In
de gemeente Ede, met haar uitgestrekte bossen, heide en lager gelegen weilanden,
is stropen altijd een geliefde bezigheid geweest. Sommige mensen zat stropen in
het bloed, een soort sport die van vader op zoon overging. Het triomfantelijke
gevoel een boswachter in de luren gelegd te hebben, gaf vaak meer voldoening dan
de buit. Geen wonder dat een rasstroper soms nog op gevorderde leeftijd de bossen
in trok, waarbij zijn jarenlange ervaring de verdwenen rapheid moest vergoeden.
Toch
was stropen niet uitsluitend sport, maar soms wel bittere noodzaak. In de winterdag,
als er voor veel mannen geen cent te verdienen viel en op geen enkele uitkering
viel te rekenen, waren konijnen en hazen de enige bron waarop een huishouden draaide.
Hoewel strafbaar, vonden zij stropen moreel volkomen gerechtvaardigd en werd
het niet als misdaad beschouwd. In heel vroeger jaren moet onze omgeving een eldorado
voor stropers zijn geweest, het wemelde er van herten, wilde zwijnen, hazen, konijnen
en zelfs wolven.
Blijkbaar werd stropen toen nog niet in strijd met de wet
geacht, want op deze laatste diersoort werd zelfs een premie gesteld. Volgens
een bepaling van 1augustus 1645 werd het vangen van een rekelwolf met vijftig
gulden beloond, geen kleinigheid in die tijd. Dat vele wild veroorzaakte zoveel
schade aan de landbouwgewassen dat men, om deze te beschermen, omstreeks 1600
al begon met het dorp een wildwal, bestaande uit greppel en aarden wal, aan te
leggen.
De wegen die de wal kruisten waren met hekken, die vanzelf dicht vielen,
afgesloten. Aanvankelijk met succes, maar door gebrek aan onderhoud verzandde
de de greppel. In 1772 wordt de zaak door de nog steeds toenemende wild overlast
opnieuw, door de buurt, aangepakt en thans grondig.
De nieuwe wildwal liep
vanaf de Sysselt, langs de rand van het Edese bos via de Veldhuizerbrink tot aan
de Wetering. De greppel werd. nu ongeveer twee en halve meter breed bij een meter
diep.
De uitgegraven grond werd aan de dorpszijde opgeworpen tot 1.80 m. hoogte
waarop een hekwerk van palen en planken, verrees.
Hierdoor werd het zelfs voor
een hert onmogelijk een dergelijke barricade te nemen. Een tijdlang bleek deze
bescherming afdoende, maar na verloop van jaren deed het weer haar invloed op
het hekwerk gelden, terwijl ook kwajongens hierop hun vernielzucht botvierden.
Voor
onderhoud was geen geld beschikbaar, zodat de buurt in arrenmoede besloot dat
iedere eigenaar,van land, grenzende aan de wildwal, deze, voor zo ver zijn bezittingen
reikte, zelf moest onderhouden. Geen halve maatregel dus, maar het effect bleek
gering,de wildstand liep terug waardoor voor de boeren het onderhoud minder urgent
werd. De wildwal kwam in verval om tenslotte geheel te verdwijnen, maar deskundigen
kunnen vandaag aan de dag nog plaatsen aanwijzen waar resten van de greppel te
zien zijn. In zijn boek "Rond de grijze toren", waaraan schrijver bovenstaande gegevens ontleent, heeft de heer L. C. Schreuders een apart hoofdstuk aan de wildwal
gewijd.
Maar met of zonder wildwal, stropers zijn er in onze omgeving
altijd geweest. Een unicum op dit gebied vond plaats in Wekerom, zo voor en tijdens
de eerste wereldoorlog. Daar besloten de plaatselijke stropers, ter behartiging
van hun belangen een vereniging op te richten. De Apeldoornse Courant van Woensdag
17 december 1913 maakte er melding van met het volgende bericht: Te Wekerom,
op
de Veluwe, is een stropers vereniging opgericht die de naam draagt van "Draagt
Elkanders Lasten", en ten doel heeft gezamenlijk te belopen boete's te betalen.
Zij verklaren openlijk dat zij in de afgelopen week tezamen 44 hazen, 23 konijnen,
7 fazanten, 5 korhoenders en één snip hebben geschoten . Tot zover
genoemde krant, waaruit tevens blijkt dat bedoelde week een behoorlijke buit had
opgeleverd.

Aan
de Hoge Valkseweg te Wekerom woont de bejaarde maar nog zeer vitale Hendrik Donkersteeg,
het enige nog in leven zijnde lid van het vroegere "Draagt Elkanders Lasten",
die mij bovenstaand krantenknipsel liet lezen. Hij en zijn eveneens nog zeer montere
vrouw kunnen er nu hartelijk om lachen.
Eigenlijk vonden wij meer een bond
om gezamenlijk de stroppen op te vangen, want boetes waren vooral bij herhaling,
niet misselijk zo meent Hendrik. De kas kon wel een straf van vijf en twintig
gulden betalen, maar voor de enkeling met een krap inkomen, was dat onmogelijk
en dan wachtte de cel. De aaneengesloten stropers stortten elke week gedurende
het jachtseizoen, zo van half oktober tot april, in de zomer werd nooit gestroopt,
een gulden in de kas. De broer van Hendrik, Wouter Donkersteeg, maakte zelfs
een clublied, meer op felheid en kritiek op de geoorloofde jacht berustend aan
op dichtkunst.
