere idee kwam de grond te gebruiken als opslagplaats voor zijn lege vaten en kisten. Er werd hem nooit om huur op pacht gevraagd mede daardoor werd de grond na zekere tijd als verjaard" verklaard en hem, als gebruiker toegewezen.


In de twintiger jaren kocht de firma Roelofsen huis en grond van Scherrenburg, sloopte het eerste en liet het tegenwoordige pand, thans in bezit van de heer Roes, bouwen, waardoor het kerkhofje definitief verdween. Bi j het grondwerk van die bouw zijn inderdaad nog geraamtes gevonden en overgebracht naar de Alg .Begraafplaats .


Ongelijke strijd
Maar om nog even terug te komen op de begrafenis van Jacob Levy Berlijn: de meubelhandelaar G. v. d. Brink en de slager P. Blokker ,waar wij direct nog op terug komen, jarenlang buren van de overledene, voelden zich verplicht deze op zijn laatste gang te vergezellen. Toen dan ook vanaf het sterfhuis de lijkwagen, met twee volgrijtuigen voor de familie vertrok, schaarden zij zich daar achter, naar de gewoonte van die tijd. Natuurlijk een hele tippel naar Wageningen,maar daar beurde geen van beiden zwaar aan. Men was lopen wel gewend en uiteindelijk konden zij terug nog altijd de stoomtram nemen .
Men vertrok in het geëigende tempo, maar na het passeren van het station, in de volksmond 'de keet", lieten de koetsiers hun zwepen knallen, waarop de paarden in draf overgingen. Beduusd keken de twee elkaar aan, zetten er met één hand aan hun hoge hoed, ook een soort galop in, maar moesten, ter hoogte van Reehorst, de ongelijke strijd opgeven. In arren moede wandelden zij naar huis terug waardoor Job Berlijn zonder de gebruikelijke burenplicht is begraven .
Hij liet twee zonen na, Philip en Levy, waarvan de eerste de zaak voortzette, in 1920 vertrok de familie Berlijn naar Den Haag, waarna verdere gegevens over hen ontbreken. Onderstaande foto toont Job Berlijn met links van hem zijn vrouw, staande voor hun slagerij .

Een andere slager, die, afkomstig uit Akersloot, op 8 dec. 1888 in Ede neerstreek, was de zo juist genoemde Piet Blokker. Deze diende zich aan onder de welsprekende naam: Mr. Vleeshouwer en spekslager . Ook hij begon in de Molenstraat, destijds Dorp 44. De dokter had hem aangeraden, in verband met de gezondheidstoestand van zijn vrouw, naar de Veluwe te verhuizen; de dennenlucht zou haar goed doen. Blijkbaar geen slecht advies;hun huwelijk werd althans gezegend met elf kinderen, waarvan een paar echter al jong zijn overleden .

 


Met hondenkar de boer op

Blokker had het de eerste jaren in Ede niet gemakkei i ik, maar ging niet bij de pakken neerzitten. Hij redeneerde als Mohammed en de berg; als de klanten niet bij hem kwamen, nou dan hij maar naar he,dus reed hij met een hondenkar vol spek en vlees de omgeving af. Dat lukte vooral in Lunteren was hij al gauw gezien; daar woonden in die tijd zijn beste afnemers. Hij bleef evenwel op de kleintjes letten; zoals in bijna alle plaatsen stond ook even voor Lunteren een tol. Om die met zijn kar te passeren moest vijf cent betaald worden. Weggegooid geld, volgens Blokker en spaarde dat uit door even voor de tol rechtsaf de Goorsteeg op te gaan, destijds een bijkans onbegaanbaar zandpad, om met een grote boog via de Bosweg, in Lunteren te komen. Dat tolgeld werd echter zwaar verdiend; de hond kon door dat losse zand de vol geladen kar onmogelijk trekken, hij had alle krachten van zijn baas erbij nodig. Om de vijftig meter bleven beiden, hijgend even uitblazen om tenslotte vermoeid en bezweet de Dorpsstraat te bereiken. Terug, met een lege kar ging het beter. Het zware karwei op de heenweg was Blokker alweer vergeten en het idee de tolbaas een dubbeltje door de neus te hebben geboord, bracht hem in een tevreden stemming.
Geleidelijk begon Blokker zich in Ede beter thuis te voelen, hij mengde zich meer in het openbare leven
en kwam daardoor wat meer op de voorgrond. Zo was hij in 1896 medeoprichter van de oudste plaatselijke sportvereniging, de gymnastiekver. Sparta. Hij kreeg vaste voet in het dorp en mede daardoor verhuisde hij in het begin van deze eeuw meer naar het centrum, Grotestraat E.A. 68, een ruim winkelhuis met grote tuin, slachtplaats enrokerij. Dat huisnummer zegt niet veel meer, maar het pand lag aan de ingang van de Driehoek, thans na ettelijke verbouwingen, firma Haffmans .


