Ede is een garnizoensplaats en dat had in de vooroorlogse jaren een belangrijke invloed op het dorpsleven. Zeker, ook heden ten dage staan de kazernes er nog, zelfs groter in aantal maar het contact tussen burger en militair is grotendeels verdwenen. Nu is alles gemotoriseerd, zelden ziet men hen nog in de dorpsstraten, zoals vroeger. In die dagen trok de infanterie verschillende malen per week door het dorp, met aan het hoofd twee of meer trommelslagers, al naar gelang de sterkte van de troep, op weg naar de oefenterreinen. De jeugd liep een eindweegs mee, de dienstmeisjes staakten het ramen lappen om de stoere soldaten te bekijken, van wie het merendeel heimelijk teruglonkte. En als er soms een muziekkorps voorop liep, meestal alleen tijdens herhalingsoefeningen het garnizoen Ede bezat nu eenmaal geen stafmuziek dan was het helemaal feest.

Toch was het in het begin van deze eeuw heus niet zo dat alle Edenaren stonden te trappelen om de militairen binnen te halen. Bij Koninklijk Besluit van maart 1905 werden troepenverplaatsingen vastgesteld en deze zouden onder andere ook in Ede gelegerd worden. Dit bericht werd met gemengde gevoelens ontvangen, soldaten stonden niet al te best bekend. Waarschijnlijk nog een overblijfsel uit het verre verleden toen het leger uit louter
vrijwilligers bestond, beter gezegd huurlingen. Bezorgde huisvaders zagen de onschuld van hun dochters belaagd of opgeschoten jongens botsen met militairen. Andere mensen zagen de landelijke rust van ons dorp verdwijnen om plaats te maken voor moderne opvattingen. Maar er waren er ook met vooruitziende blik, die meenden dat de vestiging van een garnizoen Ede uit haar isolement zou halen.
Uit het verleden blijkt dat Ede door de jaren heen al met militairen te maken had, al waren de jonge mannen er nu niet direct erg op gesteld om een uniform te dragen, hetgeen uit het volgende blijkt. In het gemeentelijke
archief bevindt zich nog een proces-verbaal, gedateerd 30 augustus 1809 over de vaststelling van de te betalen bedragen, wegens het leveren van te weinig recruten door de ambten Ede, Barneveld: Nijkerk, Putten en Ermelo.
Genoemde plaatsen moesten dat Jaar gezamenlijk 113 recruten leveren. Uit Ede kwamen er slechts drie opdagen: het totaal uit de vijf ambten bedroeg achttien man. Nu was deze geringe animo begrijpelijk: De recruten waren bestemd voor het Franse leger en de tocht naar Rusland stond op het programma. De autoriteiten waren echter ook niet achterlijk; geen mannen, dan maar geld. Voor elke niet geleverde recruut werd een behoorlijke boete opgelegd. Voor de 95 te weinig verschenen mannen moest een gezamenlijke
boete van f7125, 5 st. en 28 p. worden betaald. Het aandeel van Ede bedroeg f 1668, 19 st., 10 p. Hele bedragen voor die tijd, hoewel later, bij de officiële sluiting op 30 augustus 1809, toch nog drie Edenaren van gedachten veranderd waren, evenals dertien mannen uit de andere ambten, zodat het tekort nu 79 recruten bedroeg en de boete voor Ede werd teruggebracht tot f 1387, 17st en 2p.
Heel wat beter verliepen de zaken in 1830, toen de zuidelijke provincies in opstand kwamen, hetgeen uiteindelijk leidde tot de zelfstandigheid van België. Het leger, destijds Nationale Militie, kon het niet bolwerken, dus werden
de plaatselijke schutterijen opgeroepen. Ook de Edese schutterij werd in allerijl voorbereid, hetgeen nodig bleek want aan geoefendheid ontbrak nog wel het een en ander, terwijl men evenmin over uniformen beschikte. Dat
laatste was gauw verholpen: de gemeenteraad besloot op 4 november 1830 de kleermaker Pauw te Amsterdam opdracht te geven voor het leveren van 150 complete uniformen, nog naar Frans model, af 22,50 per stuk. De
Amsterdammer, blij een hoop van die oude rommel uit de tijd van Napoleon kwijt te raken, stuurde de vracht per omgaande. Over passen werd niet gesproken. Er was inderdaad haast bij, want reeds op maandagmorgen 15
november moesten de schutters zich bij het posthuis "De Klomp" melden.