Ook dit is bewaard
gebleven, voor de aardigheid volgt het hier:
I. Wij zijn stropers van de bond,
Verenigd tot één doel,
Zo zwerven wij het jachtveld door,
Door
sloot en beek en poel.
II.
Patrijzen, hazen en konijnen,
Wij zweren hen
de dood,
Al waren het ook wilde zwijnen,
"Wij schieten alles dood.
III.
De landman mest de haasjes vet,
En voert patrijs en snip,
Dat lijkt
die grote heren wel,
Zij zijn er in een wip.
IV.
Als 't jachtseizoen
is aangebroken,
Vertrappen zij de oogst,
Daar werd nimmer van gesproken,
Wie
roemt de jacht,. werd hoog. De leden van de club beschouwden zichzelf meer als
jagers dan stropers, zij hielden zich nooit op met strikken zetten, dat vonden
zij beulenwerk en bovendien tijdrovend. In de avond moesten de strikken, vervaardigd
van dun koperdraad, op de gangen van het wild, een goede handbreedte van de grond,
aan boom of tak bevestigd worden. De volgende ochtend werden de strikken op vangst
gecontroleerd met altijd de kans dat de boswachter ze eerder had ontdekt en rustig,
verscholen op de stroper zat te wachten.
Ook het jagen met een fret was niets
voor de gildebroeders, al was dat wel in zwang. Had zo'n stroper een konijnenhol,
in vaktermen "Wrang" genaamd, ontdekt, dan sloot hij de verschillende
vluchtgangen, die met diereninstinct waren aangebracht met een netje af en stuurde
daarna de fret het hol in.
Dit bloeddorstige diertje dreef de verschrikte konijnen
naar de uitgangen waar zij prompt door de stroper werden gegrepen. Toch had deze
manier van stropen ook nadelen, want als de fret zelf een konijntje dood beet,
dan bleef het dier zich urenlang te goed doen aan het bloed.
De stroper
bleef dan de keus, rustig wachten met de kans dat een boswachter hem betrapte,
of de fret afschrijven. Dat was alles beneden de stand voor leden van D.E.L.,
zij trokken er op uit met een geweer, altijd in groepjes van drie man.
De
eerste met het geweer, geladen met hagel,de tweede droeg een grote carbidlantaarn,
die dienst deed als lichtbak, terwijl de derdeman op zijn hoede bleef voor eventuele
betrapping. Bij onraad gaf deze een fluitsignaal, waarop het drietal in verschillende
richtingen de sokken erin zette. Het was zaak dat allereerst de man met het geweer
in veiligheid kwam.

Een wapen is een kostbaar bezit en als het in handen van de wetsdienaar viel,
kon de eigenaar er naar fluiten. Later, voor het kantongerecht in Wageningen,
werd naast de gebruikelijke boete, het geweer subiet verbeurd verklaard.
De
vereniging had een speciale man in dienst, ene Slotboom, die de geweren onderhield
en zonodig repareerde.
De Roekelse en Wekeromseeng, soms ook het Wekeromse
zand,vormde het jachtterrein van de club. De grootste buit werd behaald bij regenachtig,
winderig weer; de hazen trokken dan eerder de vlakte op. Een van de sportieve spelregels
bij hun optreden was,nooit een haas in zijn "leger" te schieten; het
dier moest een eerlijke kans hebben om te vluchten. Bij genoemd weer, lopend tegen
de wind in, konden de dieren,aangetrokken door het felle licht van de carbidlantaarn,
goed benaderd worden.
Stropers en jachtopzieners kenden elkaar van
haver tot gort, konden achter een glas bier rustig samen een babbeltje opzetten,
maar waren in het veld gezworen vijanden. Wel was een vaste code van een boswachter
dat een stroper op
heterdaad betrapt moest worden.
Dat betekende vaak een
achtervolging door weilanden met sloten en daardoor soms een nat pak op de koop
toe.
Maar het tevreden gevoel van de stroper als hij de dans ontsprongen was
en de buit in klinkende munt was omgezet, vergoedde alles. Een bekend jachtopziener
uit die tijd in Wekerom was Teunissen, een man die elke paar woorden die hij sprak
met "jong" afwisselde. Zo klaagde hij eens tegen zijn buurman: "Ik
kan niet, jong, even weg zijn, jong, of ze stropen,jong,tot vlak bij mijn deur,
jong". Toch was hij lang niet achterlijk op een najaarsmorgen laadde hij
wat kisten eieren op zijn kar om daarmede naar de markt in Barneveld te gaan.
Men bleef in Wekerom behoorlijk van elkaars doen en laten op de hoogte, elke
stroper die hem zag gaan dacht: vandaag is de kust veilig. Geen mens had echter
in de gaten dat achter die kisten zijn zoon zat buiten Wekerom gekomen, sprong
Teunissen van de wagen, liet het eieren afleveren aan zijn zoon over en trok het
veld in op zoek naar stropers.
Het ging nu eenmaal list tegen list, oude stropers
kunnen er bomen over opzetten, maar hun tijd is voorbij. De maatschappelijke omstandigheden
maken het niet meer noodzakelijk om bij nacht en ontij de bossen in te trekken.
Maar de Wekeromse stropersclub, waarschijnlijk enig in de geschiedenis van
het stropen is de moeite waard even uit de vergetelheid te halen.
H.J. Nijenhuis

