Het
nu volgend ware verhaal is afkomstig van de thans bejaarde heer Van de Bospoort.
Hij bracht zijn jeugd door in Harskamp en haalde reeds eerder herinneringen op
die een kijk geven op het vroegere dorpsleven. Het Harskamp in het begin van deze
eeuw was nog van zeer bescheiden omvang met bewoners die elkaar van haver tot
gort kenden en die van alle zaken die zich in het dorp afspeelden, op de hoogte
waren. De twee meest besproken personen waren niet, zoals veelal elders, de dominee
en de dokter, want die ontbraken daar nog, maar het hoofd van de school meester
Wormgoor en de veldwachter.
Eerstgenoemde is van grote betekenis voor het dorp
geweest, niet alleen als opvoeder van de jeugd, maar, mede door zijn ontwikkeling,
was hij een vraagbaak voor velen en een stimulator voor het verenigingsleven.
Ook met de veldwachter konden de meeste Harskampers wel overweg, orde en rust
moeten nu eenmaal gehandhaafd blijven.
Wel deden zich omstandigheden
voor waarbij zijn aanwezigheid minder gewenst bleek, zoals bij stropen bijvoorbeeld,
maar met een beetje handigheid konden zij de man, op dit terrein wel ontlopen.
Het viel dan ook geenszins in goede aarde toen bekend werd dat de veldwachter
een hond had aangeschaft. Volgens zijn zeggen op verzoek van de chef uit Ede,
in verband met het grote rayon waar hij alleen voor stond, hetgeen werd betwijfeld
daar het dier nog niet was afgericht.
Toch waren vooral de stropers allerminst
gelukkig met dit bericht, in het veld konden zij de veldwachter nog wel voorblijven,
maar een goede hond is heel wat rapper. Zij zouden de man nu niet zo gemakkelijk
te grazen kunnen nemen als al enkele jaren het geval was.
Dat
najaar werd de omgeving van de Stroe-allee geplaagd door talrijke wilde zwijnen.
die danig huis hielden op de omliggende akkervelden. Er moesten maatregelen
genomen worden, straks was er van de bieten en knollenoogst niets meer over.
Besloten werd een clandestiene jachtpartij te organiseren, met een beetje geluk
werden als schadeloosstelling. de spekkuipen er beter van .
Natuurlijk betekende
een en ander gewoon stropen,maar daar beurde men niet zwaar aan. Een varken thuis
in het hok moest gevoerd worden maar dat geld kwam er weer uit, een wilde soortgenoot
vrat ook vaak op hun kosten maar leverde niets op.
Op een donkere novemberavond
waren door tien mannen van wie er vier over een geweer beschikten, alle voorbereidingen
getroffen. Alleen de veldwachter woonde in de omgeving bij het eerste schot, zou
hij subiet komen opdagen. Maar geen nood; tegen acht uur werden twee opgeschoten
jongens, gewapend met een brandende stallantaarn de Zuiderhei opgestuurd, een
behoorlijk eind van de Stroe-allee verwijderd. Zij kregen opdracht om, al zwaaiend
met hun attribuut door te lopen tot de seintoren. Een kwartier later trok de derde
van het complot bij de veldwachter aan de bel met de mededeling dat er op de Zuiderhei
met lichtbakken werd gewerkt. De man bedankte hem voor de tip, greep zijn fiets
en inderdaad op de Molenweg gekomen, zag hij in de verte lichtschijnsels.
De
veldwachter zette zijn fiets aan de kant van de weg. van rijden op de donkere
hei was toch geen sprake en zette er vervolgens de sokken in. Het duurde geruime
tijd voor hij het tweetal had ingehaald en sommeerde te blijven staan. Helaas
het bleken geen stropers te zijn, maar twee kameraden, die, althans volgens hun
zeggen, een avondwandeling maakten.
Daar zij wat bang uitgevallen waren, hadden
zij een lantaarn meegenomen .
Teleurgesteld trok de veldwachter huiswaarts,
de jagers hadden inmiddels ongehinderd hun slag geslagen. De buitwas niet gering;
vijl zware wilde zwijnen en twaalf hazen, waarvan iedere deelnemer zijn aandeel
ontving,dat per paard en wagen werd thuis bezorgd.
Deze succesvolle jacht werd
nog dikwijls opgerakeld, maar als de veldwachter binnenkort over een hond beschikte,
zouden dergelijke grapjes moeilijker worden. Niet dat er direct gevaar dreigde,
het dier moest nog afgericht worden, naar het oordeel van de politieman een
peulenschilletje, maar de praktijk toonde een ander beeld. De hond, weliswaar flink
uit de kluiten gewassen bezat een goedaardig karakter en toonde zich een allemansvriend.
De
veldwachter begon met het dier aan een riem naast zijn fiets te laten lopen als
hij een controlerit maakte.
Zoiets maakte alvast indruk, maar zodra hij stopte
en de hond beval te gaan liggen om op zijn fiets te passen, werd het hommeles.