Burgemeester Prins hield daar een kernachtige toespraak, die door de mannen met een daverend "hoezee" werd beantwoord. Dertig boerenwagens brachten de 152 schutters uit de gehele gemeente, luid toegejuicht door hun familie en kennissen naar het Amerongse veer. Vandaar werd gemarcheerd naar Tiel, het grote verzamelcentrum.

Bij het appel was echter gebleken dat ook nu niet alle schutters present waren, enkelen hadden zich ziek gemeld, anderen waren ondergedoken en zelfs waren er, in alle stilte, schutters naar een andere gemeente verhuisd. De burgemeester liet het er niet bij zitten, hij ging op zoek naar de dienstweigeraars en slaagde erin nog drie man op te duikelen en alsnog naar Tiel over te brengen. De schutters waren nog niet direct weer thuis. Nadat in 1831 gevochten werd bij Leuven en Hasselt, kwamen de mannen pas in 1834 in Ede terug. Zij werden vorstelijk ontvangen door een feestcomité onder leiding van de burgemeester en notaris Fischer, waarbij niet op een vaatje bier gekeken werd. Geen mens echter die nog aan deze gebeurtenissen dacht, toen Ede met een
permanent garnizoen te maken kreeg. De plannen kwamen niet geheel onverwachts. Reeds in 1904 vond de aanbesteding plaats van twee kazernes, bekend onder de namen Johan-Willem-Friso- en Mauritskazerne. Nog eerder waren vertegenwoordigers van het rijk in actie gekomen om de benodigde gronden aan te kopen. De heide ten westen van de Sysselt en ten noorden van de spoorlijn Ede-Arnhem werd van de buurt Manen gekocht voor de bouw van kazernes.
De buurt Ede-Veldhuizen handelde slimmer. Zij gaf de heide ten noorden van de straatweg Ede-Arnhem, door het rijk gewenst als oefenterrein, in erfpacht. Hierbij werden belangrijke rechten voor de geërfden bedongen, zoals schapen weiden, plaggen steken, grind graven en vrije wandeling. In 1920 kocht het rijk deze erfpacht af, waarbij enkele rechten vervielen, onder andere grind halen, maar het belangrijkste, de vrije wandeling, is tot de dag van vandaag gehandhaafd. Op 1 mei 1906 was het zover. De eerste troepen, bestaande uit militairen van het 11e Regiment infanterie uit Bergen op Zoom, Utrecht en Arnhem, maakten, met aan het hoofd te paard de regimentscommandant kolonel Hooghamer hun intocht in ons dorp. Over het algemeen werden militairen hartelijk ontvangen, al waren er ook inwoners die deze eerste mei als een rouwdag beschouwden en de luiken gesloten hielden toen de troepen voorbij marcheerden. 's Middags was het feest. Een stafmuziekkorps gaf bij "De Posthoorn" een concert voor de bevolking. In het gemeentehuis daartegenover werden de officieren door
het gemeentebestuur ontvangen, terwijl onderofficieren, korporaals en manschappen getrakteerd werden op drie sigaren de man.


In 1908-1909 werd het garnizoen uitgebreid met het bouwen van de veldkazernes, de Van-Essen- en
Arthur-Kool-kazerne, die bezet werden door het 4e Reg. veldartillerie en een afdeling cavallerie onder commando van majoor baron Van Boeicop. De cavallerie vertrok in 1914 naar de grensverdediging en keerde niet meer in Ede terug; Daarvoor in de plaats kwam het 8e Reg. Veldartillerie. Reeds eerder, in 1913, was een 22e Regiment Infanterie geformeerd dat eveneens in Ede werd gelegerd. In 1910 werd de school voor reserveofficieren opgericht, maar in 1914 opgeheven. In 1916 opnieuw geformeerd en ondergebracht in het Parkhotel. In 1936 werd deze S.R.O.B.A. gelegerd in de nieuw gebouwde Bergansiuskazerne. Dit was zo ongeveer het garnizoen in Ede tot aan de Tweede Wereldoorlog. Gedurende de mobilisatiejaren
1914-1918 lagen zoveel militairen in Ede gelegerd, dat voor het onder dak brengen van de mannen, achter de infanteriekazernes, een aantal barakken werd gebouwd. In later jaren kwamen deze goed van pas als in september de jaarlijkse herhalingsoefeningen werden gehouden. De mensen met vooruitziende blik kregen gelijk. Ede veranderde: de bevolking breidde zich uit, waardoor de winkeliers hun omzet zagen stijgen. Een ieder kon profitere van de gasfabriek die door de gemeente met het oog op de toekomst was gebouwd en die op 28 januari 1905 het eerste gas afleverde, waardoor de petroleumlampen konden verdwijnen. Aan de firma R. Cruiff en Co. uit Amsterdam werd concessie verleend voor het instaneren van een waterleidingbedrijf. Het aantal aansluitingen bij de gewone burger was echter de eerste jaren gering: de eigen Nortonpomp deed het ook goed en was voordeliger. Voor dit bedrijf werd een veertig meter hoge watertoren gebouwd; door de jaren heen van grote afstand een herkenningspunt voor Ede. Daar de toren de laatste jaren niet meer in gebruik was werd hij in 1978 onder grote belangstelling opgeblazen.
