In
kleine dorpen was in vroeger jaren de veldwachter, zoal niet letterlijk maar zeker
figuurlijk een man van gewicht. Hij vertegenwoordigde het gezag en bezat daarbij
een zekere mate van zelfstandigheid. Een goed contact tussen de man der wet en
burgerij was voor beide partijen van groot belang. Dan werd de veldwachter geen
boeman met een bonboekje in de hand, maar de vraagbaak voor velen en was de rust
in het dorp verzekerd. Ook Wekerom heeft een dergelijk man gekend in de persoon
van G. J. Wassink.

Deze
functionaris heeft, na zijn pensionering een aantal van zijn belevenissen gepubliceerd,
waarvan we, met
goedvinden van nabestaanden en in eigen woorden, in dit verhaal
gaarne gebruik maken. Zij geven een aardig beeld van het werk van de vroegere
politieman op het platteland.
Gerrit Jan Wassink werd 3 maart 1891 te Enschede
geboren. Na zijn diensttijd bij de bekende "Gele Rijders" te Arnhem
werd hij 7 november 1914 bij de politie te Ede benoemd. Drie jaar later volgde
zijn aanstelling tot veldwachter in Wekerom, waar hij tot 1929 zou blijven. Wekerom
was destijds nog een hechte buurtgemeenschap waar men elkaar van haver tot gort
kende en zich door sterke onderlinge banden wist gebonden. Burenhulp stond
hoog in het vaandel geschreven, zowel tijdens droevige maar ook in blijde dagen.
Bij ziekte van de huisvrouw, zorgden buren dat het huishouden zo goed mogelijk
door bleef draaien.Na een sterfgeval regelde de buurt de begrafenis en wat daar
bij kwam kijken, maar omgekeerd een bruiloft was voor diezelfde mensen een reden
om uitbundig feest te vieren.

Buurtavonden
Tijdens
de wintermaanden werden de bekende buurtavonden gehouden,waar onder het genot
van koffie met koek,diverse zaken en voral dorpsnieuwtjes werden uitgeplozen.
Wassink maakt ook nog melding van een andere gewoonte uit die jaren, n.l. kerkdiensten
die aan huis werden gehouden. In Wekerom was nog geen kerkgebouw, de mensen gingen
veelal op zondag naar Ede, een enkeling die de kerk in Otterlo bezocht. Bij
zomerdag, als het vee in de wei liep, werden door de week vaak bijeenkomsten
gehouden op de deel van de landbouwer Kampen, waar o.a. de bekende ds: v. Boven
uit Ede kwam preken.
Ook op "de Ganzenkamp" onder de Valk hield
men dergelijke diensten waar ds. Fraanje uit Barneveld veelal voorging. Daar werd
een samenkomst eens bijna verstoord door toedoen van een hond en zij het in tweede
instantie, van Wassink. In de nabijheid woonde de familie H.; een dochter des
huizes had Wassink verzocht om, als haar ouders naar de dienst waren, hun hond
te komen afmaken. Het dier was oud en ziekelijk en kon dus beter uit zijn lijden
worden verlost maar het liefst niet in aanwezigheid van vader en moeder, want
zij waren nogal aan de hond gehecht. Geweer en kogels waren aanwezig, had zij
er aan toegevoegd.
Wassink stemde toe en fietste op de bewuste avond naar de
boerderij; nam het oude enkelloops jachtgeweer en schoot van korte afstand op
de rustig staande hond. Tot zijn verbazing schrok het dier slechts, rende, achtervolgd
door Wassink, jankend weg om een schuilplaats te vinden op de deel van "de
Ganzenkamp", waar hij rustig tussen de aanwezigen ging liggen. Wassink was
bevreesd dat zijn reputatie als schutter naar de maan zou zijn ,echter ten onrechte.
Bij
nader onderzoek bleek de kogel van een dermate slechte kwaliteit te zijn,dat amper
de halsband had doorboord. Het schot was wel degelijk goed gericht geweest ,maar
het taaie leer had de hond gered.
Dergelijke huisdiensten
zijn blijkbaar al eeuwen in zwang geweest ,bij vernieuwing van het strooien dak
op de boerderij "Willikhuizen", omstreeks 1916, werd, verstopt onder
de hanenbalken, nog een zeer oude Bijbel gevonden, vermoedelijk uit de tijd dat
deze samenkomsten waren verboden.
De bewoners uit deze streek bezaten over
het algemeen Christelijke levensopvattingen maar op het platteland gaan geloof
en bijgeloof soms hand in hand. Eens kwam Wassink bij een boerderij waar de gehele
familie in het weiland rond een paard stond geschaard. Een zoon, gewapend met
een schop, gaf op zijn vraag wat er aan de hand was, de volgende uitleg. Het dier
bleek
kreupel, verzette geen stap en nu moet het kleine stukje gras, waarop de zieke
voet rustte, voorzichtig uitgestoken en verbrand worden, waarna het paard weer
genezen zou zijn. Hoewel proces toch uitgevoerd ,maar al of niet met succes vermeld
de geschiedenis niet.
