
Evenals
overal elders was ook in Otterlo voor handhaving van tucht en orde politie nodig.
Een van hen, die bij oudere inwoners nog goed in het geheugen ligt, was rijksveldwachter
Groters. Deze man bij de burgerlijke stand ingeschreven als Reinier Albertus
Groters, werd geboren 21 februari1865 te Rozendaal bij Velp. Na aanvankelijk zijn
geluk in de bouwvakken te hebben beproefd, trad hij als jachtopziener in dienst
bij een groot grondbezitter. Het zwerven in de vrije natuur beviel hem wonder
goed, maar nog liever zou hij de voetsporen van zijn vader drukken, die rijksveldwachter
was.

Voor
die functie was toch nog niet veel vooropleiding nodig,maar behoefte werd een
man die daarvoor geschikt bleek door hogerhand beëdigd en aangesteld.
Het
toeval kwam Groters te hulp bij een inbraak in een villa te Rheden werd de dief
op heterdaad betrapt, maar holde de trap op en was verdwenen. De ijlings gewaarschuwde
veldwachter doorzocht het hele huis, maar de man bleef spoorloos. De eveneens
aanwezig Groters, die krachtens zijn functie ook in dienst van de wet stond, stelde
voor dat hij een onderzoek zou stellen. Dat werd toegestaan, Reinier controleerde
elke verborgen hoek en kasten om tenslotte onder het dak, tussen hanenbalken en
bebording de inbreker te vinden en in te rekenen.
Zo'n speurder zou ongetwijfeld
een goed politieman worden meende men en al gauw werd Groters tot rijksveldwachter
bij de gemeente Rheden aangesteld. Hij huwde op 28 mei 1889 met Aaltje Veenendaal
en werd op 12 november 1900 overgeplaatst naar Otterlo. Zijn vrienden in Velp
en omgeving trokken een bedenkelijk gezicht toen zij dit nieuws vernamen. "Maar
waar begin je aan, het zijn daar halve wilden, zij snijden je kop er af",
was hun opwekkend oordeel.
Maar Groters kwam er niet van onder de indruk en
terecht, de bewoners van Otterlo bleken gemoedelijk en joviale mensen, waarmee
hij direct goed overweg kon. Al spoedig werd Groters met zijn opvallende baard
een vertrouwde figuur in het dorp, al liep hij vrijwel altijd in burger en verleende
alleen een groen jagershoedje hem wat officieel cachet.
Zijn uniform bewaarde
hij voor bijzondere dagen zoals Koninginnedag of bij hoog bezoek. Bij kwajongensstreken
had hij zo zijn eigen manier van optreden, waarbij het bonboekje in de zak bleef.
Zo
zag hij eens twee jongens op weg naar school een vogelnestje uithalen, naar gewoonte
werden de eitjes onder de pet opgeborgen. Hij slenterde hen na tot het schoolplein
waar de jeugd tot het luiden van de bel aan het stoeien was. Bij de twee belhamels
gekomen vroeg hij langs zijn neus weg: "Jullie hebben toch geen kattenkwaad
uitgehaald?" "Nee, Groters". "En de vogelnestjes met rust
gelaten?" "Natuurlijk Groters" klonk het opnieuw. "Dan zijn
jullie brave jongens", meende Groters en hen gelijktijdig een lichte klap
op het hoofd gevend, besloot hij: "Ga dan maar gauw naar de meester".
Op hetzelfde ogenblik dreef de inhoud van de eitjes over hun gezicht tot uitbundige
vreugde van de aanwezige kinderschaar .
Een andere keer betrapte Groters
een rakker die met volle overtuiging bezig was de ruitjes van een gaslantaren
in diggelen te gooien. Hij greep de knaap in zijn nekvel en gaf hem een stevige
aframmeling. De jongen holde,moord en brand schreeuwend naar huis om zijn beklag
te doen. Een paar uur later kwam een verbolgen vader aanzetten: "Luuster
's Grooters, 'k wil niet hen dat meester mien kiender slaot, maar jie ok niet".
"Wat had je dan liever repliceerde Groters een bekeuring van vijf gulden
waar jij voor op moet draaien, wat bijkans een week werken betekent, of je zoon
een pak slaag dat hem nog lang zal heugen?
De aanvankelijk zo verontwaardigde
vader zag de waarheid hiervan in en droop af. Op een nacht werd door een paar
zwervers bij verschillende inwoners van Otterlo ingebroken. Ook het huis van Groters
werd met een bezoek vereerd.
Na door het keukenraam te zijn geklommen, zagen
zij lot hun schrik in een aangrenzend portaal zijn uniform
hangen. Het drong
tot hendoor dat zij hier aan het verkeerde adres waren, dus ijlings er van door.
De volgende morgen werden hem de inbraken gemeld en ontdekte Groters tevens zijn
geforceerde raam.
De brutaliteit om bij de veldwachter in te breken, maakte
hem zo woedend, dat hij al zijn normale werk in de steek liet en onmiddellijk
tot actie overging. Na twee dagen rusteloos speuren, slaagde hij er in, ver buiten
Otterlo, de daders te arresteren.
