Een
windbuks is, vooral op het platteland, altijd een geliefd wapen geweest. Er was
weinig gevaar voor de omgeving aan verbonden, maar vormde wel een geschikt apparaat
om vogels uit boomgaard en moestuin te verjagen of in vrije uren de edele kunst
van het schijfschieten te beoefenen. Ook de landbouwer N. in de Maanderbuurt bezat
een dergelijk wapen maar hij heeft er weet van gehad.
Op 30 juli 1960 besloot
de man de spreeuwen te verjagen, die zich te goed deden aan de laatste sappige
vruchten van zijn kersenbomen, die aan de overzijde van de weg stonden. Gewapend
met buks en vergezeld van een buurjongen loste hij bij zijn bomen gearriveerd
twee schoten waarop een zwerm vogels het luchtruim koos en naar beneden tuimelde.
Tot
zijn verbazing bleek hij een vink te hebben geraakt, nog wel een beschermde vogel.
De jongen pakte het dode beestje op en holde er mee naar huis. Dit tegen de zin
van N, die er liever geen ruchtbaarheid aan gaf en hem met de buks in de hand
achterna holde. Juist bij het bereiken van de achterdeur greep hij de knaap in
zijn kraag. Er ontstond een worsteling, waarbij plotseling de buks afging en de
jongen in de lies werd getroffen.
Nu veroorzaakt een dergelijk kogeltje geen
levensgevaarlijke wond, maar toch moest het slachtoffer voor verwijdering van
het projectiel naar een ziekenhuis. Zijn vader liet het er niet bij zitten en
schakelde de politie in. De volgende dag verscheen bij N. een agent. Deze maakte
proces-verbaal op voor het schieten van een beschermde vogel en nam de buks in
beslag, omdat hij daarmee op de openbare weg had gelopen.
De aanklacht van
de vader, het opzettelijk aanbrengen van lichamelijk letsel, viel echter moeilijk
te bewijzen. De zaak kwam voor de kantonrechter te Wageningen. Verdachte erkende
de vink te hebben geschoten, al was dat, te midden van de vele vogels, die zijn
boomgaard belaagden, puur toeval geweest.
Wat het bewuste schot betrof, daarvoor
kon hij onmogelijk een verklaring geven, maar wel de zekerheid, dat hij niet met
opzet had geschoten.
De jongen, als getuige gehoord, verklaarde dat N. hem
had toegeroepen: "Sta of ik schiet". Deze mening werd evenwel afgezwakt
door het feit, dat het schot pas was gevallen, nadat het huis was bereikt en niet
tijdens de achtervolging.
Het bleef een duistere geschiedenis, getuigen waren
er niet. De kantonrechter, die er ook geen gat meer in zag, kon verdachte op dit
punt niets ten laste leggen.
Toch calculeerde de ambtenaar van het openbaar
ministerie voor het onvoorzichtig omgaan met een vuurwapen een boete bij zijn
eis in. Voor het schieten van een beschermde vogel vroeg hij de maximum straf,
vijftig gulden, en voor het lopen met een buks op de openbare weg, verbeurdverklaring
van het wapen.
" Voor die paar stappen de weg over?", vroeg verdachte
schamper en speelde vervolgens nog een troef uit: Als het er op aan komt,
was het mijn buks niet eens meer, wantjuist de avond ervoor had ik hem aan een
kennis verkocht". "Had die al betaald informeerde de kantonrechter.
Nee
dat zou pas aan het eind van de week gebeuren, zodra hij geld had, antwoordde
de boer.
"Dan is er niets aan de hand", aldus de magistraat en veroordeelde
N. conform de eis en waaruit blijkt wat voor gevolgen het schieten van een
vogeltje kan hebben.
H.J .Nijenhuis .