Groot gebied
Wekerom mocht dan een bescheiden
dorp zijn, het gebied dat onder Wassink ressorteerde was behoorlijk groot, met
de
fiets als enigst vervoermiddel. Daarmede reed hij op een zomermiddag naar de Valk
om een openbare aankondiging, ook een onderdeel van zijn werk, op een daarvoor
bestemd bord te plakken. Niet ver van de school in de Valk, haalde hij de lompenhandelaar
H. in, wiens ponywagen vol met opgekochte goederen was beladen. De man had blijkbaar
goede zaken gedaan en groette opgewekt met "dag chef". Wassink beantwoordde
de groet en reed het geval voorbij.
Even later klonk een doordringend hulpgeroep,
hij keerde om en zag man met pony in een droge sloot aan de kant van de weg
liggen. De bouwvallige kar had een van de plaggenhopen die de afbakening van het
fietspad aangaven geraakt, was omgeslagen met het gevolg dat man en paard
in de greppel duikelden. De positie van de lompenman bleek allesbehalve benijdigswaardig:
hij lag op zijn rug met de viervoeter over hem heen.
Het slachtoffer kermde
o chef help me, ik heb bijkans al mijn ribben gebroken. Dat wilde Wassink
wel, maar de pony toonde weinig medewerking en bleek behoorlijk zwaar. Bij
een eerste poging gleed het dier weer terug hetgeen de man de kreet ontlokte:
,Krak al weer een rib. De tweede lukte beter. Wassink slaagde er in de
pony op de voorbenen te krijgen en toen was een kleine aansporing voldoende
om tegen de slootkant op naar de weg te klauteren. De man ging eenvoudiger,ondanks
zijn gekerm en gejammer,mankeerde hij niks. De helpende hand van Wassink bracht
hem weer op de been. Hij toonde zich uiterst dankbaar en onder het steeds herhaalde,
Chef je hebt me het leven gered, begon hij de verspreide goederen weer
op te laden.
Nu was Wassink op het gebied van hulpverlening bij ongelukken
geen vreemdeling in Jeruzalem. Elke politieman diende in het bezit te zijn
van een EHBO diploma hetgeen Wassink daar in Wekerom goed van pas kwam. Er
was geen dokter in de naaste omgeving en bij kleinere ongevallen met daarbij gepaard
gaande verwondingen verrichtte zijn verbanddoos uitstekende diensten.
Trekken
kies
Soms werd echter zijn hulp ingeroepen voor zaken waar hij allerminst
verstand van had, Zo kwam op zekeren morgen een landbouwer, met een gezicht als
een oorwurm aanzetten, met het verzoek hem een kies te trekken. 'k Heb de hele
nacht geen oog dicht gedaon van de kiespien, noe mot tie d'r uut, lichtte
de man toe. Dat kan wel, maar je bent aan de verkeerde adres,
ga maar
naar de tandarts in Ede, meende Wassink en vervolgde, "trouwens, daar
heb ik geen gereedschap voor." "Da's 't ergste niet," klonk het
antwoord. 'k Heb een goeie combinatietang meegebracht ,die gebruukte mien vader
ok altied. Wassink altijd bereid altijd te helpen,liet zich overhalen ,geef op
die tang ,ik zal het proberen. Het lukte ,na wat stevig wrikken,waarbij de man
geen kik liet horen, kwam de aangestoken kies te voorschijn.
Wettelijk was
dit optreden van de politieman wel geoorloofd, maar hij mocht er gezien de wet
op het onbevoegd uitoefenen van geneeskunde, geen geld voor vragen. Daarvan was
blijkbaar ook de patiënt op de hoogte want na de geslaagde operatie klonk
het: "Hardstikke bedankt Wassink, je hebt mien een gang naar Ee en een daalder
veur die tandarts uutgespaord.
Een ander maal klopte een ongeveer veertienjari
ge op één been hinkend, bij hem aan. Zij had op kousenvoeten
gelopen
en daarbij een splinter,beter gezegd, een behoorlijke spaan hout in haar voet
gekregen. Geholpen door zijn
vrouw, zette Wassink het meisje voor de keukentafel,zodat
zij daarop met haar handen kon steunen,nam,als een smid bij het beslaan van een
paard,de voet tussen de knieën en wurmde met een zakmes de enorme splinter
er uit.
Wat jodium er op ,hetgeen het meisje een kreet van pijn ontlokte ,meer
dan bij de eigenlijke ingreep en zij kon opgelucht naar huis.
Dit is vrijwel
de enige keer dat Wassink een jongere in zijn verhalen betrekt. Hij heeft met
opgroeiende jeugd van Wekerom,ondanks dat van ontspanning of vermaak nog weinig
sprake was,geen moeilijkheden gekend. Zeker,het nodige kattenkwaad werd uitgehaald
,maar zinloze vernielingen of ernstige overtredingen waren niet aan de orde,zodat
zijn optreden in dit verband tot vermaningen beperkt bleef.
H.J.Nijenhuis