Het dier sprong wel blij tegen hem op, kwispelde met zijn korte staart, maar gehoorzamen
was er niet bij.
De dorpelingen volgden de vorderingen van zijn dresseerkunst
met belangstelling, hetgeen de veldwachter maar matig waardeerde. Na een paar
weken vruchteloze training, had hij er wat op gevonden, om althans zijn gezicht
niet te verliezen. Voortaan nam hij een range ijzeren pin mee, met aan het boveneind
een ring. Moest hij nu ergens zijn, dan stak hij deze pin de grond, drukte
de hond omlaag en bevestigde de halsband strak aan de ring .
Voor een buitenstaander
gaf dit de indruk dat de hond trouw de fiets bewaakte om te testen of dat inderdaad
het
geval was, besloten twee mannen de fiets van de veldwachter weg te pakken. Deze
ging elke avond, tegen vijf uur als de post uit Ede binnen was naar het kantoor,
om de voorhem bestemde brieven op te halen.
Dienstzaken zaten veelal in open
. bruine enveloppen en hij bezat, niet geheel ten onrechte, weinig vertrouwen
in de brievenbesteller, die het officiële nieuws zou lezen en rondbazuinen,
voor hij er zelf kennis van had genomen.
Gewoonlijk maakte
de veldwachter nog even een babbeltje met directeur Van de Berg. Daardoor kregen
de twee mannen gelegenheid om in alle rustte fiets te laten verdwijnen. Het
bleek een koud kunstje: de een aaide het dier over de kop, terwijl de ander
het rijwiel naar Aalbert de fietsenmaker bracht, een paar minuten verderop.
Willem
v. d. Hoef, die naast het postkantoor woonde, zat ook in het complot en keek belangstellend
toe Tien minuten later kwam de veldwachter naar buiten, zag de hond wel liggen,
maar geen fiets. Verbaasd keek hij om zich heen, gooide er een aantal krasse
termen uit, gaf, uit woede, de hond een flinke trap en zag toen Willem staan.
"Zeg,
zag jij misschien wie mijn fiets heeft gestolen?" "Nou," zegt Willem,
"gezien heb ik niets, toen was ik nog
buiten, maar ga eens bij Aalbert
kijken, daar werd net een fiets neergezet." Driftig greep de veldwachter
de riem met hond en wilde weglopen. Willem hield hem echter tegen "Zeg
veldwachter, jij doet ook hartstikke stom om die hond zo tegen de grond te
drukken, als ze aan je fiets komen, kan het dier niets beginnen, hooguit blaffen.
De veldwachter reageerde niet, maar liep naar de fietsenmaker, die zich ook
al van de domme hield. "Ja, d'r is hier wel een fiets neergezet, door wie
weet ik niet, maar aan de klemmen te zien waar een sabel in past, kon die wel
van jou zijn." De veldwachter pakte zijn rijwiel en reed naar huis; in zijn
achterhoofd bleven de woorden van Willem v. d. Hoef hangen inderdaad zo had de
hond weinig nut. De volgende dag nam hij contact op met een beroepsdresseur; de
man verstond zijn vak. In enkele weken veranderde de eerder zo sullige hond,
hij werd agressiever en luisterde naar commando's, zodat de veldwachter, tot
zijn grote tevredenheid, de ijzeren pin niet meer nodig had. Ook in het dorp drong
het geleidelijk door dat het dier op weg was een echte politiehond te worden
en dus zon men op krassere maatregelen.
Tenslotte werd besloten tot een radicale
oplossing, op een morgen wilde de veldwachter aan zijn dagelijkse ronde beginnen.
Hij liep naar het hok om zijn hond te halen en bleef perplex staan. Aan de stevige
ketting lag niet het forse dier maar een nietig pinchertje. Onbekenden hadden
's nachts, in alle stilte, de politiehond veranderd in "Klein Duimpje".
De veldwachter was razend en de eerste weken niet te genieten: hij speurde
alle huizen en boerderijen af, informeerde links en rechts, zonder enig resultaat.
De
Harskampers zelf zwegen als het graf, elkaar verraden was er nooit bij geweest.
Overigens, slechts weinigen wisten de ware toedracht, maar de hond was en bleef
weg. Wel meenden een paar veekopers, die de Wageningse markt bezochten, het dier
te hebben gezien als trekhond onder een groentekar .
De veldwachter gaf uiteindelijk
zijn speurtochten op en besloot, gezien de ervaringen, geen nieuwe hond aan te
schaffen. Het pinchertje vond genade in de ogen van zijn vrouw en werd als huishondje
geaccepteerd, de stropers waren opgelucht en de rust keerde weer terug in Harskamp.
Eigenlijk een simpel verhaal, maar wel een bewijs hoe in vroegere jaren ook kleine
gebeurtenissen de dorpsgemoederen in beweging konden brengen.
H. J. Nijenhuis.