Door
de tijden heen hebben ook in onze gemeente boeren en landbouwers een aantal kippen
gehouden. Naarmate de vraag naar eieren steeg, breidde de pluimveestand meer
en meer uit. Een bescheiden boerenplaatsje, te klein voor een behoorlijk landbouw
of veeteeltbedrijf, wist door het bezit van de nodige kippen toch het hoofd boven
water te houden.
De produkten werden op maandagmorgen naar de nu al lang verdwenen
eierveiling gebracht: in 1939 nog een aanvoer van 34 miljoen stuks.
Evenals
vrijwel elk ander bedrijf, kent ook de kippenhouderij haar tegenslagen. Zo heerste
in het prille voorjaar van 1952 in onze omgeving de pseudo-vogelpest, waarvan
heel wat kippen het slachtoffer werden. Teneinde verdere uitbreiding te voorkomen,
vaardigde de burgemeester een zgn. "ophokgebod" uit, hetgeen betekende
dat elke eigenaar van kippen zijn bezit opgesloten moest houden.
Dat beviel
de pluimveehouders maar matig: loslopende kippen scharrelen op erf en weiland
voor een groot deel zelf de kost op, maar nu moesten de dieren elke dag volledig
gevoerd worden. Het verbod, waarop scherpe controle werd uitgeoefend,bezat echter
wettelijke kracht en doordat veel boeren, vooral buitenaf de noodzaak hiervan
niet zo zagen zitten, maar rustig hun eigen weg gingen, werden er door politie
en bevoegde ambtenaren heel wat bekeuringen opgemaakt.
Kantonrechter
Op
vrijdag 14 maart 1952 verschenen maar liefst tien overtreders gezamenlijk voor
de kantonrechter te Wageningen. Alle verdachten erkenden op de hoogte te zijn
van de bepaling, maar meenden over een geldig excuus te beschikken. Bij de één bleek
in het hok een gat te zitten waar de kippen door kropen, de ander was bang dat
zijn hoenders door het lange opsluiten zouden "verpodderen", terwijl
een derde van mening was dat de politie "de pik" op hem had, want zijn buren
bleven ongemoeid.
Voor de aardigheid een paar van die zelf opgebouwde verdedigingen.
Verdachte VV .twijfelde aan het nut van deze maatregel, die hij onder hilariteit
"hokverbod" noemde en vervolgde: "Kiek es hier, ok een kiep mot
vrij zijn en buuten kunnen lopen en as 't er van mien één ziek wordt
en dood gaat, heb ik de strop en niet de burgemeester".
Zuuvere
waarheid
De landbouwer B. uit Lunteren meende: ,,'k zal effe gauw vertellen
hoe 't ging: al die tied he'k de kiepen sekuur in de loop gehouwen. Mer noe
ha we pas gedorst en bie 't stro in de barg brengen, vallen d'r altied wel wat
achtergebleven korrels op 't erf.
De kiepen bin daar gek op en vlogen over
't gaas d'r op af. As goeie boer laat je geen graan verloren gaan, dus laat ik
ze scharrelen, beter dat 't opgepikt wordt dan vertrapt. Net toe ik de kiepen
weer in de loop wou jagen, was 't te laat, de pelisie sting d'r al". Tot
besluit J. D. L. uit Ede, die blijkbaar weinig vertrouwen in de rechtspraak had,
want hij begon aldus: " 'k had misschien net zo goed thuus kunnen blieven,
de heren gleoven mien toch niet, met 't is de zodere waarheid".
Hij zochtte
even om dan verder te gaan: ,,'t hok mot van tied tot tied worden ootgemest en
dan kun je de kiepen er niet in hoowen. En laat nou joost op zo'n moment de controleurs
kommen en was ik de klos".
De kantonrechter hoorde allen geduldig aan,
maar raakte er niet van onder de indruk. Alle verdachten werden veroordeeld tot
vijftien gulden boete of tien dagen hechtenis.
H. J. Nijenhuis