De burgers van Ede wenden aan de dienstplichtigen, die op hun vrije avonden door het dorp slenterden en hun biertje dronken. Eigenaardig dat de mannen van de artillerie en infanterie hun eigen stamcafé hadden. De
eersten kon men regelmatig vinden in café "Centraal" aan het Maandereind, eigenaar J. Gaasbeek. De anderen zochten het verderop in "De Roskam " , na sluitingstijd ontstonden nog wel eens botsingen daar de paardenman en de zandhaas elkaar niet zo lagen. Men tilde daar niet zo zwaar aan: burgers werden nooit lastig gevallen, ten slotte waren de jongens niet voor hun plezier naar Ede gekomen. In die jaren waren veel van deze jongelui nog
nooit buiten hun geboorteplaats geweest, bezorgde ouders zagen hen met angst in het hart vertrekken. Meestal was het een ontroerend afscheid met talrijke vermaningen, al waren niet allen onder de indruk, zoals de onbekende dichter die bij zijn vertrek naaf de veldkazerne in Ede, het volgende schreef:
Voor ik vertrok van huis en hof, gaf ik eerst wat afscheidsfeesten
‘k Zei mijn lieve Nel gedag, en al de andere beesten.
Eenmaal in Ede aangekomen begon het militaire leven; eindeloos exerceren om behoorlijk in de pas te kunnen lopen, groeten en rangen leren, terwijl de tucht erin gehamerd werd, alles begeleid met de nodige krachttermen van de instructeurs. Zat de eerste opleiding er eenmaal op, dan werd alles rustiger.
De soldaat begon aan zijn diensttijd te wennen al bleef zijn oog op de afzwaaidag gericht. De leiding wist wat zij aan de jongens had en gewoonlijk verliep het leven in de kazernes volgens het vaste patroon. Echter niet
altijd. Enkele malen hebben zich in onze gemeente ernstige ongeregeldheden voorgedaan. De eerste vonden plaats tegen het einde van de mobilisatiejaren in Harskamp. Daar had men al veel eerder met militairen kennisgemaakt dan in Ede. Reeds in 1899 werden de schietterreinen van Harskamp in gebruik
genomen. De troepen werden aanvankelijk ondergebracht in grote tenten, zodat alleen de zomermaanden voor legering in aanmerking kwamen.
Later werd een aantal barakken gebouwd, die in deze jaren heel wat militairen onderdak verschaften. De onrust in Harskamp begon op vrijdag 25 oktober 1918. De ochtend was al rumoerig, er werd gemopperd over inkrimping van de rantsoenen, het geen er niet beter op werd nadat bekendgemaakt was dat de verloven voor het weekend waren ingetrokken. Het gekanker steeg. Ook de kantinehouder werd erbij betrokken. Hij rekende volgens de militairen veel te hoge prijzen voor verschillende artikelen en werd uitgemaakt voor een 0. W .-er. De geprikkelde stemming nam toe, reeds werden enkele ruiten ingegooid. De dienstdoende officieren maanden hun manschappen tot kalmte aan, maar strenger optreden bleef achterwege. Na het eten van één
uur kwam het tot openlijk verzet. Bevelen werden niet meer opgevolgd, de corveedienst weigerde de etensresten op te ruimen. Dat werkte zo aanstekelijk dat vele, tot nu toe goedwillende soldaten zich bij de weerspannigen
aansloten. De raddraaiers kwamen voor het grootste deel uit het tweede en derde bataljon, allen Groningers, die hulp kregen van de ongetwijfeld streekbewuste Drentenaren. Tegen drie uur in de middag was de chaos compleet.