Borrel bij de slacht
Ook Blokker slachtte natuurlijk zelf, als het nodig was, heel vroeg in de week. Op de zondag lag ook bij hem het werk stil, maar zodra dan is nachts de torenklok twaalf uur sloeg, hield hij de zondagsrust voor gezien en ging aan de slag.
Het varken werd uit zijn hok gehaald, vakkundig gekeeld en opengesneden, aan de tak van een boom gehangen om uit te lekken. Na een paar uur rust werd in de vroege morgen het dier uitgebeend, in de winkel gehangen en konden de klanten zich geen verser vlees wensen. Op een morgen dat er weer geslacht moest worden, was Blokker ziek. Te beroerd om op te staan liet hij Koops de slachter halen .
De veertienjarige zoon Marinus, die al meer met dat bijltje had gehakt zou helpen. Deze Koops was een bekend man: klein van stuk, met een warrige baard en omgord met een riem waaraan de benodigde gereedschappen bengelden. Bij vrijwel.iedere burger die een varken wilde slachten, nam hij dat baantje op zich. Het tarief was zestig cent per varken met de stilzwijgende conditie: na het steken een borrel, een tweede als het dier aan de ladder hing en een afzakkertje als de boel aan de kant was. Op die slokjes was Koops zeer gesteld, men kreeg soms de indruk dat die zestig cent maar bijzaak was. Hij was een specialist op slachtgebied; behendig werd het dier door middel van een touw, aan één der achterpoten gebonden, omvergetrokken, vervolgens de keel doorgesneden om ten slotte dood te bloeden. Het is voorgekomen dat Koops, verlangend naar zijn eerste neutje, na gestoken te hebben, wat al te vlug naar de keukendeur slofte. Nadat hij deze eerste achterover had geslagen en met een ketel kokend water voor het ontharen terugkwam, bleek tot zijn grote schrik, het dier verdwenen. Gelukkig voor hem wees een bloedspoor de weg die het varken in zijn doodsangst had afgelegd; het lag dood onder een hooimijt.
Dus nam Koops voor een keer het slachten voor Blokker waar, geholpen door Marinus, die er echter niets van begreep dat de slachter zo opgewekt begonnen, geleidelijk kortaf en op het laatst zelfs chagrijnig werd. Nadat alles klaar was, gaf Marinus hem de zestig cent waarop Koops vertrok, al mopperend op alle slagers, die hij, als de nood aan de man kwam, hielp, maar nog geen borreltje konden missen. Marinus vertelde dit eigenaardige gedrag van Koops aan zijn vader, die een licht opging en vroeg: 'Heb jij hem dan geen borrel geschonken '.
Op het ontkennende antwoord van de jongen, die van deze gewoonte niet op de hoogte was, viel Blokker uit: 'Sufferd, nou helpt hij ons nooit meer.

Met de tijd mee
Voor de slagers uit die tijd was het een terugkerend probleem hoeveel en wat zij moesten slachten; als het goed was moest alles in een paar dagen verkocht zijn. De moeilijkheid bestond er in hun waren goed te houden; koelkasten stonden nog in de kinderschoenen. Omstreeks 1910 kwam de eerste bij slager Blokker in bedrijf; een grote stevig getimmerde kast met onderin twee zinken bakken, waar een blok ijs werd ingelegd. Elke ochtend kwam vrachtrijder Lagerwey zo'n geweldig brok ijs brengen dat in een ijsfabriek te Arnhem gefabriceerd werd. Deze staaf werd door midden geslagen en in elke bak een stuk gelegd, voldoende om de kast vier en twintig uur koel te houden .


