Reeds eerder hebben we in deze rubriek verteld over strafzaken,
behandeld bij de kantonrechter in Wageningen. die vroeger uitvoerig in de Edese
courant waren te lezen en waarvan er nu nog een paar volgen. De crisisjaren 1930-40
waren ook op het platteland goed merkbaar en de boeren waren aan allerlei bepalingen
gebonden.
Kalf
Zo moesten in 1932 de gebroeders
B, landbouwers uit Nederwoud, zich verantwoorden voor het feit dat op hun erf
een dood kalf had gelegen dat zij volgens de crisiswetten hadden moeten aangeven,
het geen niet was gebeurd. Slechts één van de broers kwam opdagen
met de verklaring: 'k kan 't alleen wel af, 't is een heel eind naar Wageningen
en 't waark mot ok deur gaan.
De kantonrechter informeerde naar het
bewuste kalf. ,,'k begriep d'er niks van, 't beest was amper koud of d'r stingen drie ambtenaren op 't erf. 't Liekt wel of ze d'r op hadden staan wachten".
"Volgens
die ambtenaren was het kalf al minstens een halve dag dood", meende de rechter.
"Wat hun die luu verstaand van vee? De buren kwammen ok kieken en dan
sta je knap voor schut, we badden nog geen tied gehad om te overleggen wat 't
er mee mos gebeuren", besloot verdachte. "Had u het misschien toch nog
willen slachten?" informeerde de kantonrechter.
Verontwaardigd stoof de
boer "Dood is dood, dan heb je niks meer te slachten".
"Misschien
verkopen dan? drong de magistraat aan. Daar trapte de man in, aarzelend klonk
het: ..Tja, als Ik 't er een paar tientdes veur had kunnen beuren. anenig veur
't vel natuurlijk. dan lel 't anders". "Dan is het bewijs geleverd daarom tiebt
u het kalf niet aangegezien", concludeerde de kantonrechter. De boer, die
nu zijn tout besefte, stoof op: "Man, hoe kom je d'r bie, 't kalf is toch
niet verkocht, dat kun je nooit bewiezen". Het mocht niet baten; hij werd
veroordeeld tot een boete of acht dagen hechtenis en vertrok, al mopperend
over zoveel onrecht weer naar Nederwoud.
Strikken
Een ander geval:
op een novemberavond in 1953 waren twee mannen aan het strikken zetten in een
weiland in de Doesburgerbuurt. Ze werden betrapt door een boswachter, waarop
zij aan de haal gingen.
Daarbij hun materiaal haastig weggooiend Maar de hond
van de schut was rapper en bracht tiet tweetal tot staan. Zij kregen een proces-verbaal,
dat voorjaar 1954 door de kantonrechter werd behandeld. Beide gaven toe de bewuste
avond in de wei te zijn geweest, maar met strikken?
Hoe haalde de verbalisant
dat in zijn hoofd? "Eerlijk, Edelachtbare", begon de één,
"al kreeg er een tientje voor, ik zou niet weten hoe een strik er uit
ziet".
Maar waarom liepen jullie dan zo hard weg?" "Dat zal
ik u vertellen: ik ben in het donker nogal schrikachtig uitgevallen.
Als ik
dan iets onverwachts hoor, dan ga ik op de loop. Mijn moeder zei vroeger al: jong,
doe het toch niet zo gauw in je broek. Maar ik kan er ook niets aan veranderen,
aldus de eerste verdachte.
Toen kwam de tweede: "Eigenlijk is het
allemaal mijn schuld. Ik wou gaan bramen plukken en vroeg hem mee te gaan".
De kantonrechter was perplex: "Bramen plukken in November en dan in het volslagen
donker, maak dat de kat maar wijs".
Och", meende de man laconiek
je kan nooit weten, de wonderen zijn de wereld nog niet uit".
Zij bereikten
met deze wonderlijke verdediging wel dat het plaatsen van strikken niet bewezen
kon worden, maar kregen beide een boete van vijftien gulden voor het lopen
op verboden grond. Een fors bedrag voor deze simpele overtreding.
H. J. Nijenhuis.