Honderden soldaten trokken naar de kantine, waar de baas veiligheidshalve gevlogen was. Zij sloegen aan het plunderen. Alles wat eetbaar was, chocolade, koeken en natuurlijk sigaretten, verdween in de ruime uniformzakken.
Ook de voorraad sterke drank werd stevig aangebroken hetgeen de doortastendheid van de opstandelingen sterk verhoogde. Tegen schemer brak in vier barakken en de kantine brand uit, duidelijk afgesproken werk. Nu was het hoogtepunt bereikt. Tierende en stelende soldaten in de brandende barakken terwijl juist anderen daar hun persoonlijke bezittingen probeerden te redden.
De dorpelingen van Harskamp, aanvankelijk nieuwsgierig uitgelopen door de grote branden, gingen dit geweld al gauw uit de weg en verscholen zich in hun huizen. De rebellen hadden zich gewapend met knuppels en geweren.
Zij schoten in het wilde weg zodat slechts een enkele inwoner dicht bij het kamp dorst te komen. In allerijl werd de ziekenzaal ontruimd. De patiënten werden naar de school in Otterlo gebracht waar ook hun verplegers een
veilig onderkomen vonden. Van een krachtig optreden tegen de muiters was weinig te bespeuren, slechts een kleine groep getrouwen, onder leiding van eerste luitenant Vonk, trachtte zo goed mogelijk de orde te herstellen. Het gelukte hen het kamp schoon te vegen en de oproerkraaiers buiten de poort te krijgen. Inmiddels waren versterkingen voor de luitenant uit de garnizoenen Ede en Amersfoort onderweg. Dat kostte toen wel de nodige tijd, terwijl de animo om tegen eigen jongens te moeten optreden evenmin bijster groot bleek. Toen deze hulp dan ook omstreeks middernacht het kamp bereikte, waren de oproerkraaiers verdwenen en konden zij zich beperken tot nablussen en de rust herstellen. Ruim vierhonderd militairen waren er andoor. Zij marcheerden richting Amersfoort om daar de trein naar Groningen te nemen. Na een afmattende mars bereikten zij inderdaad het station, maar werden opgewacht door een afdeling militaire politie. De nachtelijke tocht had hun woede behoorlijk afgekoeld. Zonder tegenstribbelen lieten zij zich naar het kamp de "Vlasakkers" brengen. Van daaruit werden zij in kleine groepen over de garnizoenen van het gehele land verspreid. In Harskamp was de rust teruggekeerd, maar oudere inwoners kunnen nog een boom opzetten over deze oktobernacht.
Ook in Ede deden zich eens ongeregeldheden voor, al lag de oorzaak op een ander terrein. Tijdens de herhalingsoefeningen in september 1923 waren meer dan drieduizend militairen in de barakken ondergebracht. Daarbij bevond zich een groot aantal arbeiders uit de Twentse textielfabrieken die even tevoren bij een staking waren betrokken. Deze staking was hardhandig onderdrukt door een detachement militaire politie en laat nu diezelfde groep gezagsdragers ook in een barak, te midden van hen, zijn gelegerd. Hier was de kans revanche te nemen. Allereerst werd moed ingedronken, waarna een groot aantal Twentenaren de barak omsingelde. Bij de uitgangen werden soldaten, compleet met geweer en bajonet, geplaatst, ten einde ontsnapping
te voorkomen. Daarna begon men strozakken aan te slepen om daarmede de barak in brand te steken; geen halve maatregelen. Op dat moment verscheen de gewaarschuwde brigadecommandant. Hij begreep dat onderhandelen met een dergelijke troep soldaten, die door het dolle heen was, onmogelijk was.
Dus, of hard ingrijpen, zo nodig erop los laten schieten, of de militaire politie weg zenden. Hij koos voor het laatste, beval de M.P. hun spullen te pakken en naar buiten te komen. Vervolgens zond hij hen voor onderdak
naar de Veldkazernes waarop het stel, onder hoongelach van de talrijke soldaten, afmarcheerde. Dankzij het verstandige optreden van de commandant, was de orde spoedig weer hersteld.
