Een oudgediende

Afgelopen voorjaar, om precies te zijn 1 mei, was het vijf en zeventig jaar geleden dat Ede garnizoensplaats werd.
Eén van de drie voornaamste feiten, die het dorp uit haar isolement haalden. Allereerst in 1840 de aanleg van de Rhijnspoorweg, de komst van genoemd garnizoen in 1906, en in 1920 de bouw van de A.K.U. fabrieken.
Het garnizoen bracht de nodige beroepsmensen mee, die Ede als woonplaats kregen en vooral in de vooroorlogse jaren in nauw contact stonden' met de burgerij. Op het terrein van amusement, toneel en sport, zijn zij van grote betekenis geweest. Ouderen onder ons zullen zich ongetwijfeld alle bedrijvigheid herinneren, die de militairen brachten. Het muziekkorps van de veldartillerie, de "O.M.V.A. hoog te paard gezeten, hun vrolijke marsen blazen, de toneelver. "Advendo", die talloze voorstellingen gaf in "Buitenlust" en "Reehorst", ruiterdemonstraties van de E.O.O.J. V. allemaal activiteiten waar ook de burgerij van genoot.


Reden om eens met één van die voortreffelijke beroepsmilitairen uit die tijd te praten. Kapitein Jan Klok is al jaren gepensioneerd maar nog zeer vitaal. We maakten. zo een babbeltje over zijn carrière.
In 1916, zestien jaar oud, nam hij als vrijwilliger dienst bij een in instructiebatterij van het corps "Gele Rijders" te Arnhem. Hij tekende voor een periode van acht jaar. Het was mobilisatietijd, dus geen vetpot, zodat jaloerse kameraden meenden. Jij hebt in ieder geval acht jaar brood op de plank.


Reeds in 1917 werd de jeugdige Klok bevorderd tot korporaal en overgeplaatst naar het vierde reg. veldartillerie te Ede. Er zat schot in zijn loopbaan; nog een jaar later kreeg hij de rang van wachtmeester en het bevel over een klas van twintig recruten.
Als achttienjarige knaap moest wachtmeester Klok jongens commanderen, die heel wat ouder waren, maar moeilijkheden deden zich nooit voor. Integendeel: veertig jaar later, in 1958, besloten een aantal van zijn eerste recruten, inmiddels mannen op leeftijd voor zover bereikbaar en nog in leven, hun vroegere wachtmeester eens op te zoeken .
In de v. Essenkazerne werd een reünie gehouden waar heel wat herinneringen werden opgehaald
Het is wel aardig te vertellen hoe een gemiddelde dag van het veldkazerneleven destijds was ingedeeld. Bij zomerdag werd 's ochtends om half zes reveille geblazen door de trompetter van de wacht; wat betekende opstaan wassen en buiten verzamelen voor appel.

Hier was tevens de gelegenheid voor de recruten eventuele verzoeken omtrent avondpermissie, doktersbezoek en dergelijke in tedienen. Daarna tot zeven uur in de stallen: paarden voeren, drenken en roskammen. Pas dan kwam de soldaat zelf aan de beurt.
De kamerwacht, vrij van staldienst, had inmiddels op elke krib een kuch gelegd, het dagelijks broodrantsoen met als belegging een stukje kaas of koek. In de keuken werd koffie gehaald in een soort melkbus met kraantje, waaruit ieder zijn mok kon vullen. Aan een lange tafel werd op de kamer ontbeten, maar niet te uitvoerig want kwart voor acht waren de manschappen opnieuw in de stallen, nu om de paarden op te tuigen.


De stukken met toebehoren stonden in het wagenpark opgesteld, de paarden werden ingespannen, waarna de commandant het bevel tot uitrukken gaf. AI naar gelang het dienstrooster werd tot de middag op de hei geoefend; bij terugkomst paarden aftuigen, naar de stallen brengen en verzorgen.
Na een uur rust, werd de middag ,doorgebracht met theorie, exerceren of oefenen in de manege.Tegen vijf uur kwam de warme pot, aangevoerd in gamellen, op de kamer na het eten was de soldaat, uitgezonderd zij die extra dienst of kamerarrest hadden, vrij. Om tien uur werd de taptoe geblazen, op In de verre omtrek hoorbaar,het sein voor bedtijd.


Zo verliep in grote trekken,het leven van een veldsoldaat; vooral de verzorging van de paarden, nameen belangrijke plaats in. De stallen van beide veldkazernes herbergden honderden viervoelers,destijds onmisbare trekkracht. De meeste recruten kwamen van het platteland, dus veelal jongens, die met paarden konden omgaan.
Toch bevonden zich onder hen ook wel kantoorbedienden en onderwijzers, die even zo vrolijk de rijlessen moesten volgen. Zij die echter de rijkunst niet onder de knie kregen of weinig interesse toonden werden ingedeeld bij de onbereden kannoniers, soldaten die de stukken bedienden.
Maar het merendeel vond paardrijden geweldig, ook op dit terrein werd prestaties geleverd. In september 1933 organiseerde de A.N. W .B. een vierdaagse rondrit,elke dag zestig km rijden waaraaneen Edese groep recruten onder leiding van adjudant Welbedacht en wachtmeester Klok met goed gevolg deelnam. .Een stuk romantiek is met de bereden veldartillerie verdwenen; het was een boeiend gezicht de aangespannen vuurmonden met bijbehorende caissons, in draf of galop, op de heide te zien. Over heuvels of door los zand, de paarden tot het uiterste aangevuurd, waarbij de kannoniers moeite hadden hun evenwicht te bewaren, het is allangverleden tijd.