Piet Blokker was één van de eerste slagers die over telefoon beschikte, een mens moet nu eenmaal met zijn tijd meegaan. Het aantal abonnees was nog bescheiden, hij werd aangesloten onder no.21 voor de aardigheid, houthandel Tulp bezat no.1.
Dat ook aan die telefoon een keerzijde zat, kwam Blokker al gauw achter. Om het bekende telefonische grapje met de vraag of hij nog varkenspoten had, om dan na zijn opgewekte bevestiging te horen: Dan zult U wel beroerd lopen kon hij woest worden. Ook de bestelling van een mevrouw die zich wel met naam en adres bekendmaakte: 'Slager, graag een half ons zeer dun uitgesneden rookvlees, voor twaalf uur bezorgen" kon hij maar matig waarderen. Maar toch fietste even later een van de jongens met het gevraagde in de mand naar het opgegeven adres en troostte Blokker zich met de gedachte dat diezelfde mevrouw volgende week een besteling van een pond of voor rollade kon doen.


Vette weken voor de slager

Een paar gouden weken beleefden de Edese slagers na 1 augustus 1914 op die dag werd door klokgelui en aanplakbiljetten de mobilisatie van het Ned. leger afgekondigd. Het dorp stond op zijn kop, blijkbaar was het halve leger naar Ede gedirigeerd .De Grotestraat leek één militair kamp, de kazernes konden deze toevloed bij lange na niet verwerken, dus werden de mannen ondergebracht in kerken, scholen en bij particulieren. De straten wemelden van militairen die plotseling zo ver van huis, contact zochten met de burgers. In de vroege morgenuren stonden lange rijen soldaten voor de paar pompen om zich te wassen; ook in sanitair opzicht was Ede niet op een dergelijke invasie voorbereid. Om het kerkplein stonden honderden paarden, links en rechts gevorderd, want paardekracht was destijds in het leger onmisbaar . gevoed worden. De commandant van de menagedienst bestelde bij alle slagers op korte termijn enorme hoeveelheden vlees, veel meer dan zij konden leveren. Wijselijk liepen zij daar niet mee te koop,maar trokken direct de boer op .
Ditmaal was er geen tijd voor langdurig pingelen en handje klap, zij namen wat zij krijgen konden en er werd aan de lopende band geslacht.
Zelfs op zondag ging voor een groot deel het kopen, vervoeren en slachten door. Na een paar weken ging het vet er af; de organisatie van het leger kwam op dreef; de manschappen werden voor een deel in tenten ondergebracht, terwijl de rest in omliggende dorpen werd ingekwartierd. Bovendien probeerden slagers uit de omgeving vooral uit Veenendaal, met succes, een graantje mee te pikken, zodat de handel weer op een concurrentie niveau kwam te liggen .


Van vlees naar speelgoed
In 1920 deed Piet' Blokker een merkwaardige stap; hij kocht het volkskoffiehuis op de hoek van de Bergstraat en stortte zich in de glas en speelgoedhandel, de slagerij aan Marinus overlatend. Later heeft zijn zoon Nico de galanteriezaak, om een woord uit die tijd te gebruiken, overgenomen en uitgebreid. Het was geen domme zet van Piet Blokker jarenlang is het de meest bekendespeelgoedzaak van Ede geweest.
Marinus trok in 1921 naar het Maandereind waar de zaak nu nog gevestigd is, al zwaait nu een kleinzoon van Piet Blokker de scepter .
Natuurlijk waren er meer slagers in de periode van Berlijn en Blokker maar hun namen zijn het beste blijven hangen. Eén willen wij nog even noemen: D.v. Hunnik, die op 28 nov. 1895 vanuit Veenendaal in Ede kwam wonen. Zijn slagerij bevond zich op de hoek van de markt, later de zaak van G. Horst. Het
Al die militairen moesten natuurlijk pand is inmiddels gesloopt. D.v. Hunnik was niet alleen bekend als slager maar meer nog door zijn vele jaren raadslidschap. Hij had zitting in de Gemeenteraad van 1915 tot 1927 om vier jaar later opnieuw gekozen te worden tot 1939. Misschien dat we nog eens op de gemeenteraad van die tijd, met v. Hunnik die daarin een markante figuur was, terugkomen.
H. J. Nijenhuis