Wij hebben tot nu toe vrijwel steeds over dienstplichtigen gesproken, die elkaar steeds afwisselden, maar het zijn de beroepsmensen geweest die voor een werkelijk contact met de burgerij zorgden. De vestiging van het garnizoen bracht niet alleen zakelijk voordeel, maar deze mensen zijn voor sport en cultuur in ons heidedorp een geweldige stimulans geweest. Ongetwijfeld nam hier "Advendo", de onderofficierentoneelvereniging, een belangrijke plaats in. "Advendo" was al in 1896 door enkele onderofficieren te Utrecht opgericht. Daar een groot gedeelte van dit kader in 1906 naar Ede werd overgeplaatst, verhuisde de vereniging mee. De eerste voorstellingen werden gegeven in de kantine van de infanteriekazerne, waar met behulp van lege
biervaatjes en planken een toneel werd gemaakt. Wat later trok men naar "Buitenlust", waar gemiddeld viermaal per jaar een uitvoering werd gegeven.
Het programma bestond veelal uit blijspelen; vooral "de suikerfreule" en "de tante uit Indië" waren succesnummers. De generale repetitie werd gehouden in de bioscoopzaal van de Arthur-Koolkazerne, vrij toegankelijk voor alle korporaals en manschappen, hetgeen een uitverkocht huis betekende. Hetzelfde gold voor "Buitenlust"; altijd een volle zaal met uitsluitend donateurs en dat waren niet alleen onderofficieren, maar ook heel wat burgers. Geen wonder dat dan ook een of twee extra voorstellingen werden gegeven voor betalende bezoekers. Wat hebben een massa Edenaren, weinig verwend op dit gebied, van deze uitvoeringen, besloten met een gezellig dansje, genoten.
Regisseur, tevens bekend komiek, was de heer J. Koch. Nog wat ander namen: het echtpaar Hogervorst, echtpaar Vermaat, echtpaar Van de Kolk, echtpaar Kupkes, echtpaar Burgers en vele anderen. Geen wonder dat men bij het organiseren van de eerste Heideweek in 1935 een beroep deed op de vereniging, waardoor mevrouw Hogervorst als eerste heidekoningin door de straten van Ede reed, met onder anderen mevrouw Vennaat als hofdame.
Ook de officieren hadden hun toneelvereniging: "Het Heidebloempje", met onder anderen de heer en mevrouw Kok. Hun voorstellingen trokken, begrijpelijkerwijs, een ander publiek. Zowel "Advendo" als "Het Heidebloempje"
zijn na de oorlog niet meer tot leven gekomen.
Een andere vereniging waarvan de burgerij het nodige heeft gezien, was de "E.O.O.J.V.", waarmede de "Edese onderofficieren jachtvereniging" werd aangeduid. Zij bestond uit beroeps-onderofficieren van de Veld en organiseerde jachtritten, springconcoursen en demonstraties. Geen koninginnedag of ander feest was compleet zonder hun optreden, terwijl een plaatselijke vereniging die wat wilde organiseren, nooit tevergeefs een beroep op hen deed. Een bekend nummer was "Hongaarse post", vier paarden door één man gereden, dat altijd grote bewondering oogstte. Wat vooraanstaande ruiters van die tijd: Lokhorst, Beekman, Jansen van Galen, Van Staveren, Van de Kolk, Besseling, om het daar bij te laten. Dan was er nog de "O.M.V.A.", "Onderofficieren Muziekverening Veldartillerie", een muziekkorps te paard, dat altijd veel bekijks trok. Nog zie ik hen door het dorp rijden, vrolijke marsen blazend vanaf hun hoge zitplaats, waarbij vooral de man die de grote
trom bediende indruk op mij maakte. De vereniging was opgericht door de chef-trompetter P. Tabois, die tevens als dirigent optrad. Voor het merendeel waren de leden beroepsmensen, maar ook dienstplichtigen die de blaaskunst machtig waren en het aandurfden deze, op een paard gezeten, te beoefenen, waren welkom. Talrijk was het optreden van de "O.M.V.A." Bij parades, jubilea, concerten op de markt, bij burgelijke feesten, zij waren
present. Ook de infanterie heeft een tijd lang over een vrijwilligers-muziekkorps beschikt, onder leiding van de heer J. Beek. Jammer dat al dat militaire verenigingsleven, waarbij ook de burgerij zo betrokken werd, vrijwel verdwenen is. En tevens zoveel bekende namen, zoals bijvoorbeeld de koks Heuning en Dudink. Zij zwaaiden de scepter over de keuken van de veldkazernes en verstonden hun vak. Klachten over het eten waren zeldzaam.