Kwamen de bevorderingen voor de heer Klok in het begin van zijn loopbaan zeer vlot,de latere jaren, toonden een ander beeld; Wel volgde hij een cursus voor opperwachtmeester,maar dat leverde niet meer op dan de rang van wachtmeester eerste klas. In de beruchte crisisjaren behoefden de beroepsmilitairen, uit zuinigheidsoverwegingen, nergens op te rekenen. Toch werden in 1939 enkele oudere wachtmeester bevorderd tot "opper", zij het met de toevoeging b.z.j. hetgeen betekende: "bevorderd zonder jaarwedde", je moet er maar opkomen.

Eind augustus 1939 brak de mobilisatie uit; .wachtmeester Klok werd naar Voorschoten gedirigeerd, waar hij dienst deed tot na de paar dagen ongelijke strijd in mei 1940, het einde van het Nederlandse leger, althans in Holland.
Tot 1943 bleef het voor onze beroepsmilitairen vrij rustig. In het vooraar van genoemd jaar, moesten zij zich echter allen melden om als krijgsgevangenen naar Duitsland te worden afgevoerd.
Evenals zoveel: anderen, bedankte wachtmeester Klok voor de eer; hij dook onder o.a. in Raalte,Wapenveld. Speulde, Lunteren en de laatste anderhalf jaar bij de fam. Zandschulp in de Maanderbuurt.
Tevens trad hij toe tot het actieve verzet en behoorde daardoor tot de Binnenlandse Strijdkrachten, die na de bevrijding, voor een deel althans, werden geconcentreerd in de Jan v. Schaffelaarkazerne te Ermelo. Daar vond een algehele reorganisatie plaats; de man die altijd een paard had bereden zag zich plotseling ingelijfd bij de infanterie; voor paarden was geen plaats meer in het leger. Wel bracht deze overgang de lang uitgebleven bevordering wachtmeester 1ste klas.
J. Klok werd aangeteld tot compagniescommandant in de rang van luitenant.


Dan begint het avontuurlijkste deel van zijn loophaan. Na de capitulatie van Japan, bezocht Prins Bernhard Ermelo teneinde een vrijwilligersbataljon te formeren dat bereid zou zijn in Ned. O.lndië voor orde en rust te zorgen .Met vele anderen meldde Lt. Klok zich en 15 oktober 1945 vertrok het " Veluwe bataljon", bijgenaamd "De Haantjes", per trein van Utrecht naar de Franse havenplaats Calais, om vandaar over te varen naar Engeland, Zij vond en de eerste groep vrijwilligers van boven de rivieren die naar de Oost vertrokken, later gevolgd door de bekende 7 december divisie.
In Engeland, te Aldershot volgde nog een korte intense tropenopleiding, waarbij luitenant Klok tot kapitein werd bevorderd. Enige weken later vertrokken de mannen met de "Nieuw-Amsterdam ,maar de Engelsen zorgden voor ruim drie maanden oponthoud op Malakka. Eindelijk waren de moeilijkheden opgelost en bereikte kapt. Klok met zijn mannen via Padang toch Batavia. Na de stichting van Indonesie hadden Nederlandse militairen in de voormalige koloniën niets meer te zoeken. Mei 1948 arriveerde kapitein Klok met vele anderen met de "Johan v. Odenbarneveld" in Holland.
Bijna drie jaar tropendienst,waarin kapt. Klok geheel nieuwe ervaringen op deed, maar die voor zijn vrouwen gezin een eenzaamheid en spanning betekenden. Van. af 1943 ondergedoken, daarna Ned, O.lndië, geen wonder dat me vr. Klok, overigens was zij lang niet de enige, met blijdschap de gezonde terugkeer van haar man begroette en er weer van een geregeld leven sprake kon zijn. Tot aan zijn pensionering, 1 januari 1959, was kapitein Klok aan de L. V .A. school verbonden.
Dit was, zij het beknopt, de levensloop van één der vele beroepsmilitairen, die vroeger in onze samenleving een grote rol speelden.

Oudere sportmensen weten ongetwijfeld nog wat kapt. Klok ook in het burgerleven heeft betekend.
Jarenlang is hij, als bestuurslid van de v.v. "Ede" van onschatbare waarde voor deze vereniging geweest. Samen met wijlen politieman v. d, Brink heeft hij, na heel wat moeilijkheden, er voor gezorgd dat Ede over een eigen terrein en opstallen kon beschikken, een unicum in de vooroorlogse jaren. Wij hopen dat de band die kapt. Klok, en zoveel anderen, tussen militairen en burgers legde,ook nu bij het vijfenzeventig jarig bestaan van het Edese garnizoen, ondanks de sterk gewijzigde omstandigheden, mogelijk blijft bestaan.


H. J. Nijenhuis