Zoals reeds vermeld, was Groters
tevens jachtopziener en op dit gebied bezorgden de anders zo rustige Otterlo'ers
hem volop werk daar bij velen stropen met de paplepel was ingegeven. Omgekeerd
kende Groters voor stropers geen genade en schuwde geen enkele list om hen
te betrappen. Het was hem opgevallen dat in de omgeving van "de Houtkamp"
een boerderij even voor de tegenwoordige ingang van "de hoge Veluwe",
regelmatig in de vroege ochtend werd geschoten. Daar wilde hij haring of kuit
hebben, terwijl het nog donker was, klom hij in een appelboom en wachtte. Jawel
hoor, in het prille licht, als de hazen van hun legers komen, verscheen de boer,
gewapend met een jachtgeweer, Deze liep de hof door en begon op de langoren te
schieten. Even later verscheen zijn vrouw in de deuropening en riep: "Heije
d"r al een?"
"Dat zal dan wel niet", klonk het uit de boom,
waarop Groters naar beneden sprong en prompt de verbouwereerde boer een proces-verbaal
gaf.
Een ander maal ontdekte hij een vrouw die de strikken , de vorige avond
door haar man gezet, naliep,juist toen zij er een haas uit haalde zag zij Groters
aankomen. IJlings verdween het dier onder de wijde rokken, waarna zij de veldwachter onschuldig aankeek. Deze meende: "Jij bent ook al vroeg in het veld en dan
nog wel in gezegende omstandigheden, als ik het goed zie. Joa-tis weer zo veer",
antwoordde de vrouw, blij met deze voor de hand liggende oplossing.
"Ik
vertrouw je niet erg, fouilleren mag ik je niet, maar voor alle zekerheid ga je
effen met mij mee naar de dokter". Dat werd haar toch te gortig en nu kwam
de aap, lliever gezegd, de haas, uit de mouw, al voerde de vrouw nog tot verontschuldiging
aan: "Eerlijk Groters : 'k docht dat 't een kiep was".
Door dit jachtopzienerschap
werd Groters ook ingeschakeld als door een aantal heren in het najaar jachtpartijen
werden georganiseerd. Hij zorgde voor drijvers en moesten een dag er voor de boer
van
"de Pamplet" waarschuwen.
Daar werd altijd middagpauze gehouden en
zorgde de boerin voor spekpannenkoeken. Bij een dergelijke gelegenheid drentelde
een jager, nadat de stapel pannenkoeken was verorberd de keuken in en zag
nog een exemplaar op het aanrecht liggen. "Die er nog wel bij", dacht
hij en at hem smakelijk op. Even later kwam een verschrikte boerin aanzetten en
vroeg waar die pannenkoeken uit de keuken was, gebleven,"Die heb ik opgegeten",
klonk een forse stem mocht dat niet" Niet magge", weifelde de vrouw.
En toen, op aandring,en: "die waarfFeitelik veur ons Jantje ,'t kiend het
dauwwurm en dan is 't mirakels goed om de paar uur een pannenkoek op '1 heufje
te leggen, daar ha'k die de hele tied veur gebruukt", De man werd bleek,
zijn maag begon te draaien en hij haastte zich naar de deel om zijn portie
pannenkoek aan de varkens prijs te geven.
Al bezat iedere deelnemer van het
gezelschap een jachtakte, daarom waren het nog niet allemaal jagers. Er liepen
soms manen bij die van schieten weinig kaas hadden gegeten. Zulke zwakke broeders
stak Groters, die zich veelal bij de drijvers bevond, nog wel eens een riem onder
hart. Bij het verzamelen van het wild, hield hij dan een konijntje of fazant achter
liep even later naar de Zondagsjager,gaf hem het dier en zei: Asjeblieft, die
heb jij geschoten, toevallig zag ik het, een pracht schot , waarna de man zijn
buit triomfantelijk in zijn weitas stopte.
Die Reinier Groters heeft
een werkzaam leven gehad, vaak dag en nacht op stap en bovendien een groot gezin
te onderhouden. Het echtpaar kreeg tien kinderen, zes jongens en vier meisjes,
een unicum was dat later al de jongens voor korte of langere tijd in militaire
dienst zijn geweest. De thans vijf en zeventigjarige zoon Piet Groters, nog altijd
in Otterlo wonend, kan er smakelijk over vertellen hoe dit stel liefdevol maar
met de nodige strengheid werd grootgebracht.
Eén vrijetijdsbesteding
leerden de jongens, mede door de verhalen van hun vader, al jong, nl. stropen.
Op jeugdige leeftijd trokken zij al de bossen in om wild te verschalken; overigens
heel geraffineerd als zij zeker wisten dat vadert huis of voor dienstzaken naar
Ede moest. Een vreemde situatie, vader rijksveldwachter en jachtopziener en
zijn spruiten met de strikken op pad. Zonder medeweten van het ouderlijk gezag,
hebben zij menige haas gevangen, al konden zij moeilijk met de buit naar huis
komen.
Maar zij hadden hun eigen afnemers en konden zich zo van een zakcentje
verzekeren. Wij zouden nog geruime tijd met verhalen van zoon Piet kunnen doorgaan,
maar dat zou te ver voeren en doen dat t.z.t. liever in een afzonderlijk artikel.
Reinier
Albertus Groters was geenszins een bijzondere man, maar iemand die met hard werken
zijn plicht heeft gedaan, vaak zelfs meer dan dat. In alle stilte heeft hij behoeftige
mensen vaak verrast met stuk spek of pakket levensmiddelen, terwijl hij een vraagbaak
is geweest voor veel inwoners van Otterlo. Hij overleed, na nog dertien jaar van
een welverdiend pensioen te hebben genoten, in 1943.
H. J. Nijenhuis.