Ondanks uiterlijke verschillen, Heuning lang en mager, Dudink kort en gezet, konden de twee uitstekend met elkaar overweg. Geen wonder dat toen Heuning, eens bericht ontving van de notaris uit Barneveld om daar een
erfenis in ontvangst te nemen van een overleden tante, die voor rijk had gegolden, Dudink mee moest. Het tweetal deed duur, huurde bij Schimmel een vigilante met koetsier en liet zich vorstelijk naar Barneveld rijden-
Onderweg werd er vast eentje op genomen, uiteindelijk neem je niet elke dag een erfenis in ontvangst. Op zijn kantoor las de notaris het testament voor.
Hun hooggestemde verwachtingen zakten tot het nulpunt toen de man de passage bereikte waarin tante, ten einde haar neef voor buitensporigheden te behoeden, hem een symbolisch bedrag van vijftien gulden naliet. Om deze tegenslag te verwerken, werd op de terugweg bij Floor, in Lunteren, gepauzeerd en wel zodanig dat bij thuiskomst, na afrekening bij Schimmel, er een tekort bleek te zijn van vijf gulden, zodat zij ieder nog een rijksdaalder op de erfenis inschoten.
Nog een in het hele dorp bekende militair: adjudant J .H. Teunissen van Manen. Hij was de grote stimulator van de wandelsport. Hij heeft vele vierdaagsen gelopen. Elk jaar opnieuw bracht hij in Nijmegen een groep militairen over de eindstreep. Ook in Ede toonde hij zich voor burgerverenigingen zeer actief en organiseerde met succes wandelmarsen. Tevens was hij de aangewezen man om in de eerste week van december de rol van Sint Nicolaas te vervullen. Niet alleen bij dergelijke feesten in de kazernes, maar ook heeft hij als goedheiligman, gezeten op zijn schimmel en omgeven door zwarte Pieten, vele malen zijn glorieuze intocht in de straten van Ede gehouden, toegejuicht door duizenden belangstellenden. Als dank voor al zijn werk op verschillend gebied heeft de gemeente een bank naar hem genoemd die werd geplaatst voor het VVV kantoor aan de Bennekomseweg. Later is dit kantoor naar het centrum verplaatst, maar de bank is door onverklaarbare redenen verdwenen.
In mei 1931 werd op feestelijke wijze het vijfentwintigjarig bestaan van het garnizoen Ede gevierd: Er was een uitgebreid comité van vooraanstaande burgers en militairen gevormd, met aan het hoofd de burgemeester, om de feestelijkheden te organiseren. Tevens werd een inzameling onder de bevolking gehouden ten einde de militairen een passend cadeau te kunnen aanbieden. De keus viel op een monumentale jubileumlantaren, die voor de infanteriekazernes werd geplaatst. Inderdaad was het een prachtige gaslantaren, geplaatst op een voetstuk van siermetselwerk, maar toen hij de avond na de aanbieding in volle glans zou branden, klopte er iets niets. Men had helaas vergeten het geval op de gasleiding aan te sluiten; misschien waren ook de centen wel op. In ieder geval hebben later mensen van de genie dit onderdeel voor hun rekening genomen. In de oorlogsjaren hebben de Duitsers dit jubileumgeschenk afgebroken.
Wij noemden wat namen van verenigingen en personen die voor een goed contact tussen burger en militair zorgden. Vanzelfsprekend waren er nog veel militairen die dit loffelijk doel nastreefden; Niet onvermeld mag ten
slot te blijven dat bij het optreden van "Advendo", "O.M.V .A." en "E.O.O.J.V." voor de burgerij altijd gerekend kon worden op de steun van de brigadecommandant en de regimentscommandanten. Wij hopen dat
zulks, ondanks de veranderde omstandigheden, ook in de toekomst mogelijk zal blijken.
